Home / Index M. / De Metamorfosen / Episode 18 - De Metamorfosen

Episode 18 - De Metamorfosen

In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische gedaantewisseling (metamorfose) ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.

Opvallend is dat Ovidius de goden niet als verheven afschildert, maar als gewone mensen met ieder hun eigen zwakten en amoureuze verlangens. Ovidius schreef de Metamorfosen echter wel volledig in de dactylische hexameter, de traditionele versvorm voor een epos.

Beluister episode 18 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van episode 18.

Krijn ter Braak De verteller
Roos Ouwehand Byblis
Aus Greidanus jr. Caunus
Adriaan Olree Ligdus
Chiara Thissen Isis
Angelique de Bruyne Iphis
Jacqueline Blom Telethusa
Auteur: Ovidius
Vertaling: M. d'Hane-Scheltema
Bewerking en regie: Peter te Nuyl
Inspiciënt: Leo Knikman
Omroep: NPS
Uitgezonden door de: VPRO
Deze episode is uitgezonden op: 05-01-1998

Het script van episode 18.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Byblis wordt verliefd op haar tweelingbroer Caunus

(IX, 554-516 Byblis wordt verliefd op haar tweelingbroer Caunus)

verteller: Byblis bewijst dat meisjes moeten minnen met fatsoen, want Byblis, die verliefd was op haar broer, Apollo's kleinzoon, minde zoals een zuster nooit een broer beminnen mag. Eerst kan zijzelf dat liefdesvuur nog helemaal niet duiden, vindt het ook niet verkeerd als zij hem steeds weer kust, steeds meer haar armen om haar broeders nek slaat. Lange tijd verkeert ze in een bedrieglijke waan van zus-en-broergevoel, maar langzaam wijkt die liefde af: als ze haar broer bezoekt, doft ze zich op en wil zich extra mooi aan 'm vertonen. Ze wordt jaloers wanneer hij andere meisjes mooier vindt, maar is zichzelf daarvan niet echt bewust. Ze stort nog geen gebeden met verliefde wensen, maar van binnen gloeit het. Ze noemt 'm nu haar lieveling en haat het woordje 'broer' en wil ook liever dat hij haar maar Byblis noemt, niet 'zuster'. Toch waagt ze 't nog niet te denken aan verboden lust, althans niet overdag, maar 's nachts, door zoete slaap ontspannen, ziet ze heel vaak van wie ze houdt. Ze droomt zelfs hoe ze zich verstrengelt met haar broer en bloost ervan in diepe rust.

Eenmaal ontwaakt ligt ze dan stilletjes een hele tijd te denken aan die droombelevenis en zegt in twijfel:

Byblis: "Ik, arme, wat beduidt zo'n visioen in stille nacht? Ik zou niet willen dat dit echt gebeurt! Vanwaar die dromen? Zelfs voor zijn grootste vijand is hij nog aantrekkelijk, dat vind ik ook. Als hij mijn broer niet was, zou ik verliefd zijn. Hij zou goed bij mij passen. Maar bij zusters mag dat niet. Zolang ik wakend nu maar oppas en niets laat gebeuren, mag zich diezelfde droom nog vaak herhalen in mijn slaap. Slaap kent geen ooggetuigen, maar schenkt wel gedroomde lusten. O lieve Venus met uw vleugelsnelle Cupido, wat een verrukkingen ontving ik, wat een pure hartstocht bezielde mij! Hoe lag ik daar in volle overgave! Hoe fijn daaraan te denken, zelfs al was het korte vreugde. De nacht ging al te snel voorbij, jaloers op wat ik deed. Ach, kon ik mij maar anders noemen, kon ik jou maar huwen! Caunus, wat zou ik niet een goede dochter voor je vader en, Caunus, jij een goede schoonzoon voor de mijne zijn! O, dat de hemel ons in alles, maar in afkomst niet verenigd had! Ik wou dat jij veel rijker was geboren! Straks maak je weet-ik-wie tot moeder van je kind, voor mij zul je alleen maar broer zijn met - helaas - dezelfde ouders als die van mij. Dat wat ons scheidt zal ons verenigen.

