Home / Index M. / De Metamorfosen / Episode 19 - De Metamorfosen

Episode 19 - De Metamorfosen

In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische gedaantewisseling (metamorfose) ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.

Opvallend is dat Ovidius de goden niet als verheven afschildert, maar als gewone mensen met ieder hun eigen zwakten en amoureuze verlangens. Ovidius schreef de Metamorfosen echter wel volledig in de dactylische hexameter, de traditionele versvorm voor een epos.

Beluister episode 19 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van episode 19.

Krijn ter Braak De verteller
Victor Löw Orpheus
Walter Crommelin Apollo
Pleuni Touw Venus
Jeroen Willems Pygmalion
Auteur: Ovidius
Vertaling: M. d'Hane-Scheltema
Bewerking en regie: Peter te Nuyl
Inspiciënt: Leo Knikman
Omroep: NPS
Uitgezonden door de: VPRO
Deze episode is uitgezonden op: 12-01-1998

Het script van episode 19.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Orpheus en Eurydice

(X, 1-85 Orpheus en Eurydice)

verteller: Van Kreta vloog hij, krokusgeel gesluierd, door het luchtruim en haastte zich - hij, Hymenaeus, huwelijksgod - naar het land der Thraciërs. Voor niets, helaas. Orpheus had 'm geroepen en daarom kwam hij, maar hij liet geen plechtig bruiloftslied, geen vrolijke gezichten toe, geen enkel voorspoedteken en zelfs de fakkel die hij droeg, deed niets dan sissen met veel rook. tot tranen toe. Zwaaien hielp niets, hij wou niet vlammen - een droevig teken met nog droever afloop. Want terwijl de jonge bruid zich met haar nimfenschaar in het gras vermeide, liep ze een gifbeet van een slang op, in haar hiel, en stierf.

De zanger van het Thracisch bergland heeft eerst tot de goden geklaagd, toen, om ook hulp te zoeken in het dodenrijk, waagde hij zich bij Taenarum de poort door naar de Styx en liep tussen de lichaamloze lang begraven schimmen tot voor Persephone, met naast haar de gebieder over het somber rijk des doods. Zich begeleidend op zijn lier zong hij hen toe:

Orpheus: Ach, goden van de onderaardse wereld, waar iedereen die sterfelijk is zijn eindbestemming vindt, als u me toestaat zonder omhaal en vertoon van woorden waarheid te spreken. Nee, ik ben hier niet gekomen om de donkere Tartarus te zien, niet om de drie behaarde slangenhondkoppen van de Cerberus te ketenen, mijn komst betreft mijn vrouw. Nadat zij op een slang getrapt had, beet deze haar zijn gif in en ontnam haar levensbloei. Ik wilde wel berusten, ik verzeker u, ik wil het, maar Amor wint. Op aarde is die godheid goed bekend. Misschien hier ook, ik weet het niet, maar ik vermoed van wel. Want als het oud verhaal over uw schaking niet bedacht is, bracht Amor ook u beiden samen. Bij dit oord vol angsten, bij deze immense leegte, bij de stilten van dit rijk, ik smeek u: wil Eurydice's te vroege dood herroepen! Wij mensen staan al alles aan u af en vroeg of laat komen we na een kort bestaan naar deze ene woonplaats en komen allemaal. Dit ons laatste huis en u voert hier de langste heerschappij over de stervelingen. Ook zij komt in uw macht wanneer ze daarvoor rijp is en haar tijd voorbij. Ik vraag u geen geschenk, het is een lening. En gunt de dood mijn vrouw geen uitstel, weet dan dat ook ik hier niet vandaan ga. Nee, dan kunt u blij zijn met twee doden.

verteller: Tijdens die woorden en zijn begeleidend snarenspel snikten de bloedeloze schimmen. Tantalus greep even geen wijkend water meer, Ixions rad stond als verlamd, geen gier die trek in lever had, de Danaïden lieten hun urnen staan en Sisyphus ging op z'n rotsblok zitten. Men zegt dat zelfs de wraakgodinnen, door dit lied geroerd, voor het eerst betraande wangen kregen. Zij, de heerseres, noch hij die in de Hades heerst, kon doof zijn voor z'n klagen. Eurydice mocht komen. Zij bevond zich bij de jongste gestorvenen en door de wond kon ze nog niet snel lopen. De zanger van Rhodope kreeg haar mee, maar moest beloven z'n blik niet om te wenden voor hij het Avernusdal ontstegen was, want anders werd de gunst tenietgedaan.

