Episode 21 - De Metamorfosen
In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische metamorfose ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.
Beluister episode 21 en lees het script op deze pagina mee.
| Episode 1 | Episode 2 |
| Episode 3 | Episode 4 |
| Episode 5 | Episode 6 |
| Episode 7 | Episode 8 |
| Episode 9 | Episode 10 |
| Episode 11 | Episode 12 |
| Episode 13 | Episode 14 |
| Episode 15 | Episode 16 |
| Episode 17 | Episode 18 |
| Episode 19 | Episode 20 |
| Episode 21 | Episode 22 |
| Episode 23 | Episode 24 |
| Episode 25 | Episode 26 |
| Episode 27 | Episode 28 |
| Episode 29 | Episode 30 |
| Auteur: | Ovidius |
| Vertaling: | M. d'Hane-Scheltema |
| Bewerking en regie: | Peter te Nuyl |
| Inspiciënt: | Leo Knikman |
| Omroep: | NPS |
| Uitgezonden door de: | VPRO |
| Uitgezonden op: | 26-01-1998 |
| Krijn ter Braak | De verteller |
| Catherine ten Bruggencate | Tychonische vrouw |
| Peter Blok | Midas |
| Han Kerckhoffs | Bacchus |
| Ton Lutz | Tmolus |
| Joost Prinsen | Neptunus |
| André van den Heuvel | Proteus |
| Gusta Teengs Gerritsen | Thetis |
| Han Römer | Ceyx |
| Kathenka Woudenberg | Diana |
| Cas Enklaar | Onetor |
| Hans Dagelet | Peleus |
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
verteller: Terwijl de dichter dus in Thracië met zulke zangen dieren, geboomte en zelfs rotsen in zijn voetspoor lokt, gebeurt er dit: Ciconisch vrouwvolk in Bacchantenstemming, gehuld in dierenvellen, krijgt vanaf een heuveltop de man in 't oog die verzen voegt bij citerklanken: Orpheus. Eén van de vrouwen schudt haar lokken in de wind en roept:
Ciconische vrouw: Kijk daar! Daar heb je onze vrouwenhater!
verteller: ...en ze slingert haar thyrsus naar dat zingend Apollinisch dichtershoofd, raakt het, maar wondt het niet, omdat de tak dik is bebladerd. Een ander smijt een steen naar hem, maar die wordt in de lucht door harmonie van stem en snaren in z'n vaart geremd en valt vlak voor zijn voeten neer, als smeekt ie om genade voor zulk een dwaze aanval. Niettemin neemt het baldadig geweld nog toe en kent geen maat meer, waanzin heerst en wraak.
Nu zouden al die andere stenen ook wel zijn gezwicht voor zijn zingen, maar het luid gekrijs, het handgeklap, de klank van kromgebogen toeters, van timpaan en Bacchuskreten hebben zijn citerzang gedempt, en toen de dichtersstem niet meer te horen was, heeft steen na steen zijn bloed gedronken.
Dan stort zich heel die troep op Orpheus' luisterrijk gehoor, verscheurt dat weids publiek van vogels, slangen, wilde dieren, ontelbaar vele, steeds nog door die dichterszang geboeid. Vervolgens gaan ze af op Orpheus zelf, bloed aan hun handen. Ze dringen om 'm heen als vogels die bij ochtendlicht een nachtuil rond zien vlerken, of zoals wanneer in het Circus een hert reeds in de vroege uren prooi van honden wordt en weet dat het gaat sterven. Met hun klimopgroene thyrsus - bepaald niet voor dit doel bestemd - slaan ze de dichter neer, gooien met kluiten, sommigen met afgerukte takken, met brokken steen.
Hun razernij vindt materiaal genoeg, omdat die akker daar juist werd bewerkt met ploeg en ossen en dicht daarbij gespierde boeren bezig waren met hun zaaigrond en hard zwoegend in de vaste bodem hakten, maar bij het zien van die Maenaden had men in paniek de spullen in de steek gelaten. Harken en houwelen, schoffels met lange stelen liggen links en rechts in het veld. De wilde bende pakt ze mee, scheurt zelfs de woestgehoornde ossen uiteen, haast zich dan terug naar 's dichters ondergang en hoe hij ook de armen strekt en vruchteloze woorden - toen voor het eerst - laat klinken met een stem die niet ontroert, ze doden hem, de heiligschensters. En helaas, zijn adem is door die dichtersmond, die zelfs door stenen werd verstaan, die spreekbuis was voor wilde dieren, op de wind vervlogen.
