Hoorspelen.eu

Logo Hoorspelen.eu

Episode 28 - De Metamorfosen


In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische metamorfose ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.

Beluister episode 28 en lees het script op deze pagina mee.

Info.
Auteur: Ovidius
Vertaling: M. d'Hane-Scheltema
Bewerking en regie: Peter te Nuyl
Inspiciënt: Leo Knikman
Omroep: NPS
Uitgezonden door de: VPRO
Uitgezonden op: 16-03-1998
Rolverdeling episode 28.
Krijn ter Braak De verteller
Hein van der Heijden Diomedes
Adriaan Olree Acmon
Elisabeth Andersen Cybele
Pleuni Touw Venus
Rik Van Uffelen Jupiter
Cas Enklaar Vertumnus
Aus Greidanus jr. Iphis
Maike Meijer Anaxarete
Joost Prinsen Mars
Chiara Thissen Iris
Sigrid Koetse Juno
Marlies Heuer Hersilia
André van den Heuvel Een Crotonees
Hans Dagelet Hercules
Han Römer Myscelus
Script episode 28.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.


(XIV:445-482 Oorlog in Latium: Turnus vraagt Diomedes' hulp)


verteller: Nu wordt de kabel losgegooid, de kruidenrijke oever verlaten. Circe's wijdberuchte listen en paleis zijn ver verwijderd als zij in de bossen komen waar de Tiber met zijn lichte zand en nevelige schaduw naar zee stroomt. Faunus' zoon Latinus geeft hun onderdak. Aeneas huwt diens dochter, maar alleen na oorlog tegen het woeste volk van Turnus die de hem beloofde bruid in woede opeist. Heel Etrurië en Latium vechten zeer lang en moeizaam voor een zware overwinning. Elke partij vergroot haar macht met bondgenotenhulp. Veel troepen helpen de Rutuliërs, veel de Trojanen. Aeneas heeft succes, als hij Euanders stad bezoekt, Venulus echter niet bij de verbannen Diomedes. Deze had in Apulië een stad gebouwd voor Daunus, een grote burcht, en woonde zelf op een aan hem geschonken stuk land. Als Venulus hem over Turnus' opdracht spreekt en hulp vraagt, noemt de Griekse held zijn armoe als een reden tot weigeren: hij wil zich niet met Daunus' mannen aan een oorlog wagen en ziet zelf geen kans een eigen leger te wapenen.

Diomedes: Denk niet...

verteller: ...zo zegt ie...

Diomedes: ...dat ik iets verzin! Hoewel het spreken over mijn verdrietig lot weer pijn doet, wil ik u toch ervan vertellen. Toen de hoge burcht van Troje in de as lag, toen de Griekse plunderhanden waren gevuld en Ajax door het roven van Cassandra - Minerva's priesteres! - ons allen met die ene misdaad besmet had, dreef de Griekse vloot uiteen. De tegenwind gaf ons een kwade vaart, we moesten noodweer, onweer, woede van lucht en zee en - erger nog - een schipbreuk bij Caphareus trotseren. Met dat triest verhaal wil ik u niet vermoeien, maar Griekenland zou toen zelfs Priamus tot tranen toe hebben bewogen! Maar ikzelf, gekoesterd door Minerva, de wapendraagster, werd uit zee gered. Toch werd ik daarna verbannen uit mijn stad, uit Argos, omdat Moeder Venus haar wrok om oude wonden niet vergat. Veel kwellingen moest ik opnieuw op zee doorstaan, veel ook te land met wapens, zoveel dat ik de mannen die bij al dat stormgeweld of bij die ramp rond kamp Caphareus waren omgekomen, dikwijls gelukkig prees en één van hen had willen zijn.


(XIV:483-511 Acmon en anderen worden veranderd in vogels)


Mijn makkers, die de grens van zeegevaren en gevechten hadden bereikt, verlangden rust, niet langer dat gezwerf, en Acmon, toch al heetgebakerd maar nu door die rampen wel erg verbitterd, zei:

Acmon: Wat, mannen, kan er nu nog zijn dat ons te zwaar valt? Wat kan Venus nu nog doen, gesteld al dat ze nog erger wil? Zolang een man iets ergers vreest, is ie nog kwetsbaar, maar wanneer het slechtste van het slechte zijn deel is, staat ie boven vrees, gehard voor ieder leed. Laat Venus mij maar horen, laat haar haat - want haten doet zij! - àl Diomedes' vrienden treffen, geen van ons die door haar haat geraakt wordt en dat is ons allerduurste wapen!