Maar wat betekenen die dromen dan voor mij? Of liever: wat hebben dromen voor gewicht? Hebben ze wel gewicht? O god, beware me...! Toch zijn ook goden soms met zusters gehuwd, zoals Saturnus met zijn eigen zuster Ops, Oceanus met Thetys en Olympus' heer met Juno. Maar goden hebben eigen wetten, waarom wil ik dan mensengedrag en aardse regels aan de hemel toetsen? Mijn liefde is verkeerd en dient snel uit mijn hart verjaagd of, als mij dat niet lukt, laat mij dan sterven, bid ik, laat mij hier worden opgebaard, zodat mijn broer mij nog zal kussen! Maar nee, de toestand vraagt om een beslissing van ons beiden. Stel dat ik sterven wil, voor hem zal dat een misdaad zijn. Toch schuwden ook de zoons van Aeolus geen zusterhuwelijk. Maar waarom noem ik hen? Waarom haal ik dit voorbeeld aan? Waar moet dit heen? Ik moet dit kwalijk hartenvuur verjagen! Een zuster mag haar broer beminnen, maar niet meer dan past. Maar dan, als hij de eerste was geweest? Op mij verliefd was? Ik denk dat ik zijn liefde niet had kunnen weigeren. Mag ik dan, als ik zijn verzoek belonen zou, niet ook hetzelfde vragen? Maar hoe vind je woorden? Kun je 't hem vertellen? Ja, want liefde dwingt. Zelfs als ik zwijg uit schaamte kan een verstolen brief van mijn verborgen passie spreken..."

Byblis schrijft haar broer Caunus een liefdesbrief

(IX, 517-634 De fatale brief)

verteller: Deze gedachte lijkt haar goed en wint het van haar twijfels. Ze richt zich op in bed en leunend op haar linkerzij denkt ze:

Byblis: Hij moet maar zien. Ik schrijf hem van mijn ziek verlangen, maar ach, waar gaat dit heen? Wat voor een vlam raast in mijn hart?

verteller: ...en componeert een weldoordachte brief. Haar handen beven, rechts de schrijfstift, links het onbeschreven wastablet. Ze schrijft een aanhef, aarzelt, schrijft en schrapt die woorden door, schrijft weer, wist dat ook uit, verbetert, keurt iets goed of af, legt steeds het plankje weg om het direct weer op te nemen. Ze weet niet wat ze wil. Al wat ze denkt te doen, mislukt en haar gezicht vertoont een mengeling van durf en schaamte. Eerst stond er:

Byblis: Ik...

verteller: Ik, je zuster...

Byblis: ...je zuster...

verteller: 'Zuster' werd weer doorgekrast. Toen, in de gladgestreken was, ontstonden deze zinnen:

Byblis: Een vrouw die slechts geluk zal kennen als jij haar dat schenkt, stuurt dit uit liefde toe. Ik schaam mij diep mijn naam te noemen en als je vraagt, wat ik verlang... graag zou ik anoniem mijn zaak bepleiten en alleen als er gegronde hoop is dat mijn verlangen slaagt, bekennen dat ik Byblis heet. Je had van mijn gewonde hart veel tekens kunnen vinden: mijn bleke kleur en mager uiterlijk, mijn dikwijls zo betraande blik, mijn zuchten zonder duidelijke oorzaak, al die omhelzingen en - wat je, denk ik, hebt gemerkt - die kussen die toch niet als van een zuster konden voelen.

Toch heb ik zelf, hoe diep ik ook gewond was in mijn hart, hoezeer het vuur van binnen raasde, alles ondernomen - de goden zijn getuigen! - om verstandiger te zijn. Dagenlang trachtte ik te vluchten voor de felle pijlen van Cupido, ik arme, ik verdroeg meer pijnen dan je van een meisje kunt verwachten, maar ik moet bekennen dat ik te zwak was en met bange roep jouw bijstand vraag, want jij alleen kunt deze liefde redden of tenietdoen. Kies een van twee. Het is geen smeken met vijandig hart, nee, van een vrouw die jou heel na staat en nu nog veel nader verlangt te zijn, de band met jou nog strakker voelen wil.