De vogelwereld treurde om Orpheus, diepbedroefd. Ook treurden de wilde dieren, koude rotsen, bossen die zo dikwijls door het zingen waren meegelokt. Met afgevallen loof stond menig kale boom in rouw. Hele rivieren - zegt men - zwollen door eigen tranenstroom, en bos- en waternimf droegen loshangend haar en zwartomzoomde linnen waden.
Zijn lichaam ligt verspreid in stukken. Hoofd en lier zijn door de Hebrus meegevoerd. Daar, drijvend midden op het water - 't is wonderbaarlijk - klaagt de lier nog droevig. Droevig ook fluistert zijn dode mond, droevig het antwoord van de oevers.
Dan, als de stroom het land verlaat, drijven zij voort op zee tot zij de kust van Lesbos, waar Methymna ligt, bereiken. Terwijl het hoofd daar op het verre strand ligt en het haar nog druipt van water, wil een valse slang het overvallen, maar dan, ten slotte, helpt Apollo: als het ondier toehapt, weert hij het af, de wijde slangenbek doet hij verstijven tot steen, zodat voorgoed de kaken open blijven staan.
Zijn ziel daalt onder aarde. Alles wat hij daar al eerder gezien had, kent hij terug. Rondspeurend naar Euridyce treft hij haar aan in de Elysese velden, en vol liefde omhelst hij haar. Sindsdien zijn zij daar samen, zij aan zij, of één voorop en één die volgt. Dan is het dikwijls Orpheus die omkijkt, maar nu zonder angst, naar zijn Eurydice.
(XI, 67-84 De transformatie van de Maenaden)
Maar Bacchus liet de misdaad toch niet ongewroken. Treurend om Orpheus' dood, de dichter-zanger van zijn eredienst, bond hij direct de Thracische Bacchanten, die dit onheil hadden verwekt, met kronkelwortels aan de bosgrond vast. Van elke vrouw trok hij, pal op de plek waar zij gestaan had, de tenen bij het uiteind diep de vaste bodem in. Zoals een vogel met z'n poot verstrikt raakt in een listig verborgen jagersnet en zich opeens gevangen voelt en klapwiekt in paniek - het rukken trekt de knoop nog strakker - zo staat daar elke vrouw hecht vastgeketend aan de grond, verschrikt, vergeefs proberend los te komen. Taaie wortels houden haar dwingend op haar plaats, hoe ze ook wrikt en wringt. Als ze omlaag kijkt waar haar tenen zijn, haar voet, haar nagels, merkt ze hoe om haar slanke kuiten hout naar boven groeit, en als ze zich wanhopig op haar dijen wil gaan beuken, slaat ze op hout. En dan is ook haar bovenlichaam hout met houten schouders en haar uitgestrekte armen lijken op echte takken, en dat 'lijken' is nu geen bedrog.
(XI, 85-145 Midas en de gouden aanraking)
Maar Bacchus is nog strenger: hij verlaat nu zelfs die landstreek en zoekt, omringd door beter volk, zijn wijnberg Tmolus op. Daar stroomt de Pactolus, die in die tijd nog niet vol goud zat, nog geen rivier van afgunst was wegens zijn kostbaar zand. De god vindt daar z'n trouw gevolg van saters en Bacchanten, maar één ontbreekt: Silenus. Waggelend door wijn en jaren was die door Phrygisch boerenvolk gevangen en met slingers omkranst en voorgeleid bij koning Midas. Deze was in Bacchus' godsdienst ingewijd door Orpheus en Eumolpus, Midas herkent 'm dus direct als vriend en volgeling van Bacchus, en ter ere van die gastvriend heeft hij vrolijk tien dagen en tien nachten achtereen zijn komst gevierd. Toen Lucifer de elfde dag het hemels sterrenleger had afgevoerd, reisde de koning blij naar Lydië en bracht Silenus aan diens jonge pleegzoon Bacchus terug.