Diomedes: Met zulke woorden prikkelt Acmon, de Aetoliër, de toch al boze Venus, doet opnieuw haar woede stijgen. Ook wij, z'n vrienden, tonen weinig bijval. Het merendeel keurt Acmons woorden af, maar als hij zich wil gaan verweren, worden zijn stem en keelgat almaar dunner en zijn haar verdwijnt in dons, zijn nieuwgevormde nek, zijn borstgedeelte en rug zijn dichtgevederd, lange veren groeien aan zijn armen die tot lichte vleugels buigen bij de elleboog, een groot deel van de voet bestaat uit tenen en zijn mond loopt in een punt uit en is nu een stijve, harde snavel.


Verbaasd kijkt Lycus naar zijn vriend, verbazing ook bij Idas, Abas, bij Nycteus en Rhexenor, maar in hun verbazing worden zij zelf zo'n vogel en dan vliegt het grootste deel van mijn bemanning weg en scheert luid wiekend langs de riemen. Vraag je me nu welk soort van vogel, wel, dat staat niet vast, geen zwanen, maar wel wit en ook wel erg verwant aan zwanen. Ikzelf leid hier met weinig makkers een wat krap bestaan op dor Apulisch land, dat Daunus bij mijn huwelijk aanbood.


De creatie van de wilde olijf.

(XIV:512-526 De creatie van de wilde olijf)


verteller: Tot zover Diomedes. Dus zegt Venulus diens rijk vaarwel, reist langs Peucetia en komt in het gebied der Messapiërs. Aldaar ziet hij een grot, omschaduwd door dicht bos en lenig wuivend riet, woonplaats van Pan, de god met bokkenpoten, maar in vroeger tijd bewoond door nimfen die uit die landstreek voor een herder uit Apulië waren gevlucht. Hij had hun eerst een grote angst bezorgd, maar snel daarvan bekomen merkten zij dat hij geen kwaad deed, al bleef ie volgen, en lichtvoetig dansten zij weer voort, waarop de herder hen bespotte en met plompe sprongen ging nadoen en obscene boerenwoorden riep en pas zijn mond hield toen z'n keelgat door een boomstam werd omsloten, een oleaster, die ons met z'n sap z'n ware aard laat zien, omdat z'n bitter smakend ooft die boze spreektaal verbeeldt. De wrangheid van zijn woorden spreekt nu uit die vrucht.


(XIV:527-565 De transformatie van Aeneas' schepen)


Toen het gezantschap met de weigering van Diomedes bij Turnus terugkwam, zetten de Rutuliërs de strijd ook zonder deze bondgenoten voort. Aan beide zijden stroomde veel bloed. Kijk, Turnus werpt zijn houtbeluste fakkels reeds naar Aeneas' schepen. Wat door water was gespaard, wordt nu met brand bedreigd. Het vuur doet zich aan pek, aan was en ander vlammenvoer te goed, klimt langs de mast tot hoog de zeilen in, het scheepsdek boven de gewelfde kiel slaat uit van rook. Maar dan doet Cybele, de godenmoeder, bedenkend dat dat hout geveld is op haar Ida-berg, het luchtruim schallen van cimbaalmuziek en klanken van buxusfluit, en op haar leeuwenwagen rijdend langs de hemel roept ze Turnus toe:

Cybele: Uw hand is goddeloos, uw vuur vergeefs, want ik bescherm wat uit mijn bossen stamt! Nooit zal ik toestaan dat mijn hout door vretend vuur vergaat!

verteller: Er klinkt, als de godin dit zegt, een donderslag, gevolgd door zware regenval met kletterende hagelbuien. Astaeus' zoons, de Winden, roeren lucht en golvenzee opeens hoog opgezweept dooreen en voeren broederoorlog. De godenmoeder wendt de kracht van één der winden aan om van Aeneas' vloot de ankertouwen te verbreken. Zij jaagt de schepen voort, doet ze op volle zee vergaan, maar hun doorweekte hout verandert in een levend lichaam. De ronde achterstevens krijgen trekken van een hoofd, de riemen worden handen, voeten maken zwemgebaren. Wat scheepsflank was, blijft flank. De balk die onderlangs de kiel de romp in 't midden steunt, verandert nu tot ruggengraat. Zijmasten worden armen, touwen soepel vallend haar. De kleur blijft wat ze was: zeeblauw. Als blauwe waternimfen vermaken zij zich meisjesachtig in dezelfde zee die eerst hun grote schrik was. Uit hard bergboshout geboren zijn zij in soepel water thuis, hun oorsprong raakt hen niet. Maar niet vergetend hoeveel zeegevaren zij meermalen zelf hebben ondervonden, bieden zij een schip in nood nog vaak hun hulp aan, mits het niet beladen is met Grieken! Sinds Trojes val vervullen de Pelasgen hen met haat. Ja, met een blij gelaat hebben zij naar Odysseus' schipbreuk gekeken en met even blij gelaat het vaartuig van Alcinoüs met hout en al tot rotssteen zien verharden.