Er loopt een pad naar boven tussen diep zwijgende stilten, vrij steil en duister, en in dikke nevelmist gehuld. Ze waren niet zo ver meer van de rand dichtbij de aarde. Bang dat ze achterbleef of uit verlangen haar te zien, keek hij in liefde om. Direct is zij omlaag gevallen, de armen wijd gestrekt, reikend naar houvast of naar hulp, maar ach, de ongelukkige greep niets dan ijle nevel. Ten tweede male stervend maakte zij haar echtgenoot toch geen verwijt. Kon ze verwijten dat hij haar zo lief had? Het laatste wat zij riep, vaarwel, kon hij al nauwelijks meer verstaan. Zij is weer teruggegleden in dezelfde diepten.

Orpheus, verbijsterd door haar tweede dood, was als de man die tot z'n schrik drie koppen van de hellehond zag langsgaan - de middelste geketend - en z'n angst pas kwijt was toen hij ook zichzelf verloor doordat z'n lichaam was versteend. Of ook al Olenus en zijn onzalige Lethaea, die zo haar eigen schoonheid prees dat hij zich schuldig voelde, of wilde voelen, en dan beiden, eens zo hecht vereend, werden versteend tot rotsen op de regenrijke Ida. Weer trachtte hij al klagend af te dalen, maar vergeefs, de veerman wees 'm af. Hij bleef daar zeven dagen zitten, vervuild, zonder te eten, aan de oever van de Styx. Tranen, gezucht en diep verdriet waren z'n voedsel. Daarna, met luid verwijt dat Hadesgoden wreed zijn, trok hij zich in het Thracisch hooggebergte terug, waar noordenwinden gieren.

Reeds driemaal had de zon het jaar beëindigd bij het vochtig vissenteken en nog steeds meed Orpheus ieder contact met Venus, of omdat het 'm slecht was vergaan, ofwel uit trouw. Veel vrouwen voelden liefde voor de zanger, maar al die vele vrouwen treurden in verstotenheid. Zo werd hij zelfs in Thracië een voorbeeld om de liefde met jonge jongens te bedrijven en hun prille bloei korte lentetijd te plukken vóór zij mannen worden.

(X, 86-105 De samenkomst van de bomen)

Er lag een heuvelrand, waarboven een wijd uitgestrekt plateau verrees, een groen begroeide plantenrijke vlakte, nergens een schaduwplek. Maar toen hij zich had neergezet, die goddelijk geboren zanger, en zijn lier liet klinken, viel toch een schaduw langs de grond: Dodona's boom, daarginds de bomengroep der Heliaden en een hoog gekruinde bergeik, ook slanke linden en een beuk, Daphne's laurier en tere hazelaars, een essenboom, bruikbaar voor speren, een gladde den, een steeneik onder eikelvracht gebukt, een nobele plataan en een ahorn met bonte kleuren, en van de waterkant knotwilgen en een lotusboom, een eeuwgroene buxusboom, hoogslanke tamarisken, een mirtenboom, groenzwart, een bessenblauwe sneeuwbalstruik; zelfs slingerende klimop kwam erheen, zelfs trossen zware wijnstokken kwamen, olmen, ook met wijnstokrank omgroeid, bergessen, sparren en een wilde aardbeistruik beladen met rode vruchtjes, staat er ook een palm, die winnaarsprijs, en met hoog opgestoken loof en ruig van kruin een pijnboom, lievelingsboom van Cybele, de godenmoeder, daar haar lieve Attis in dat houten lichaam was veranderd.

De dood van Cyparissus

(X, 106-142 De dood van Cyparissus)

Tussen dit al was ook een kegelvormige cypres, nu dus een boom, voordien een knaap op wie een god verliefd was, en wel de god die beide, boog en citersnaar bespeelt. Dat kwam aldus: de nimfen in de velden rond Cartheia eerden een reuzenhert, dat met z'n wijd uitstaand gewei z'n eigen hertekop voorzag van diepe schaduwen. Z'n takken blonken als van goud en van z'n zachte hals hingen juweelgetooide snoeren neer tot op z'n flanken. Aan riempjes bungelde voor op z'n kop een medaillon van zilver sedert ie bestond. Parels zo groot als bessen glansden terzijde van de schedel waar de kop versmalt. Het dier liep dikwijls zonder angst, ondanks z'n aangeboren schichtige aard, de huizen binnen om zich waar dan ook door onbekende handen in de nek te laten strelen.