De god schonk hem een kans om, goed bedoeld maar dwaas benut, een wens te doen, uit vreugde dat zijn oude meester terug was. En Midas riep, zichzelf een slechte dienst bewijzend:
Midas: Maak dat alles wat ik aanraak in lichtkleurig goud verandert!
verteller: De godheid heeft die wens vervuld, een schadelijk geschenk, en was teleurgesteld dat hij niets beters had gekozen. Midas, de held, gaat dankbaar heen, verheugd om eigen nadeel, en toetst de waarheid van wat is beloofd door hier en daar iets aan te raken. Hij gelooft zichzelf niet als ie van een eik een lage groenbegroeide tak trekt, want die tak wordt goud. Hij pakt een steen op, ook die steen verbleekt tot goud. Hij raakt een aardkluit aan, die kluit wordt in zijn tovervingers een goudklomp. Droge korenhalmen heeft ie uitgerukt, een gouden oogst! En als ie van een boom een appel plukt, lijkt die geschonken door de Hesperiden. Als zijn hand een hoge deurpost raakt, zie je die deurpost goud uitstralen. En als ie in een waterstroom z'n handen wast, kan zelfs de straal die uit z'n palmen vloeit een Danaë verrassen. Het overtreft z'n stoutste dromen, alles wat ie wenst wordt goud.
Dolblij gaat ie aan tafel. Z'n lakeien hebben schalen vol voedsel uitgestald, met mandjes brood erbij. Maar dan, helaas, zodra hij met z'n hand die Ceresgaven beetpakt, worden diezelfde Ceresgaven hard metaal. En als ie met veel smaak z'n tanden in het vlees wil zetten, komt er, zodra het vlees z'n tanden raakt, een goudlaag om. De wijn, ook zo'n geschenk van Bacchus, die hij met puur water vermengd had, zag je bij z'n mond tot vloeibaar goud vergaan. Verbijsterd door dit nieuwe kwaad en even rijk als arm wil hij geen rijkdom meer, hij haat wat hij zojuist gewenst heeft, geen hap verhelpt z'n honger, droge dorst verschroeit z'n keelgat. Door eigen schuld is hem dat kwade goud een foltering. Zijn armen en z'n fonkelhanden hoog ten hemel heffend roept hij:
Midas: O, Bacchus, schenk vergiffenis! Ik deed verkeerd, maar help mij, smeek ik u, verlos mij van mijn gouden ziekte!
verteller: Goden zijn vaak genadig. Toen hij zo berouwvol sprak, nam Bacchus zijn belofte terug, ontsloeg hem van de afspraak en zei:
Bacchus: Als je niet langer meer met dat vervloekte goud besmeurd wil blijven, ga dan dan naar de Pactolus bij Sardis' machtige stad en reis stroomopwaarts door het bergland van de Lydiërs, tot je de oorprong der rivier bereikt en waar de bron heel krachtig borrelend tevoorschijn springt spoel je je hoofd en lichaam af en tegelijk je zonde.
verteller: De koning deed zoals gezegd. Zijn gouden toverkracht kleurde de stroom, van mensenlichaam overgaand in water. En nu nog steeds, al is die ader eeuwen her ontstaan, blinken de akkers daar van goud, met vochtig gele kluiten.
verteller: Rijkdom verguizend leefde Midas nu in veld en bos en wijdde zich aan Pan, de god die huist in bergspelonken. Maar z'n verstand bleef lomp en dwaze onnadenkendheid zou voor een tweede maal haar meester veel ellende brengen.
Ver uitziend over zee verheft de steile Tmolus zich hoog in de lucht, en breed geschouderd reikt hij met z'n zijden van Sardes links tot aan het nietige Hypaepa recht. Als Pan daar op een keer de lieve nimfen met z'n zangkunst vermaakt en licht frivole wijsjes op z'n panfluit speelt durft hij Apollo's verzen te kleineren vergeleken bij eigen werk, durft zelfs een ongelijke wedstrijd aan. Tmolus mag jury zijn. De grijsaard zet zich op z'n bergrug, ontdoet z'n oren van geboomte, slechts een eikenkrans ligt om z'n blauwgroen haar. De eikels hangen langs z'n slapen. Z'n blik richt zich op Pan, de god van 't vee.
Tmolus: De jury...
verteller: ...zegt hij...
