Home / Index M. / De Metamorfosen / Episode 10 - De Metamorfosen

Episode 10 - De Metamorfosen

In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische gedaantewisseling (metamorfose) ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.

Opvallend is dat Ovidius de goden niet als verheven afschildert, maar als gewone mensen met ieder hun eigen zwakten en amoureuze verlangens. Ovidius schreef de Metamorfosen echter wel volledig in de dactylische hexameter, de traditionele versvorm voor een epos.

Beluister episode 10 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van episode 10.

Krijn ter Braak De verteller
Catherine ten Bruggencate Minerva
Chiara Thissen Muze
Kitty Courbois Calliope
Pleuni Touw Venus
Roos Ouwehand Cyane
Gusta Teengs Gerritsen Arethusa
Marlies Heuer Ceres
Rik Van Uffelen Jupiter
Adriaan Olree Alpheüs
Hein van der Heijden Triptolemus
Auteur: Ovidius
Vertaling: M. d'Hane-Scheltema
Bewerking en regie: Peter te Nuyl
Inspiciënt: Leo Knikman
Omroep: NPS
Uitgezonden door de: VPRO
Deze episode is uitgezonden op: 10-11-1997

Het script van episode 10.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Vorige week begon de beschrijving van een zangwedstrijd tussen de Muzen en de Piëriden en een Muze vertelde de godin Minerva hoe beschamend dat optreden van die Piëriden eigenlijk was, die daarop voor straf in negen eksters veranderden. Vanavond luisteren we samen met Minerva naar het optreden van de Muzen zelf in deze zangwedstrijd.

(V, 332-384 Calliope zingt: Cupido doet Hades verliefd worden)

Muze: Toen moesten wij, de Muzen... Maar mischien hebt u geen tijd om onze zangvoordracht nu ook nog te beluisteren?

Minerva: Natuurlijk wel! Zing me uw hele lied.

verteller: ...zo roept Minerva en gaat er echt voor zitten, in de koelte van een boom. De Muze gaat dus door.

Muze: Wij gunden één van ons de hoofdrol, Calliope. Daar stond ze, het lange haar met klimoprank bijeengehouden. Met haar duim ontlokte zij de snaren een droef akkoord en zong bij citerklank het volgend lied.

Calliope: De eerste die met kromme ploegschaar kluiten aarde opwierp, de eerste die aan akkers graan schonk, zegenrijk gewas, en 't eerst ook wetten gaf, was Ceres. Alles komt van Ceres. Van haar wil ik gaan zingen en ik hoop maar dat mijn loflied een waardig eerbewijs is voor zo'n waardige godin. Sicilië ligt met zijn volle omvang bovenop Typhoeus' lijf. Het zware eiland drukt hem neer, omdat hij zijn hoop had durven stellen op een plaats in het hemelrijk. Hij spartelt vaak nog tegen, wil zich dan naar boven vechten, maar op zijn handen rusten bergen, de Pelorus rechts, links de Pachynusrotsen, op zijn voeten Lilybaeum, en Etna op zijn hoofd. Daaronder liggend hoest hij zand en vlammen uit zijn keelgat op, die woesteling Typhoeus. Steeds weer probeert hij het massieve eiland weg te duwen, steden en hoge bergen van zich af te wentelen. Dan schudt de aarde. Zelfs de dodenheerser is dan bang dat er een scheur komt in de grond en dat een brede aardspleet het daglicht doorlaat tot paniek en angst in het schimmenrijk.

Vrezend voor dat gevaar had Hades' vorst zijn duister woonoord verlaten om uit voorzorg langs de vaste punten van Sicilië te rijden met zijn zwarte paardenspan. Pas als hij zich ervan verzekerd heeft dat alles goed is, voelt hij zich rustig. Maar dan wordt hij opgemerkt door Venus vanaf haar Eryxberg. Zij trekt haar kind, de vleugelgod, op schoot en vleit hem.

Venus: Jij, mijn rechterhand, mijn sterkste wapen, Cupido, pak je boog waarmee jij ieder hart beheerst, richt snel je pijlen op die dodengod.