Maar Cyparissus die de mooiste knaap op Ceos was, had zich er meer dan wie ook aan gehecht. Hij bracht het hert naar verse weigrond, naar het water van een klare bron, of wond kleurrijke bloemenkransen rond die hertenhorens, zat vaak ook als een ruiter op z'n rug en stuurde blij die zachte kop naar links of rechts met purpergouden teugels. Het was een zomerdag, het heetste uur. De zonnegloed deed de gekromde scharen van de Kreeft - dat stranddier - schroeien. Het hert, vermoeid, had zich op zachte grasgrond neergevleid en lag de koelte van de bomenschaduw in te drinken. Maar Cyparissus, jong en onvoorzichtig, trof het met z'n scherpe speer. Toen ie het zwaarverwonde dier zag sterven, wilde hij zelf ook sterven.

Ach, wat heeft Apollo niet voor troost gesproken, hem gemaand niet heviger te treuren dan past in zo'n geval. Maar hij klaagt voort. Als laatste wens smeekt ie de goden hem voor eeuwig in die rouw te laten. Als met z'n tranenvloed dan ook z'n bloed is weggevloeid, begint z'n lichaam overal een groene kleur te krijgen. Z'n haar, dat kort tevoren langs z'n blanke voorhoofd viel, wordt tot een borstelige bladerdos. Stijfheid bevangt 'm en met een spitse gratie reikt ie naar de sterrenlucht. Apollo snikte droef:

Apollo: Ik zal nu altijd om jou treuren... En jij om anderen. Je zult symbool zijn van verdriet.

(X, 143-219 Orpheus zingt over Ganymedes en Hyacinthus)

Zo had de zanger bomen naar zich toegelokt. Daar zat hij, temidden van viervoetig en gevleugeld dierenvolk, en na de snaren met z'n duim goed afgetast te hebben, luisterend of de vele tonen ondanks klankverschil harmonieerden, zong hij hun de volgende verhalen:

Orpheus: Muze, mijn moeder, laat mijn lied bij Jupiter beginnen, want alles wijkt voor Jupiter. Hoe vaak heb ik de macht van Jupiter genoemd? Bij plechtig lierspel van zijn strijd tegen Giganten, van het Phlegreïsch bliksemvuur gezongen? Nu wil ik minder ernstig klinken en gaan zingen van goden en knapenliefde en van meisjesharten die verboden vlammen stookten en gestraft zijn voor hun lust.

De godenvader raakte ooit verliefd op Ganymedes, een Phrygiër, en vond dat hij zich niet als Jupiter moest voordoen maar als adelaar, de enige gedaante die bij 'm paste en die ook z'n bliksems dragen kon. Direct daarop joeg hij met valse vleugels door het luchtruim en schaakte de Trojaan, die nu nog steeds de beker vult en ondanks Juno's afgunst Jupiter de nectar aanreikt.

Apollo had ook graag Amyclas' zoon een plaats gegeven in het hemelhuis, indien het droeve lot hem tijd gegund had. Toch werd de knaap in zekere zin vereeuwigd: steeds wanneer winter voor lente wijkt en Ram de waterige Vissen vervangt, ontbloeit hij in het jonge gras als voorjaarsbloem. Apollo had 'm meer dan ieder ander lief, en Delphi, het navelpunt der wereld, moest het zonder heerser doen, omdat de god, mijn vader, steeds het niet ommuurde Sparta aan de Eurotas opzocht, niet meer dacht aan boog of lier, ja zelfs zichzelf vergat, want niets was 'm te veel. Hij zeulde met Hyacinthus' netten, dreef de meute, joeg met hem door moeizaam bergterrein en voedde dagenlang z'n hartstocht.