En dat er wetten zijn, laat oude lieden maar vertellen wat kan en mag of niet mag en die regels koesteren, bij onze leeftijd past toch meer een roekeloze Venus! Wij, jij en ik, weten nog niet wat mag of niet. Wij denken dat alles mag. De grote hemelgoden zijn ons voorbeeld. Geen boze vader, ook geen zorgen om schandaal, geen angst houden ons tegen. Hadden wij maar reden bang te zijn! Wij spelen ons verborgen liefdesspel als broer en zuster. Niemand verbiedt mij om met jou vertrouwelijk te spreken, en zoenen en omhelzen doen wij zelfs in 't openbaar. Wat nog ontbreekt is toch zoveel niet? Red een vrouw, die eerlijk haar liefde toont, alleen omdat het felste vuur haar dwingt, en laat mijn grafsteen jou niet noemen als de schuldige!

verteller: Terwijl haar hand, vergeefs, die regels schrijft, laat het tablet haar in de steek: de laatste zin wordt langs de rand gekrabbeld. Dan, snel, bezegelt zij haar zonden met het stempel van haar ring, vochtig gemaakt met tranen, daar haar tong te droog is. Blozend van schaamte wenkte zij haar dienaar, stelde hem op zijn gemak:

Byblis: Hier, trouwe vriend, breng dit aan mijn geliefde...

verteller: ...stokte, en ging weer door:

Byblis: ...breng dit aan mijn geliefde broer.

verteller: Maar toen ze hem de brief wou geven, viel hij uit haar handen, een kwalijk teken dat haar schokte. Toch liet zij hem gaan.

verteller: De man wacht een geschikt moment af, reikt de stille boodschap aan Caunus over, die, ontsteld, in plotse razernij, de brief al na de eerste zinnen wegsmijt en met moeite zijn handen thuidshoudt en de sidderende knecht niet wurgt, roepend:

Caunus: Wat? Valse bode van verboden lust? Verdwijn maar zo snel je kunt! Bah! Als jouw lot niet ook verbonden was met dit schandaal van ons, had ik je me de dood gestraft!

verteller: De man vlucht in paniek en doet zijn meesteres verslag van Caunus' woeste taal. Byblis verbleekt, als zij zijn afkeer verneemt, haar lichaam raakt verstijfd en ijzig koud van angst. Toch, als ze weer wat tot zichzelf komt, keert de hartstocht terug... Haar stem breekt uit in klachten die haast onverstaanbaar zijn:

Byblis: Het is mijn schuld! Hoe onvoorzichtig deed ik hem te schrijven over mijn hartewond! Waarom heb ik zo overhaast woorden, die duister hadden moeten blijven, opgeschreven? Ik had eerst zijn gedachten met omzichtig woordgebruik moeten verkennen en, om gunstig op de wind te varen, eerst moeten kijken hoe die wind stond met een puntje van het zeil, en dan pas veilig over zee gaan. Maar nu heb ik direct met volle zeilen onverwachte storm geoogst en loop ik op de klippen vast, ja, raak bedolven onder een hele oceaan. Mijn zeilschip ziet geen uitweg meer. En dan dat vege teken: werd ik niet met klem gewaarschuwd mijn liefde op te geven? Viel die brief niet op de grond toen ik hem liet bezorgen? Sloeg dat niet mijn hoop in duigen? Toen had ik toch het tijdstip kunnen wijzigen of zelfs het hele plan? Nee, liever maar het tijdstip...

Ook de hemel waarschuwde duidelijk, als ik maar wijzer was geweest. Ik had hem, hoe dan ook, zelf moeten spreken, mij niet wagen aan wassen woorden, zelf aan hem mijn hartstocht laten blijken! Hij had mijn tranen kunnen zien, de liefde in mijn blik. Ik had meer kunnen zeggen dan er in die brief kon staan, hem in mijn armen sluiten of hij wou of niet, en als ik werd afgewezen, kunnen doen alsof ik stervend was en hem de voeten kussen, redding smeken op mijn knieën. Alles had ik gedaan en als zijn ongevoelig hart niet door het ene was vermurwd, dan wel door alles samen. Misschien ook dat die dienaar die ik stuurde schuldig is: hij kwam onhandig binnen, denk ik, koos een slecht moment, keek niet of Caunus tijd had en wel volle aandacht schonk. Dat werkte in mijn nadeel, want mijn broer heeft toch van huis uit geen tijgeraard, zijn hart is niet van kille steen, geen blok van staal of ijzer, hij kreeg nooit leeuwinnenmelk te drinken!