(XIV:566-580 De reiger is geboren uit Ardea's ruïnes)


Sinds dat Aeneas' vloot in waternimfen was veranderd, bestond de hoop dat Turnus door zo'n angstaanjagend teken de strijd zou staken, maar hij zet hem voort. Elk leger vecht met godenhulp en godgelijke moed. Het gaat niet eens meer zozeer om macht in Latium of om Latinus' dochter Lavinia. Men wil alleen nog winnen. Men voert oorlog omdat men zich voor vrede schaamt. Maar dan komt Venus' zoon toch zegevierend uit de strijd. Als Turnus valt, valt tevens de stad die machtig was door Turnus: Ardea. Zodra zij door vijandig vuur geveld en tot een lauwe ashoop vergaan is, vliegt er midden uit het puin een vogel op, nog nooit gezien. Al vleugelklappend schudt hij wolken as af. Zijn krijgsgeluid, zijn bleek en mager lijf en alles wat bij een gevallen vesting hoort, leeft in hem voort: een reiger. Genoemd naar Ardea, zijn stad, slaat hij met vleugels rouw.


Venus maakt Aeneas onsterfelijk.

(XIV:581-608 De vergoding van Aeneas)


Aeneas' dapperheid had alle goden en zelfs Juno ertoe gebracht hun oude wraaklust te beëindigen

. De macht voor zijn nog jonge zoontje Julus was gegrondvest. Voor Venus' held brak nu het tijdstip aan van hemelvaart. Venus was eerst de goden langsgegaan. Zij had haar vader omhelsd en hem gezegd:

Venus: Nog nooit hebt u mij, vaderlief, te streng bejegend. Wees nu minder streng dan ooit, ik smeek het, en gun Aeneas, die mijn eigen bloed is en daardoor uw kleinzoon, Jupiter, een plaatsje, hoe bescheiden ook - zolang u maar iets gunt - onder de goden. Hij verdient het sinds hij dat kille rijk bezocht, sinds hij de Styx bevoer.

verteller: De goden stemden in en zelfs de hemelse vorstin toonde geen strak gelaat, maar knikte vriendelijk, waarop de vader sprak:

Jupiter: Mijn kind, de godenstatus die je voor Aeneas vraagt, past hem zozeer als jou. Doe naar believen.

verteller: Verheugd om zijn genadig woord brengt zij haar vader dank, rijdt door het hoge luchtruim op haar duivenspan, totdat ze de kuststrook bij Laurentum nadert, waar Numicius tussen het riet zijn trage waderstroom naar zee laat glijden. Hij krijgt de opdracht alles van Aeneas wat met dood bedreigd wordt af te spoelen en stilstromend mee te nemen naar zee. De horendragende riviergod doet z'n werk naar Venus' woord: zijn water spoelt en reinigt wat Aeneas aan sterfelijkheid bezit. Het beste deel blijft voortbestaan. De moeder heeft het reine lichaam met een hemels reukwerk gezalfd, z'n lippen aangeraakt met ambrozijn, vermengd met zoete nactar, en een god van 'm gemaakt. Het volk bood 'm offers en een tempel aan en noemt hem Indiges.


(XIV:609-621 De opvolgers van Aeneas)


Venus: Nog nooit hebt u mij, vaderlief, te streng bejegend. Wees nu minder streng dan ooit, ik smeek het, en gun Aeneas, die mijn eigen Vervolgens werden Latium en Alba geregeerd door Ascanius - z'n tweede naam was Julus - en na hem kwam Silvius. Diens zoon ontving opnieuw de naam Latinus met de voorvaderlijke scepter. De vermaarde Alba volgde Latinus op, daarna kwam Epytus, toen Capys, voorganger dus van Capetus. Na hem kreeg Tiberinus de macht in handen. Hij verdronk in de Etruskische rivier die naar hem heet. Zijn zonen waren Remulus en Acrota, een felle vechter. Remulus, de oudste, wilde zich meten met de bliksem, maar werd door een schicht gedood. Veel minder trots gaf later Acrota de scepter aan Aventinus door, een krachtig man. Zijn graf ligt op de heuvel die zijn naam draagt en vanwaar hij altijd heerste.


Vertumnus en Pomona.