Eens, als de zon zowat halfweg is tussen komende en afgelopen nacht, dus even ver van beide afstaat, doen zij hun kleren uit, smeren zich glanzend in met olie van smeuige olijven voor een wedstrijd met de discus. Apollo heeft de brede schijf als eerste rondgedraaid en weggeslingerd en het wolkendek ermee doorbroken. Na lange tijd pas heeft het zware ding weer vaste grond gevoeld, een blijk van samenwerking tussen kunst en kracht. Direct schoot Hyacinthus, ondoordacht en fanatiek door het spel, naar voren om de discus op de pakken. Deze werd echter door de harde grond omhoog gekaatst en vloog 'm recht in z'n gezicht.

De godheid zelf werd even bleek als de knaap die slap ter aarde lag. Hij tilt 'm in z'n schoot, koestert hem, bet de vreselijke wond en tracht het leven dat uit 'm wegebt nog te redden met behulp van kruiden. Geen medicijnkunst baat, de wond is niet meer te genezen. Zoals bij het sproeien van de tuin viooltjes of papavers, zelfs rechte lelies met hun gele tongen, soms opeens omknakken en verwelkt hun kelken laten bungelen en niet meer kunnen opstaan, maar hun top ter aarde neigen, zo hangt zijn stervend hoofd ook neer. Zijn krachteloze nek is hem te zwaar en ligt opzij geknakt tegen z'n schouder.

Apollo: Nu sterf je, Hyacinthus, van je eerste bloei beroofd.

Orpheus: ...zo roept Apollo uit...

Apollo: Ik zie de wond die mij beschuldigt. Mijn smart om jou heb ik mijzelf bezorgd, mijn rechterhand is door jouw dood veroordeeld. Ik ben oorzaak van je sterven, en toch, waar ligt mijn schuld? Tenzij het discusspel de schuld moet krijgen, of wij schuldig zijn omdat wij minnaars waren. Ai, kon ik maar voor jou mijn leven afstaan of met jou de dood ingaan... Maar daar mijn lotsbeschikking dat niet toestaat, zul je voor altijd bij mij zijn, je naam blijft op mijn lippen. Als ik mijn lier bespeel, zullen mijn zangen jou bezingen. Je wordt een nieuwe bloem waarin mijn klachten staan getekend, en eens komt ook de dag waarop een zeer befaamde strijder zich bij je voegt, als hyacint, met net zo'n letterblad.

Orpheus: Juist had Apollo zijn profetenwoord zo laten klinken of kijk, het bloed dat naar de grond gestroomd was en het gras gekleurd had, was geen bloed meer. Glanzender dan Tyrisch purper groeide een bloem op die op lelies leek, behalve dan dat lelies zilverachtig zijn en deze purperkleurig. Apollo - want die schonk hem deze eer - was nog niet klaar, hij schreef zijn klachten in de blaadjes zelf, een bloeminscriptie van steeds "ai ai", letters waarmee zijn smart is uitgedrukt. Ook Sparta toont zich trots dat het een Hyacinthus voortbracht: diens roem leeft er tot heden voort, het Hyacinthusfeest keer volgens oude riten jaarlijks terug met grote luister.

(X, 220-242 Orpheus zingt: De Propoetides)

Maar wat het ertsenrijk Amathus aangaat: als je vraagt of dat de even trotse wieg was van Propoetis' dochters, welnee! Zomin als het nog spreekt van de Cerasten, met hun woestgehoornde koppen, waar ze ook hun naam aan dankten. Zij hadden voor hun poort een altaar staan van Jupiter, de god van gastvriendschap. En als een gast, geen kwaad vermoedend, dat daar zag staan, rood van het bloed, dacht hij natuurlijk aan offers van kalveren of schapen van Amathus' bodem. Maar nee, het was het bloed van gasten zelf! Uit afkeer van zulke barbaarse riten wilde zelfs de zoete Venus de stad en Cyprus' land verlaten, maar...

Venus: Wat heeft mijn stad, wat heeft dit goede land misdaan?

Orpheus: ...bedacht ze.

Venus: Zijn zij schuldig? Laat die barbaren zelf maar boeten met de dood, of met verbanning. Of, met iets wat tussen doodstraf en verbanning in ligt, en dat kan één ding zijn: gedaantewisseling.