Tmolus: ...zit klaar en luistert.
verteller: Pan begint te spelen op z'n rietfluit. Zijn wat uitheemse lied vertedert Midas, want die was toevallig bij de zangwedstrijd aanwezig. Dan wendt Tmolus zijn edelachtbaar hoofd Apollowaarts, en ook het bos draait mee. De god draagt op z'n blonde lokken een laurierkrans van de Parnassus en z'n purperrode mantel sleept over de grond. Z'n lier, vol edelstenen en ivoorwerk, rust op z'n linkerarm en met het plectrum rechts is hij alleen in houding al een kunstenaar. Daarna bepeelt ie de snaren zo bekwaam dat Tmolus voor de zoete klank bezwijkt en uitspraak doet: Apollo's lier wint van de panfluit.
Elk ander is het met dit oordeel van de berggod eens, behalve één: de stem van Midas protesteert en noemt het onredelijk. De god van Delos, die het niet verdraagt dat zulke stomme oren nog op mensenoren lijken, rekt ze naar boven uit, bedekt ze met een grijze vacht en maakt de onderkant wat slap, zodat ze kunnen flappen. Verder blijft Midas mens, alleen dat lichaamsdeel krijgt straf. En zo heeft hij sindsdien de oren van een trage ezel.
Hij wil dit graag verbergen, en uit de schaamte voor zijn hoofd tracht hij de schande in een dure tulband te verhullen. Alleen de dienaar die z'n lange lokken knippen mag heeft het gezien. Omdat die man z'n kwalijke ontdekking niet durft te uiten, maar er toch wel over praten wil en z'n geheim niet kan bewaren, graaft ie ergens buiten een kuil, vertelt met zachte stem over de oren van z'n koning, fluistert in de grond hoe deze er wel uitzien, dekt dan z'n woorden en geheim met scheppen aarde toe, en als de kuil gedicht is gaat ie stilletjes paleiswaarts. Maar op die plek ontspruit een dicht gewas van wuivend riet, en als dat in het hoogseizoen is opgegroeid verraadt het de plattelandscoiffeur, want zachtjes ruisend in de wind legt het zijn woorden bloot en zingt hardop van 's konings oren.
Na deze wraak verlaat Apollo Tmolus' berg en vliegt door heldere lucht tot bij de smalle zee van Helle, dochter van Nephele, en landt bij het Troje van Laomedon. Tussen twee voorgebergten in, Sigaeum en Rhotaeum, ligt daar vanouds een heiligdom de Dondergod gewijd. Van daaraf ziet ie hoe Laomedon de muren van het nieuwe Troje bouwt en hoe dat machtig bouwwerk moeizaam en langzaam vordert en enorme krachtsinspanning vergt. Dan, samen met de god der woeste zee, de drietanddrager, doet hij zich voor als sterveling en bouwt voor Trojes koning de vestingmuren op in ruil voor een bedrag aan goud. Het werk is af, koning Laomedon ontkent de afspraak en bezigt valse meineedtaal, het toppunt van bedrog.
Neptunus: Jij krijgt je straf nog.
verteller: ...roept de zeegod. Hele watermassa's heeft ie op Trojes geldbeluste kusten afgejaagd, de akkers tot één zeevlak opgevuld, de oogst der boeren tenietgedaan, elk stukje land met golven overspoeld. En dat was nog niet alle wraak, de koning moest nu ook nog Hesione, zijn dochter, afstaan aan een watermonster. Hercules redt haar uit ketens aan een rots, maar als hij de hem beloofde paarden opeist - geen te lage prijs - krijgt ie ze niet, waarop hij zelf dat tweemaal 't valse Troje verovert. Telamon wordt voor zijn aandeel in die strijd geëerd en krijgt Hesione tot vrouw. Diens broer was Peleus, vermaarde echtgenoot van Thetis, Nereus' trotse schoonzoon, kleinzoon van Jupiter. En als dat laatste voor een mens al zeldzaam is, zijn huwelijk met een godheid was uniek.
De oude Proteus had de zeegodin voorspeld:
Proteus: Jij, Thetis, zult moeder worden van een zoon die in zijn sterke jaren de daden van zijn vader en diens faam zal overtreffen.
verteller: Vandaar dat Jupiter, uit angst dat iemand machtiger dan Jupiter zou worden en al voelde hij voor Thetis' vurige hartstocht, toch van omgang met die zeegodin afzag en aan zijn kleinzoon Peleus vroeg zijn hartsverlangen over te nemen en te huwen met die waterbruid.