Hij is het die de macht kreeg in het derde en laatste deel van 't godenrijk. Als jij de hemelgoden, ja zelfs Jupiter kunt treffen, en ook de goden in de zee, Poseidon ook, waarom dan de dodenheerser niet? Het zou mijn macht en die van jou vergroten. Hij regeert één derde deel van het heelal. Ook in de hemel trouwens schat men ons en ons lieftallig beleid niet hoog, en met mijn macht vermindert ook de jouwe. Merk je niet hoe Minerva en de jageres Diana mij al verstoten hebben? En als wij er niets aan doen, blijft Ceres' dochter ook een maagd. Zij heeft geen huwelijksplannen. Dus als jij echt iets doen wilt voor ons beider heerschappij, laat haar dan trouwen met haar oom!

Calliope: Zo klonken Venus' woorden. Hij trok, naar moeders wens, zijn pijlenkoker open en koos één der duizend pijlen uit, de scherpste, die het meest betrouwbaar was en ook het meest gehoorzaam aan de boog. Toen, met zijn knie als steunpunt, kromde hij het soepel booghout en schoot een pijl met scherpe haak rechtstreeks' in Hades' hart.

Calliope zingt: Hades en de roof van Proserpina

(V, 385-424 Calliope zingt: Hades en de roof van Proserpina)

Niet ver van Enna's muren is een meer van grote diepte, het Pergusmeer. Er klinken volop zwanenliederen, niet minder dan er op Caysters waterstromen klinken. Een bos omkranst het watervlak volledig en het houdt de zonnestralen met z'n blaren als een tentdoek tegen. Takken verschaffen koelte, malse grond voedt tal van bloemen. Eeuwige lente heerst er op die plek.

Als Proserpina zich daar vermaakt en blanke lelies of viooltjes plukt en die met meisjesijver in haar rokken en in mandjes verzamelt - met vriendinnen doet zij wie het meest vergaart - wordt ze haast in één tel ontdekt, begeerd, geschaakt door Hades. Zo snel kan liefde gaan. Het goddelijk meisje, doodsbenauwd, roept huilend naar haar moeder, naar vriendinnen, naar haar moeder het meest. Zich aan haar kleren rukkend bij de bovenrand verliest zij de geplukte bloemen uit de losse plooien, en wat een eenvoud blijkt er dan te schuilen in de jeugd, want dit verlies bezorgt het meisje des te meer verdriet.

Haar rover jaagt het tempo op, hij vuurt zijn paarden aan door elk bij naam te noemen, doet ze langs hun nek en manen de teugels voelen die door donker roest zijn aangetast. Zo gaan ze langs het diepe water bij Palices stad, dat zwaveldampend, kokend uit gespleten aarde opwelt. Langs Syracuse ook dat met twee ongelijke havens gesticht was door Corinthe, zelf een zee-omspoelde stad.

Er ligt daar halverwege tussen Arethusa's bron en die van Cyane een smalle nauw omsloten baai. Hier woonde Cyane, naar wie dat water dus genoemd werd, de meest bekende van de nimfen op Sicilië. Zij was het die daar uit het water oprees tot het middel en de godin herkende.

Cyane: Halt, niet verder!

Calliope: ...riep zij uit.

Cyane: U kunt niet zomaar Ceres' schoonzoon worden. Had een aanzoek in plaats van roof gepleegd. Als ik zo vrij mag zijn om klein met groot te vergelijken: toen Anapis mij beminde, werd ik gevraagd, ik trouwde niet uit doodsangst zoals zij.

Calliope: Zo sprekend bleef zij met haar armen wijd gespreid vlak voor 'm staan. Saturnus' zoon hield nu z'n woede niet meer in, zweepte zijn woeste paarden op, gooide met al zijn armkracht zijn heersersscepter naar de diepste diepte van haar bron en waar die op de bodem neerkwam, vormde zich een doorgang naar Tartarus, een krater waar de wagen in verdween.