Ik zal hem winnen, steeds weer naar hem toegaan en mijn doel geen ogenblik, zolang ik adem heb, laten verflauwen. Het ware beter als ik het gebeurde kon herzien en ik dit nooit begonnen was, maar eenmaal iets begonnen dient dat ook door te gaan. Al geef ik mijn verlangen op, nooit kan hij mijn gewaagde brief uit zijn gedachten bannen. Ook zal hij, juist omdat ik opgeef, denken dat mijn lust lichtzinnig was, dat ik getracht heb hem een val te zetten en zeker dat ik door genotzucht en niet door die god die mij zo sterk beheerst en binnen opstookt werd gedreven. Kortom, ik kan mijn zondigheden niet meer loochenen: ik schreef die brief, een liefdesbrief. Mijn wens was onfatsoenlijk. Al doe ik verder niets, ik kan niet meer onschuldig heten. Wat rest heeft meer met goede hoop te maken dan met schuld.

verteller: Zo spreekt zij. Haar verwarde tweestrijd is zo groot dat zij wil laten lukken wat allang mislukt was. Maar nu kent ze geen maat meer en wordt steeds weer afgewezen, arme vrouw. En dan, als er geen eind aan komt, vlucht Caunus uit Milete, ontvlucht dat kwaad en sticht een nieuwe stad op vreemde grond.

De transformatie van Byblis in een beek

(IX, 635-665 De transformatie van Byblis)

Men zegt dat Byblis in haar droefheid toen pas echt volslagen waanzinnig werd, dat zij zich de kleren van het lijf gerukt heeft en in razernij haar armen blauw geslagen. Nu blijkt ook openlijk, hoe ziek zij is en hoe zij smacht naar ongepaste liefde, daar ook zij die plek van onheil, haar vaderstad, verlaat, in 't spoor van haar gevluchte broer. Zoals ook Thracische Bacchanten in extase raken bij Dionysus' thyrsus, tijdens zijn driejaarlijks feest, zo rende Byblis krijsend wijde vlakten door. Veel vrouwen zagen haar langsgaan, eerst bij Bubasus, dan verderop in Carië, in het roversland rond Megara, vervolgens door Lycië, over de Xanthusstroom, de Limyre, de Cragusberg, waar het Chimaeramonster woonde dat van voren leeuw, van achteren slang en middenin van vuur was.

De bomen kalen reeds als Byblis uitgeput van het lopen instort. Zij ligt er op de harde grond, het haar wijduit gespreid en haar gezicht diep in de afgevallen blaadjes. De nimfen van die streek willen haar steeds met zachte drang weer helpen opstaan. Steeds weer zeggen zij dat zij haar liefde vergeten moet, en spreken troost die zij niet wil verstaan. Zwijgend en met de vingers in het groene gras geslagen ligt Byblis daar. Een beek van tranen houdt de grasgrond nat. Men zegt dat waternimfen er een bron van maakten die nooit op kan drogen. Wat is mooier eerbetoon dan dat? Direct daarna, als hars dat uit een ingekeepte boomschors wegdruppelt, of als kleverige pek uit rijke bodem, als water dat bij vorst bevroren is maar bij de komst van een zoele en zachte westenwind door zonneschijn ontdooit, zo smolt Apollo's kleinkind, Byblis, weg in eigen tranen en werd een bron die nu nog altijd in dat dal de naam van haar verwekster draagt, ontspringend bij een donkere steeneik.

(IX, 666-713 De geboorte van Iphis)

De mare van dit jongste wonder zou op Kreta met zijn honderd steden druk bepraat zijn, als niet kort tevoren op Kreta zelf met Iphis een mirakel was geschied. Een tijd al woonde er in Phaestus' rijk, niet ver van Knossos, iemand die Ligdus heette, verder niet bekend, een man van lage afkomst, maar wel vrij. Zijn rijkdom was al even eenvoudig als z'n adelstand, zijn levenswandel was integer. Toen zijn vrouw hoogzwanger was en de geboorte nabij, vroeg hij haar aandacht voor het volgende probleem:

Ligdus: Ik wens twee dingen: dat je zonder zware pijn verlost wordt en dat ons kind een zoon is, want de last van meisjes is te kostbaar en Fortuna maakt hen zwak. Als jij in het kraambed een meisje krijgt - wat ons bespaard mag blijven - zeg ik je met tegenzin (vergeef een vaderhart!) dat zij moet sterven.

verteller: ...en bij die woorden braken zij in tranen uit, eerst hij omdat hij zo moest spreken, daarna zij die dit moest horen, en Telethusa mocht haar man met vruchteloos gesmeek voortdurend vragen haar zo blijde hoop niet te bederven, Ligdus had zijn besluit genomen.