Er ligt bij Thracië een baai, rondbuigend als een sikkel. Landtongen lopen ver de zee in. Als die dieper was zou daar een haven zijn, maar ondiep water dekt de bodem. Het strand is harde grond en houdt geen voetafdrukken vast, loopt ook niet zwaar en is niet glibberig begroeid met zeewier. Er ligt dichtbij een bos vol myrthebessen, groen en zwart, met middenin een grot. Of die natuurlijk of kunstmatig ontstaan was is de vraag, maar kunstig is ze zeker. Thetis ging graag daarheen, naakt rijdend op geteugelde dolfijnen. Daar was het ook dat Peleus haar, toen zij te slapen lag, verraste en aangezien zij ieder smekend voorstel afwees, verkrachten wou en haar omhelzend in zijn armen sloot. Had zij haar toverkunst met steeds weer andere gedaanten niet toegepast, dan was hij in z'n snode plan gelaagd. Nu werd zij eerst een vogel, 't was een vogel die hij beet had, daarna een dikke boomstam, Peleus hield een boom omklemd, haar derde vorm was een gevlekte tijgerin waarmee zij Jupiters kleinzoon zo deed schrikken dat hij haar liet gaan. Dan bidt hij tot de goden van de zee, stort schalen wijn over de golven uit en offert vlees en wierookgeuren. Tot Proteus, de Carpathische voorspeller, uit de golven opduikt:
Proteus: Jij, zoon van Aeacus...
verteller: ...zegt hij...
Proteus: ...jij krijgt de vrouw die je begeert. Wanneer zij in die stenen grot in slaap ligt, sluit je haar ongemerkt met strak geknoopte koorden in en al neemt ze honderd vale vormen aan, laat je niet foppen, maar klem maar hoe dan ook goed vast, tot ze zichzelf weer is.
verteller: Na deze raad duikt Proteus met z'n hoofd weer onder water. Z'n laatste woorden worden door de golfslag toegedekt. De zon komt reeds omlaag en laat de zonnewagen dalen naar westelijke oceaan als Nereus' mooie dochter zich als zo vaak in haar geliefde grot te slapen legt. Nauwelijks heeft Peleus goed en wel het meisje in z'n macht of zij verandert van gedaante, voelt dan snel hoe krachtig zij vastgesnoerd is, met haar armen wijd uiteengespreid, en geeft zich over met een zucht.
Thetis: Jij wint, met hulp van goden! Ik, Thetis, ben verraden!
verteller: Na dit woord omhelst hij haar, de held, bevredigt zich en maakt haar zwanger van Achilles.
(XI, 266-345 Ceyx vertelt het verhaal van Daedalion)
Gezegend met die zoon en met zijn vrouw zou Peleus nu een man zijn die in alles is geslaagd als je het misdrijf van Phocus' dood niet meetelt. Schuldig aan die broedermoord was hij verbannen uit z'n eigen land en zo in Trachis terechtgekomen. Hier regeerde vredig en humaan een zoon van Lucifer, een man die zelf z'n vaders lichtglans uitstraalde, koning Ceyx, maar hij was op dat moment in rouw en niet zichzelf omdat z'n broer 'm was ontnomen. Toen Peleus daar doodmoe na lange reis, door schuld gekweld, aankwam en met z'n klein gezelschap door de poort gegaan was, z'n runderkudden en nog ander vee dat bij 'm was had hij in een beschaduwd dal buiten de stad gelaten, en toen hem audiëntie bij de koning was verleend stak hij zijn smekelingentak naar voren en vertelde wie hij en wie zijn vader was. Maar hij verzweeg die moord, en dus de ware reden van z'n vlucht. Hij vroeg gastvrijheid binnen de stad of op het land. Met vriendelijke blik sprak Ceyx terug:
Ceyx: Ons goede land heet minder hoge mensen ook welkom, Peleus, ik regeer geen ongastvrij gebied. En afgezien daarvan, uw wijd bekende naam, uw afkomst van Jupiter, zijn sterke punten. Smeek niet langer meer, u krijgt hier alles wat u vraagt. Beschouw hier als het uwe wat u maar ziet. Alleen, u ziet het nu niet op zijn best.