(XIV:622-697 Vertumnus is verliefd op Pomona)


Na hem regeerde koning Proca op de Palatijn en tijdens diens bewind woonde in Latium de boomnimf Pomona. Geen der nimfen ging bedrevener dan zij met planten om of had meer zorg voor groei en bloei van bomen. Vandaar haar naam. Zij geeft niet om rivieren, niet om bos, maar wel om tuin en gaard en rijkbeladen vruchtentakken, draagt ook geen zware jachtspies bij zich, wel een halfrond kapmes waarmee ze plantenwoeker snoeit of al te wilde groei van takken inkort of een boomschors openkerft om er een ent op vast te zetten die het vreemde boomsap opzuigt. Zij staat geen dorre droogte toe, maar sproeit de vezels van de vochtbeluste plantenwortels nat met stromend water. Dat is haar lust en leven. Venus' liefde zegt haar niets, integendeel: zij vreest opdringerige velddemonen en sluit haar moestuin af, weert ieder mannelijk contact. Wat hebben saters, dat danslustig jonge volk, of faunen met pijnboomslingers rond hun horens, niet gedaan om haar te winnen? Of Silenus, altijd jeugdig voor z'n jaren? Of Priapus, die dieven schrik aanjaagt door hun zijn mes of stijve lid te tonen?


Maar wie allen in verliefdheid versloeg, dat was Vertumnus. Toch had hij niet meer succes. Hoe dikwijls had ie zich vermomd, vaak als een stoere landman een korf met halmen torsend - echt een boer die heeft geoogst! - en dan weer wond ie verse plukken hooi tussen z'n haren. Dan leek het of ie het gemaaide gras net had gekeerd. Niet minder vaak had ie een harde zweep ter hand, zodat je zou zweren dat ie juist zijn moegewerkte stierenspan had losgekoppeld. Met een snoeimes was ie groentenkweker of wijnboer, met een ladder juist op weg naar appelpluk. Soms, met een zwaard, was ie soldaat, met hengeltuig een visser. Kortom, in velerlei gestalten vond iej steeds opnieuw een weg om haar te zien en van haar schoonheid te genieten. Zelfs deed ie 'ns, met om zijn hoofd een bontgekleurde doek, krom steunend op een stok en met een pruik van grijze krullen, een oude vrouw na die Pomona's fraai verzorgde tuin inliep, haar appels prees en riep:

Vertumnus: Jij bent de mooiste appel!

verteller: ...en haar na al die complimenten kuste (zoals nooit een echte oude vrouw zou kussen), in het gras ging zitten, gebogen opziend naar de breed gespreide takken, zwaar van najaarsooft. Zijn oog viel op een olm, waartegen druiven steun zochten. Olm en wijnstok prijzend om hun harmonie sprak hij:

Vertumnus: Kijk, als die boomstam niet gehuwd was met een wijnstok, zou ie hooguit nog aandacht trekken door zijn groene loof en kijk, die wijnstok die nu op 'm steunt en aan 'm vastzit, zou, als ie niet gehuwd was, naar de grond zijn omgeknakt. En toch wil jij niet leren van het voorbeeld van zo'n boom! Jij wilt je niet aan iemand binden, je ontvlucht de liefde! Ach, wilde je maar wel! Je zou meer minnaars moeten afslaan dan Helena ooit had, meer dan die bruid die de Lapithen tot vechten bracht, meer dan die huisvrouw van een held op sokken, Odysseus! Want zelfs nu, terwijl jij elke vrijer weert, zijn duizenden verliefd op jou, goden en stervelingen, halfgoden, elke faun uit dit Albaanse heuvelland! Toe, wees verstandig, kies een goede man en als je luistert naar wat een oude vrouw je raadt, ik die meer dan je denkt en meer dan ieder ander om je geeft: kies voor een bruigom die niet als iedereen is, neem Vertumnus en je krijgt mijn erewoord erbij: ik ken 'm beter dan de man zichzelf kent.


Hij zwerft niet op goed geluk de wereld door, maar koestert deze rijke grond. Niet als de meeste vrijers verlieft ie zich, zodra ie vrouwen ziet. Jij zult z'n eerste en laatste liefde zijn, aan jou alleen wijdt ie z'n leven. Bedenk daarbij dat ie nog jong is en gezegend met een eigen schoonheid, maar ook snel in allerlei gedaanten zich kan veranderen, in alles wat je 'm maar vraagt. En jullie hart gaat naar hetzelfde uit: dat hij de vruchten die jij hier kweekt altijd het eerst met blijde hand ontvangt, dat zegt toch iets? Maar nu verlangt ie niet zozeer naar vruchten die jij 'm plukt, geen sappenrijke planten uit jouw tuin, nee, nu alleen naar jou! Begrijp z'n hartstocht, doe alsof hij hier mijn mond gebruikt om jou te smeken wat ie wil, en hoed je voor de wraak der goden: Venus is afkerig van kille harten, Nemesis vergeet haar wraakzucht nooit! En om je extra bang te maken (want mijn hoge leeftijd heeft me heel wat geleerd), zal ik je iets vertellen wat heel Cyprus weet en wat ook jou wat minder wreed zal stemmen.