Calliope zingt: Ceres zoekt naar Prosperina

(V, 425-486 Calliope zingt: Ceres zoekt naar Prosperina)

Bedroefd om Proserpina's roof en om het feit dat Hades haar bron misbruikt had, koestert Cyane diep in haar hart een niet te troosten smart. Ze wordt geheel verteerd door tranen, lost langzaam op in het water waar ze tot voor kort als nimf de meesteres van was. Je had het kunnen zien gebeuren: haar lichaam smolt, haar botten bogen door, haar nagels werden heel week en eerst werd al wat dun was aan haar lichaam vloeibaar. Haar vingers, benen, voeten en het donkerblauwe haar, allemaal nog vrij licht, versmolten binnen korte tijd met het koele water. Daarna losten schouders, rug en borst en onderlijf onzichtbaar op in zachtvloeiende stromen, totdat het water in de aangetaste aderen het levend bloed verving en er niets bleef wat tastbaar was. Intussen zocht de ongeruste moeder tevergeefs in alle oorden en bij ieder water naar haar dochter, en geen die haar ooit rusten zag, Aurora niet, die met het haar vol dauw de dag brengt, noch de Avondster. Zij, Ceres, had twee hellichte fakkels bij zich die ze aanstak aan de Etna, en al dolend ronddroeg door het vochtig duister om daarna, als de milde dag de sterren had verbleekt, haar kind van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat te blijven zoeken.

Doodmoe van het zwerven, dorstig, zonder ergens bij een bron die dorst gelest te hebben, ziet ze onverwachts een strodak, een hutje met een lage deur. Ze klopt. Een oude vrouw verschijnt, ziet de godin en als die haar om water vraagt, reikt ze een zoete drank aan, met gebrande gerst bestrooid. Als Ceres daarvan drinkt, staat er ineens een wat brutale kwajongen naast haar die haar uitlacht en een zuiplap noemt. Beledigd, met de halfgevulde beker in haar handen, plenst de godin het gerstemengsel bij de praatjesmaker pal in het gezicht. Hij raakt doordrenkt, vol vlekken, en waar eerst zijn armen zaten, krijgt hij poten en er groeit een staart aan zijn veranderd lichaam. Hij wordt klein, zodat hij niet veel kwaad kan doen, nog kleiner dan een kleine hagedis. Het oudje barst ontzet in tranen uit, wil dat mirakel nog pakken, maar hij schiet een donker hoekje in. Zijn naam, sterhagedis, past bij zijn huid vanwege al die spetters.

Iedere landstreek waar ze rondzwierf, alle waterstromen te noemen duurt te lang. Vergeefs doorzocht zij heel de wereld. Terug op Sicilië ging ze ook daar nog speurend rond en kwam zo ook bij Cyane. Was die maar niet veranderd, dan had zij alles wel verteld. Nu had zij mond noch tong, wilde wel spreken gaan, maar kon geen woord naar buiten brengen. Toch gaf ze een duidelijk teken, want Persephone's ceintuur, de moeder welbekend en daar in haar gewijde bron tijdens de roof verloren, liet zij op het water drijven. Als Ceres die herkent, lijkt zij de schaking van haar dochter pas echt te voelen, rukt aan haar verwilderd haar en stompt zichzelf voortdurend op de borst. Nog aldoor weet zij niet waar het meisje is en toch verwijt ze alle aardse landen dat ze ondankbaar zijn, de gaven van het graan onwaardig, vooral Sicilië, waar zij de sporen van het kwaad ontdekt heeft. Daarom doet zij elke ploeg die daar de kluiten omwentelt onbarmhartig breken. Woedend stuurt ze aan boeren en ploegend vee een zelfde pest toe. Akkers mogen het zaad niet meer belonen, zij bestraft het met bederf. Dit door zijn vruchtbaarheid zo wijd en zijd vermaard gebied ligt er bedrogen bij. Het graan vergaat reeds in de kiem of heeft van te veel zon te lijden, soms van te veel regen. Noodweer en stormen brengen schade, gulzig vogelvolk pikt pas gezaaide korrels weg, dolik en distels matten korenvelden af, onkruid is niet meer uit te roeien.

(V, 487-532 Calliope zingt: Ceres vraagt Jupiter om hulp)

Maar toen dook Arethusa, nimf uit Elis en bemind door Alpheus, uit haar bron, streek zich de natte haren van het voorhoofd en riep Ceres aan.