verteller: Hij brak in tranen uit. Toen Peleus en zijn mannen vroegen wat hem zo'n groot verdriet bezorgde, deed hij dit verhaal:
Ceyx: Die vogel ginds, die leeft van roof en voor de meeste vogels een schrik is, was niet altijd zo gevleugeld, denk dat niet. Want eens was hij een mens, maar wel al vogelachtig, daar hij ook toen vechtlustig was en fel, gauw met zijn vuisten klaar, Daedalion genaamd. Hoewel wij broers zijn en de zoons van hem die elke dag Aurora wekt en zelf als laatste de sterrenlucht verlaat, ben ik een man die houdt van vrede en rust en harmonie, maar hij was altijd uit op oorlog. Zijn vechtershart dat nu in vogelvorm bij Thisbe's duiven paniek zaait heeft ooit menig koningshuis en volk geknecht. Hij had een dochter, Chione, die, rijk bedeeld met schoonheid, wel duizend vrijers had en veertien jaar was, huwbaar dus.
Toevallig kwamen op een dag Apollo vanuit Delphi en Hermes van Cyllene's top op terugreis lang haar huis, zagen haar allebei en raakten allebei verliefd. Apollo stelt zijn hartsverlangens uit tot middernacht, maar Hermes wacht niet. Met zijn staf strijkt hij haar meisjesogen in slaap. Ze ligt in hemelse betovering en staat de god zijn lusten toe. Maar 's nachts, bij volle sterrenhemel, verkleedt Apollo zich als oude dienares en haalt zijn lusten in. En dan, na een zwangerschap van negen maanden baart zij twee zoons, één voor de god die vleugelschoenen draagt, een slim product, Autolycus, gewieksts in elk soort diefstal, die nooit iets anders doet dan wit naar zwart en zwart naar wit verdraaien en de ware zoon is van zijn vaders kunsten, en baart zijn tweelingbroer, die door Apollo was verwekt, Philammon, hoog geprezen om zijn citherspel en zangkunst. Maar is verliefdheid van twee goden en het baren van twee zoons en zelf het kind zijn van een machtig man, wiens vader Lucifer is, een voordeel? Werkt die roem niet ook verkeerd? Voor velen wel, en zeker ook voor haar. Zij immers waagde Diana te kleineren en te smalen op de schoonheid van die godin, die woedend werd:
Diana: Kan ik hier soms plezieren met daden!?
Ceyx: Riep ze uit. Ze heeft terstond haar boog gericht en schoot een rieten pijl recht in die tong die dit verdiend had, en toen ook zweeg. Geen klank, geen woord, ondanks haar pogingen kon Chione nog uiten. Met haar bloed week ook haar leven. Hoe droevig heb ik toen mijn broer omard en in mijn hart zijn vaderlijk verdriet gevoeld. Ik sprak hem in zijn treurnis troostwoorden toe, maar troost bij hem was slechts als zeegeruis tegen een dam. Hij klaagde voort om zijn verloren dochter. Toen ie haar zag verbranden wilde hij tot viermaal toe zichzelf recht in die vlammen storten. Viermaal teruggehouden sloeg hij verwilderd op de vlucht, woest als een jonge stier die met zijn kop omlaag wordt opgejaagd door horzelsteken rende hij voort waar zelfs geen pad was. Toen al leek hij mij te lopen zoals niemand kan, zijn voeten kregen vleugels, zo zou je denken. Hij ontliep ons allen, voortgestuwd door doodsverlangen klom hij naar Parnassus' top, maar toen hij daar van de hoge rots sprong kreeg Apollo meelij met Daedalion, en liet 'm plotseling op vleugels zweven en vogel zijn, met snavelbek en kromgeklauwde nagels, met meer dan grote lichaamskracht en met zijn oude vechtlust. Als havik jaagt hij nu nog steeds op al wat vliegt. Steeds wreed voor anderen brengt hij verdriet, omdat hijzelf verdriet had.