Orpheus: Zij peinst nog over welke soort gedaante, als haar blik hun horens treft, en dan bedenkt ze dat die kunnen blijven en vormt hun forse lijven om tot barse jonge stieren. Toch waagden de onkuise dochters van Propoetis nog met Venus' goddelijkheid te spotten, maar wraak - zo zegt men - maakte van hen de eerste vrouwen die hun lichaamsschoon verkochten. Toen hun schaamte was vergaan en ieder blozen verstard was, zijn zij zonder veel verschil verhard tot steen.

Pygmalion die verliefd wordt op zijn beeld

(X, 243-297 Orpheus zingt: Pygmalion en zijn kunstwerk)

Omdat Pygmalion die vrouwen jarenlang in zonde had zien verkeren en hun afkeer voelde van het kwaad dat de natuur zo ruimschoots in de vrouwenziel gelegd heeft, bleef hij steeds vrijgezel en vrouwloos, en z'n bed was eenzaam. Maar ondertussen maakt hij wel met schitterend vakmanschap een wit-ivoren beeld, geeft het een schoonheid die geen vrouw van huis uit ooit bezit, en wordt verliefd op eigen werkstuk. Het lijkt een echte jonge vrouw. Je zou geloven dat ze leeft en, als fatsoen dat toestond, graag bemind wil worden, zozeer gaat kunst in eigen kunde schuil.

Pygmalion bewondert haar, hij brandt van hartstocht voor dit namaaklichaam. Steeds voelt ie met z'n vingers aan het beeld of het ivoor of lichaam is en maakt zich wijs dat dit toch geen ivoor is. Hij kust haar, proeft haar kussen, denkt hij, spreekt tot haar en houdt haar in z'n armen, voelt z'n vingers in haar lichaam drukken en is zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmt. Hij vleit haar met verliefde woorden, geeft cadeautjes waar meisjes verzot op zijn: schelpen of stenen, gladgevormd, tamme parkietjes, bloemenkransen met wel duizend kleuren, lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen, kralen van de Heliadenbomen. Daarna tooit hij haar met kleren, doet ringen aan haar vingers, lange snoeren om haar hals. Haar oren krijgen lichte parelhangers, ook haar borsten zijn rijk behangen. Alles siert haar, ook al is zij mooi zonder dat al. Hij legt haar op een roodgespreide divan, noemt haar zijn bedvriendin en doet haar zachtjes met haar hals in veren kussens leunen, denkend dat ze dat kan voelen.

Het feest van Venus, overal op Cyprus' hoogtijdag, was aangebroken. Jonge koeien met vergulde horens vielen ten offer aan de slagen in hun blanke nek en wierook geurde op. Pygmalion bleef na het offer bij het altaar staan en sprak een stille wens:

Pygmalion: O goden, als u alles geven kunt, geef mij een vrouw.

Orpheus: Hij had de moed niet...

Pygmalion: ...die van ivoor...

Orpheus: ..."die van ivoor" te zeggen, wel "die lijkt op mijn ivoren..."

Pygmalion: ...die lijkt op mijn ivoren.

Orpheus: De gouden Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep wat deze wens beduidde. Driemaal schoot de vlam hoog op en blies een vuurtong in de lucht ten teken van genade. Zodra hij thuiskomt, haast hij zich naar zijn geliefde beeld, nestelt zich naast haar, kust haar mond. Zij lijkt erdoor te smelten! Hij kust haar weer, raakt met een vingertop haar borsten aan. Het aangeraakt ivoor wordt week, de kilte lijkt verdwenen, het voegt zich naar zijn druk, is soepel zoals bijenwas van de Hymettus zacht wordt door de zon en zich laat drukken tot vele vormen en juist door het kneden kneedbaar wordt. Terwijl hij eerst, verbijsterd nog, geen vreugde toelaat, bang voor bedrog, streelt hij verliefd steeds weer, steeds meer dat lieve beeld en... streelt een vrouw. Zijn tasten doet haar bloed veel sneller stromen.

Dan spreekt Pygmalion, de held van Paphos, woorden uit waarmee hij Venus dankt, diep uit z'n hart, en drukt z'n lippen op lippen die niet meer onecht zijn, en het meisje heeft z'n kus gevoeld, begint te gloeien, slaat 'r ogen schuchter naar het daglicht op en kijkt op dat moment haar minnaar aan. Het huwelijk, eerst door Venus voorbereid, ontving haar zegen. Negenmaal had de maan haar sikkel tot een schijf gevuld toen Paphos werd geboren en het eiland draagt die naam nog.