Toen haar zware schoot met de voldragen vracht nog maar met moeite was te torsen, verscheen aan haar een droomgedaaante, midden in de nacht: Inachus' dochter Io, die omringd door volgelingen vlak voor haar stond of leek te staan. Ze zag dat hoofd met horens als sikkels van de maan, omkranst met blonde korenaren vol gouden glans en haar vorstinnendiadeem. Naast haar de jakhalsgod Anubis en de heilige Bubastis en Apis met gevlekte huid en ook de god die stemloos stilte gebaart. De Isisratels zag ze en Osiris, die jaarlijks nieuwontdekte godheid, en een vreemde slang met slaapverwekkend gif. En toen sprak Isis (en zij zag haar alsof zij helder wakker was):

Isis: Mijn trouwe Telethusa, verjaag die zware zorgen, voer die opdracht van je man niet uit en aarzel niet, wanneer Lucina je verlost, je kind te laten leven, hoe dan ook. Ik ben een godheid die hulp brengt aan wie daar om smeekt. Je zult nooit klagen dat Isis ondankbaar is.

verteller: En na dat woord verliet de droom haar. Verheugd staat Telethusa op. Haar vrome handen naar de sterren heffend bidt zij om vervulling van haar droom. Wanneer de barensweeën zijn verhevigd en het kind ter wereld komt, een meisje - wat de vader niet mag weten - veinst zij, z'n vrouw, dat het een zoon is en ze laat het voeden. De leugen vindt geloof, alleen de voedster kent de waarheid. De vader brengt de goden dank en noemt de jongen naar z'n eigen vader: Iphis, wat de moeder weer plezier doet, omdat die naam tweeslachtig is en zij er niemand mee bedriegt. Sindsdien bleef vrome schijn die eerste leugen dekken; het kind droeg jongenskleren en het had in elk geval een schoonheid die een jongen en een meisje beiden past.

(IX, 714-763 Iphis en Ianthe)

Die leugen heeft intussen dertien jaren voortgeleefd, als Iphis' vader een verloving regelt met de blonde Ianthe, een meisje dat in Phaestus zeer geroemd werd om haar grote schoonheid, dochter van Telestes, een Kretenzer. Zij waren even oud en even mooi, hadden op school hun eerste kennis opgestoken bij dezelfde meesters. Sinsdien had liefde beider onbevangen hart geraakt en beiden even diep, maar wel met andere verwachting. De een ziet naar het huwelijk en haar trouwdag uit en denkt dat wie zij voor een man houdt straks haar man zal zijn - Ianthe. Iphis heeft even lief, maar mist de hoop op echt geluk, waardoor haar gloed nog stijgt. Haar meisjeshart smacht naar een meisje! Hard vechtend tegen tranen denkt ze:

Iphis: Wat gebeurt mij straks, als deze vreemde drang van Venus, die ik niet kan uiten, die onnatuurlijk is, mij drijft? Indien de hemel mij wou sparen, waarom dit dan niet bespaard? Als ik verdoemd moet zijn, waarom dan geen normale mensenkwaal gestuurd?

Geen koe, geen merrie voelt zo'n hartstocht voor een koe of merrie, een ram wel voor een ooi, een hinde geeft zich aan een hert, ook vogels paren zo en in de hele dierenwereld raakt nooit een vrouwtje op een ander vrouwtjesdier verliefd. Ik wilde dat ik niet bestond! Op Kreta heerst bepaald geen gebrek aan abnormaliteiten, want de Zonnedochter minde een stier. Toch was dat nog van vrouw tot man. Mijn liefde is, als ik eerlijk ben, veel erger. Zij, Pasiphaë, werd in haar lust bevredigd: in een listig koe-omhulsel kreeg zij haar stier. Het was de minnaar die bedrogen werd! Maar ik... De hele wereld mag hier met veel listen komen, zelfs Daedalus weer hierheen vliegen op zijn wassen vleugels, wat kan hij voor mij doen met zijn geleerdheid? Van een meisje een jongen maken? Jou, Ianthe, soms veranderen?