Arethusa: U, moeder van het koren, moeder die overal uw kind zoekt, staak die lange tocht. Temper uw razernij tegen dit land waar u geëerd bent en dat geen schuld treft. Ongewild gaf het de rover doortocht. Het is niet eens m'n eigen land waarvoor ik pleit. Ik kwam als vreemde hier, mijn stad is Pisa, mijn familie stamt uit Elis. Maar al woon ik hier dan niet als Siciliaanse, geen grond is mij zo lief. Ik, Arethusa, heb mijn bron, mijn huis, nu hier, en u moet die beschermen. Wees genadig. Waarom ik ooit mijn stad verliet en naar Ortychia ver overzee gevlucht ben, zal ik later wel vertellen, op een geschikter tijdstip, als uw zorgen zijn verlicht en uw gezicht is opgeklaard. Ik kwam hier door de aarde. Zij bood mij doorgang. Via diepe ruimten voortgestuwd stak ik mijn hoofd hier op en zag na lange tijd weer sterren. Welnu, terwijl ik onder aarde stroomde bij de Styx, zag ik uw dochter Proserpina daar met eigen ogen. Ze zat er droevig, zeker, met nog steeds verschrikte blik, maar toch, als koningin, gebiedster in het rijk der schimmen, machtige meesteres, gezeten naast de god des doods.

Calliope: De moeder zat na het horen van die woorden als versteend en leek voor lange tijd verslagen. Toen de diepe schok had plaatsgemaakt voor even diep verdriet, steeg ze per wagen naar het hemelrijk, alwaar zij met bewolkt gelaat en wijd loshangend haar voor Jupiter ging staan, vervuld van haat en tot hem zei:

Ceres: Ik kom hier smeken voor mijn eigen kind, het jouwe ook. Als ik als moeder geen gehoor vind bij je, laat dan je vaderhart maar spreken. Denk ook asjeblieft niet min van haar omdat ik haar het leven heb geschonken. Let wel, pas na lang zoeken vond ik eindelijk mijn kind, als je van vinden spreekt bij het ontdekken van verlies, als weten waar zij is ook vinden is. Ik wil de roof nog wel vergeven, als hij haar maar terugbrengt. Nee, jouw dochter, als ze al niet de mijne is, hoeft toch geen dief te trouwen?

Calliope: Jupiter zei:

Jupiter: Mijn dochter is mij even lief en kostbaar als jou, maar sta mij toe de dingen aan te duiden met hun ware aard. Wat hier gebeurd is, is bepaald geen onrecht, maar louter liefde. En die schoonzoon zal ons zeker niet beschamen. Ceres, wees hem maar ter wille. Op zichzelf al Jupiters broer te zijn is toch niet niks? Maar komt daar niet nog heel wat bij? Alleen door 't lot doet Hades voor mij onder. Maar goed, als jij zo graag een scheiding wenst, mag Proserpina weer naar de hemel gaan. Alleen, zij mag daarginds geen voedsel hebben geproefd. Dat is een vaste wet der Schikgodinnen.

(V, 533-571 Calliope zingt: Het lot van Proserpina)

Calliope: Aldus zijn woorden.

Ceres, vast van plan haar kind te redden, krijgt van het lot geen kans. Het meisje had het vasten reeds verbroken, want terwijl zij van niets wetend door de tuin liep, had ze een granaatvrucht van een laaggebogen tak geplukt en daarna zeven pitten uit de roze schil gepeuterd en in haar mond gestopt. Geen mens had dat gezien, alleen Ascalaphus, ooit door de stroomgod Acheron verwekt bij Orphne, één van de meest vermaarde waternimfen van 't Avernusmeer en in diens donker bos gebaard, zo zegt men. Hij ziet haar dus, verraadt haar en ontneemt haar wreed de kans op terugkeer.

Spijtig zuchtend vormt de Hadeskoningin de klikspaan om tot onheilsvogel, druppelt op zijn hoofd Phlegetonwater, waardoor snavel, kuif en grote ogen ontstaan. Zichzelf verliezend krijgt hij bruine vleugels aan, zijn kop wordt breed, hij klauwt zich vast met lange kromme nagels en tilt zijn trage vlerken vol met veren moeizaam op. Hij is een lelijk vogeldier, bode van naderend onheil, de boze nachtuil, tranenbrengend teken voor de mens.

Men krijgt de indruk dat die straf voor zijn verklikkerijen verdiend was, maar hoe kwamen Acheloüs' dochters, die hun vrouwenhof behielden, aan hun verenkleed en klauwen? Misschien omdat zij Proserpina vergezelden bij het plukken van de lentebloemen? Zij, die zoetgevooisde sirenen, die haar overal vergeefs hadden gezocht, spraken al snel de wens uit om gevleugeld boven water te kunnen zweven, zodat ook de zee zou weten van hun speurtocht. En de hemel was genadig, want zij zagen hun lichaam plotseling met blonde veren overdekt. Maar om hun zangtalent, die orenstrelende muziek van zo'n begenadigd klankvermogen niet te hoeven missen, behielden zij hun meisjeshoofd en menselijke spraak.