(XI, 346-409 Peleus en de wolf)
verteller: Terwijl de zoon van Lucifer dit wonderlijk verhaal over zijn broer vertelt komt buiten adem van het lopen de kuddebaas Onetor aangerend, een Phociër, die stamelt:
Onetor: Peleus! Peleus! Grote rampen moet ik melden.
verteller: Peleus gebiedt de man te spreken, wat het ook mag zijn, terwijl ook Ceyx angstig en met bange blikken luistert naar zijn relaas.
Onetor: Ik had de kudde in een lome gang naar het bochtig strand geleid, de zon stond halfweg in het zenit en zag eenzelfde hemelafstand voor en achter zich. Veel dieren lagen op het blonde zandstrand neergeknield en staarden uit over de uitgestrekte watervelden, een deel liep her en der te drentelen, met trage stappen. sommige zwommen met hun kop hoog boven water uit. D'r ligt daar bij het strand een tempel, niet door goud of marmer vermaard, met zware zuilen en omringd door oeroud bos, waar Nereus met zijn Nereïden thuis is. Want een visser die op die kust zijn netten uithing zei mij dat die god hun zeegod is. Dichtbij is veel moerasgrond, vol met wilgen, moerassig door steeds achterblijvend water van de zee.
Daar breekt opeens lawaai los waar de hele buurt van opschrikt. Een wolf, een reuzenbeest. Besmeurd met modderachtig slib valt ie ons aan, z'n bliksemende muil bekleed met speeksel en slierten bloed, z'n blik doortrokken van een rossig vuur, en ook al is ie dubbel woest door razernij en honger, z'n razernij is nog het ergste, want hij wil niet slechts met rundermoord z'n lege maag en boze honger stillen, maar ook het kleinvee valt ie aan. Elk dier wordt wreed geslacht. Ook van uw mensen is een deel, toen wij 'm wilden grijpen, gewond en doodgebeten. Alles ziet nu rood van bloed, het strand, het water, het moeras is één gekerm van dieren. Maar praten is niet goed, de toestand laat geen talmen toe. Zolang nog iets te redden valt moeten wij d'r naartoe gaan, gewapend. Grijp uw wapens, help ons bij de wolvenjacht.
verteller: Zo riep de herder. Niet de slachting zelf deed Peleus schrikken, maar denkend aan zijn moord op Phocus zag hij deze ramp als dodenwraak, gestuurd door de beroofde moeder, dochtervan Nereus. Koning Ceyx roept zijn mannen reeds te wapen, laat scherpe pijlen brengen en staat zelf gereed te gaan als, ongerust door zoveel stemrumoer, Alcyone, zijn vrouw, het huis uitrent, niet eens gereed nog met haar kapsel, dat ze nu zelfs weer losrukt. Met haar armen om zijn nek smeekt ze haar man niet aan de redding mee te doen. Ja, huilend smeekt ze hem, om hun beider leven, want dat geldt als één. Peleus stelt haar gerust:
Peleus: Uw vrees, vorstin, is mooi en edel, maar wees niet bang. Ik ben u stellig dankbaar voor uw hulp, maar niet van plan dat mysterieuze ondier te bestrijden. Wat ik moet doen is plengen aan een zeegodin.
verteller: Er stond hoog bij de stad een vuurgestookte toren, welkom teken voor zwaarbeproefde schepen. Die bestijgen zij. Met schrik zien zij een runderslachting op het strand, zien zij de slachter, bloed rond z'n bek en in de lange haren van z'n vacht. Dan, met z'n handen naar de open zee gestrekt bid Peleus tot Psamate, de zeegodin, dat zij haar wrok nu staakt en hulp biedt. Maar zij laat zich niet vermurwen door het smeken van Peleus' stem, en pas als Thetis met haar echtgenoot meesmeekt toont zij vergiffenis, gebied de wolf zijn moordlust te staken.
Maar wanneer de zoete bloedsmaak in hem voortraast wordt ie, nog knauwend aan een stukgereten runderschouder, in steen veranderd. Alles van zijn lichaam blijft gelijk. Alleen zijn kleur, de kleur van marmersteen, is een bewijs dat ie nu geen wolf meer is en dat men niets te vrezen heeft. Toch is het Peleus niet gegeven in dat land als balling te blijven wonen. Zwervend komt hij naar Magnesia waar de Thessaliër Acastus hem van bloedschuld reinigt.