Nee, Iphis, toon je sterk en toom jezelf wat in! Waarom niet dat dwaze, dat verstandsverbijsterende vuur gedoofd? Zie hoe je bent geboren! Of bedrieg je ook jezelf al? Verlang niet meer dan mag, bemin zoals een vrouw betaamt. Het is hoop die liefde doet ontstaan en hoop die haar in stand houdt. Jouw toestand geeft geen hoop. Niet dat je van omhelzingen moet afzien wegens het nauwlettend wakend toezicht van een meester of je strenge vader. Niet dat zij, Ianthe, iets weigert wat jij vraagt.Toch, ondanks alles, kun jij haar nooit krijgen, nooit gelukkig zijn, hoe aarde en hemel ook hun best doen.

Tot vandaag zijn mijn gebeden wel verhoord: de goden schonken mij genadig alles wat maar kon, mijn wens is ook mijn vaders wens, van haar en van haar vader, maar niet van de natuur, die machtiger dan iedereen mij schaadt, als enige. Kijk, het begeerde uur breekt aan, de huwelijkstoorts ligt klaar, Ianthe zal de mijne zijn zonder van mij te zijn. Ik zal op volle zee verdorsten. O Juno, bruidsgodin, o Hymenaeus, zie toch af van deze bruiloft, waar wij zonder bruigom beiden bruid zijn.

Isis transformeert Iphis in een man

(IX, 764-797 Isis transformeert Iphis)

verteller: Dan zwijgt ze stil. Het andere meisje gloeit al evenzeer van liefde, maar zij bidt de huwelijksgod juist snel te komen. Ianthe's wens maakt Telethusa bang. Eerst stelt ze nog de trouwdag uit, zoekt dan respijt in quasi-ziek zijn, steeds weer rept ze van dromen en voorspellingen, maar eenmaal is de hele leugenvoorraad op, het uitgestelde huwelijk moet nu toch doorgaan. Morgen zal het zijn. De moeder trekt zichzelf de haarband af, die van haar dochter ook en werpt zich met wijdgespreide lokken bij het Isisaltaar neer en roept:

Telethusa: U, Isis, die bij Paraetonium, op Pharos, bij Mareotis' velden, bij de zeven-armenrijke Nijlstroom uw tempels heeft, ik bid u, help mij, stil mijn angst. Eens heb ik u, godin, uzelf, toch in mijn droom gezien en al wat bij u hoort herkend: die Isisstoet met fakkels, die ratelklanken, en ik heb uw opdracht goed verstaan. Dat Iphis leeft en ik nog niet gestraft ben, het is alles uw zorg en uw genade. Schenk ons dan ook nu uw gunst en steun ons beiden.

verteller: Op die woorden volgt een stroom van tranen. Het leek of de godin... Nee, ze bewoog haar altaar écht, de tempeldeuren trilden en haar horens, sikkelvormig, schitterden op, terwijl de klank van ratels hoorbaar werd. Nog niet gerust, maar wel verheugd met zulk een gunstig teken verlaat de moeder Isis' tempel. Iphis, die haar volgt, neemt niet meer kleine stappen zoals eerst en haar gelaatskleur is minder blank, haar kracht neemt toe, haar blik lijkt dwingender, de lokken zijn nu kort en worden niet meer opgebonden. Ze toont nu forser dan ze was als meisje, want zij wàs een meisje, maar is nu een jongeman! Dit noodt tot offers en onbevreesde vreugde! Dankbaar brengen zij zo'n offer en wijden een votieftablet erbij, één korte regel: 'Iphis heeft dit geschenk als vrouw beloofd, als man gewijd.'

Het volgende daglicht ving de wijde wereld in zijn stralen, toen Venus, Juno, Hymenaeus samenkwamen bij het trouwaltaar, waar bruigom Iphis zijn Ianthe huwde.