Men krijgt de indruk dat die straf voor zijn verklikkerijen verdiend was, maar hoe kwamen Acheloüs' dochters, die hun vrouwenhof behielden, aan hun verenkleed Jupiter, als bemiddelaar tussen zijn broer en zuster, de droeve Ceres, deelt de zonnejaarkring in twee helften. Sindsdien heeft Proserpina als godin een dubbel rijk en woont zes maanden bij haar moeder, daarna zes bij Hades, waarbij ze ook van stemming wisselt en van uiterlijk. Haar goddelijke blik, die zelfs voor Hades kort daarvoor zo treurig leek, wordt stralend als wanneer de Zon van achter een dicht gordijn van regenwolken zegevierend opduikt.

Calliope zingt: het verhaal van Arethusa

(V, 572-641 Calliope zingt: het verhaal van Arethusa)

De moeder, Ceres, na haar dochters terugkeer gekalmeerd, vroeg Arethusa naar de reden van haar vlucht, waarom ze een bron geworden was. De stroom verstilde en de nimf rees uit het water op, wrong zich de groene haren droog en vertelde van Alphaeus' liefde, een oud bekend verhaal uit Elis.

Arethusa: Van de nimfen in Achaea...

Calliope: ...zo begon zij...

Arethusa: ...was ik er één. Geen ander zwierf er met zoveel plezier de bossen door, geen ander spande even graag het jachtnet. Hoewel ik nooit om wijdvermaarde schoonheid had gevraagd - ik was veeleer sportief - noemden ze me een heel mooi meisje. Juist dat te vaak geprezen uiterlijk beviel mij niet. Het voorrecht van zo'n lichaam dat een ander blij maakt deed mij onhandig blozen en charmant doen vond ik ongepast. Ik weet nog hoe ik eens door zo'n Arcadisch bos naar huis ging, doodmoe. De zware hitte viel door het jagen dubbel zwaar. Ik kwam bij een rivier die zo geluidloos, roerloos voortgleed dat ik tot op de bodem keek en elke kiezelsteen vanaf de oever tellen kon. Ze leek haast niet te stromen. Zilveren wilgen en veel populieren, drinkend van het vocht, zorgden spontaan voor schaduw op de oeverglooiing. Ik dus erheen. Ik steek er eerst alleen mijn voeten in, ga daarna tot m'n knieën, wil nog meer, knoop m'n ceintuur los en hang m'n soepele kleren aan een lage wilgentak. Dan ga ik naakt het water in, daar spartel ik, daar plens ik mezelf in alle standen nat, sla wijd m'n armen uit, tot ik opeens een stem hoor, ergens midden uit het water. Geschrokken klauter ik de dichtstbijzijnde oever op.

Alphaeus: Wat ren je, Arethusa?

Arethusa: Het is Alphaeus, de riviergod.

Alphaeus: Waar ren je heen?

Arethusa: ...roept hij opnieuw naar mij met donkere stem. Ik vlucht zoals ik ben, geen kleren aan. Mijn kleren liggen nog op de andere oever. Des te feller volgt hij mij. Omdat ik naakt ben, denkt hij dat ik geen bezwaar zal maken. Zoals soms duiven angstig wiekend voor een havik vluchten, zoals een havik bange duivenvluchten voor zich uit jaagt, zo zat hij mij vervaarlijk achterna. Zo vloog ik voort, tot bij Orchormnos, Psophys, Cyllene, door de dalen van Menalus, lang Erymanthus' kille stroom. Door Elis bleef ik aan één stuk rennen en hij was bepaald niet sneller, maar ik schoot wel te kort in kracht, ik kon niet meer. Ik hield de tocht niet vol en hij was juist gewend aan lange afstand.

Toch ging ik door, langs vlakten, bergen, dichtbegroeid met bos, van steen naar steen, van rots op rots, zelfs waar geen pad te zien was. De zon scheen in m'n rug, ik zag z'n lange schaduw steeds vlak voor mijn voeten dansen, of misschien was dat een schrikbeeld. In elk geval, zijn lopen klonk angstwekkend, uit zijn mond hijgde en blies zijn adem in mijn lintgetooide lokken. Doodmoe van het vluchten riep ik: "Help mij toch, ik word verkracht! Diana, red mij, mij, uw wapendienares die dikwijls uw boog en goedgevulde pijlenkoker dragen mocht!" Diana toonde medelijden. Uit een massa wolken wierp zij de dichtste om mij heen. Ik werd in mist gehuld. Alphaeus liep daar rond, blind tastend in een waas van nevels, kwam tweemaal langs de plek waar de godin mij had verstopt, niets merkend, en riep tweemaal:

Alphaeus: Arethusa! Arhethusa!

Arethusa: Ach, arme ik, wat ging er in me om? Ik was als een lam dat wolven hoort tekeer gaan rond de hoogommuurde schaapskooi, of als een haas die weggedoken in het struikgewas dreigende hondentanden ziet en zich niet durft te roeren. Toch gaf ie nog niet op. Hij zag alleen nog maar dat spoor dat doodliep. Daarom bleef ie wachten bij die plek met nevel. Ik zat gevangen. Het koude angstzweet brak mijn lichaam uit en watergroene druppels stortten neer langs al mijn leden. Als ik één voet verzette, werd de grond doorweekt. Een stroom van vocht viel uit mijn haar en sneller dan ik nu kan spreken werd ik tot water. De riviergod die dat rap herkende als zijn beminde bracht zijn aangenomen mensvermomming weer tot riviervorm terug om zich met mij te kunnen mengen. Diana deed de bodem splijten en door donkere diepte stroomde ik weg en zag pas bij Sicilië weer licht, dit eiland dat mij lief is door de bijnaam van Diana.

(V, 642-678 Calliope zingt: Triptolemus. Het lot van de Piëriden)

Calliope: Tot zover Arethusa.

Ceres, de godin van 't graan, spande twee draken voor haar wagen, onderwierp hun kaken aan het bit en reed de lucht door, tussen aarde en hemel in, het lichte voertuig sturend naar Athenes stad. Daar gaf zij Triptolemus zijn taak: hij moest het zaad dat zij hem bracht in nooit bebouwde grond gaan zaaien of in duurzaam braakland. Zo had de jongen hoog over Europa heen de kust van Azië bereikt en vloog nu naar het land der Skythen. Daar heerste koning Lyncus. Toen de jongen diens paleis betrad en werd gevraagd naar reis en reisdoel, naam en oorsprong, zei hij:

Triptolemus: Het machtige Athene is mijn vaderstad, Triptolemus mijn naam. Ik kom niet over zee gevaren, niet over land te voet, de lucht verleende mij ruim baan. Ik breng u Ceres' gaven, strooi ze op uw wijde akkers. Ze leveren u rijke oogt en milde granen op.

Calliope: De Skyth, jaloers - hij wilde liever zelf van zo'n geschenk de gever zijn - nodigt hem thuis en als zijn gast in slaap ligt, trekt hij zijn zwaard, wil dat diep stoten in diens borst, als Ceres hem in een lynx verandert. Zij gebiedt Triptolemus de luchtreis in zijn goddelijke wagen voort te zetten. (applaus)

Muze: Zo had Calliope, de oudste van ons muzental, haar lied gebracht. Eenstemmig klonk het oordeel van de nimfen: de Helicongodinnen winnen. Toen die anderen hun nederlaag niet accepteerden, riep ik: "Vinden jullie je straf in deze wedstrijd niet genoeg? Al dat gescheld maakt jullie schuld nog erger. Ons geduld is niet oneindig. Wij nemen wraak en die gaat net zo ver als onze wrok."

De Piëriden lachen honend om mijn dreigementen, willen iets roepen en luid krijsend met brutaal gebaar handgemeen worden, maar dan zien ze veren aan hun nagels ontspruiten. Op hun armen groeit een laag van dons, hun mond verhardt tot snavel. Ja, dat zien ze bij elkaar gebeuren. Ze zien zichzelf als nieuwe vogels boswaarts gaan en als ze willen klagen, stijgen ze door het slaan met vleugels de lucht in en daar hangen ze, spotvogels van het woud, eksters. Ook nu nog hebben ze dat kletstalent van vroeger, dat praatziek klapgeluid, die mateloze kwebbelzucht.