Anaxarete en Iphis.

(XIV:698-771 Anaxarete en Iphis)


Iphis, een zoon van arme ouders, had de dochter van het adellijk geslacht van Teucer zelf, Anaxarete, gezien. Dat zien had hem een liefdesgloed door heel z'n lijf doen voelen en na lange tweestrijd niet in staat zijn hartstocht verstandig te bedwingen, kwam ie nederig tot bij haar poort, wist daar haar voedster van zijn smartelijke liefde te spreken, smeekte hem niet hard te vallen daar het om de toekomst van het meisje ging, vroeg ook haar dienaressen vleiend doch dringend om eenieders toegenegen gunst en liet hen dan voortdurend liefdesbrieven aan haar brengen. Soms hing ie bloemenkransen, vochtig door zijn tranendauw, hoog aan haar deurpost, zakte daarna zijwaarts, zachtjes tegen de stenen drempel, scheldend op dat onbarmhartig slot. Maar wreder nog dan golfgeweld, wanneer de Wagenmenner gaat dalen, harder nog dan ijzer dat in Norisch vuur gestaald is, dan natuursteen dat diep in de bodem vastzit, lacht zij hem uit, versmaadt hem en vergroot haar hardheid nog met boze, trotse taal, haar minnaar elke hoop ontnemend. Niet opgewassen tegen dit gestadig folterend verdriet nam Iphis voor haar deur met deze woorden afscheid:

Iphis: Je wint, Anaxarete, en nu hoef je nooit meer haat voor mij te voelen! Vier maar vrolijk feest, zing voor Apollo je zegelied en krans je hoofd met stralende laurier! Jij wint, ik kies de dood. Je stalen hart kan zich verheugen en ongetwijfeld zal mijn liefde jou nog dwingen tot een beetje dankbaarheid: jij zult mijn dood een weldaad noemen! Weet wel dat ik door zelf te sterven ook mijn hart voor jou prijsgeef en dat ik dus een dubbel levenslicht moet missen! Maar niemand zal jou van mijn dood vertellen, nee, ikzelf zal jou geen twijfel laten, zelf zal ik hier nog te zien zijn, zodat jouw wrede blik zich aan mijn levenloze lichaam kan laven. Goden, als u 's mensen doen en laten aanziet, let dan op mij. Dat is het enige wat ik nog vraag. Maak dat men eeuwenlang nog van mij spreekt en tel de jaren die u mijn leven afneemt bij mijn nagedachtenis.

Vertumnus: Zo sprak ie. Zijn betraande ogen opslaand naar de voordeur die hij zo vaak met kransen had versierd, bond ie een koord, tot lus geknoopt, met bange arm hoog aan de deur en riep:

Iphis: Zal deze krans, wrede, gemene vrouw, jou wel bevallen?

Vertumnus: ...stak toen z'n hoofd erdoor, nog aldoor kijkend in haar richting, en liet zich hangen met verstikte keel - een droeve last. Z'n voeten bungelden en bonkten op de deur, alsof er een stil gekreun kronk. Toen men opendeed, bleek wat ie had gedaan. Geschreeuw bij 't personeel dat hem nog wilde redden - te laat - en naar z'n moeders huis bracht. Zij, een weduwe, klemde het levenloze lichaam van haar zoon dicht tegen haar borst aan. Na de woorden van een rouwend moederhart, na alle handelingen die bij droeve moeders horen, leidde zij ook de tranenrijke rouwstoet door de stad met op de baar zijn grauwe lichaam dat verbrand zou worden.


De weg, waarlangs de treurige processie voortging, liep dicht langs het huis van de genadeloze Anaxarete, wie nu de wraak des hemels wachtte. Zij vernam de kreten van rouwmisbaar en dacht, toch wel bedroefd:

Anaxarete: Ik wil die stoet eens zien.

Vertumnus: ...liep naar een open venster van de hoge zaal, maar nauwelijks zag zij Iphis buiten op de lijkbaar liggen of langzaam werd haar blik versteend, het warme bloed trok uit haar lichaam weg, bleekheid bekroop haar. Toen ze terug wou stappen, stond ze als vastgenageld. Toen ze poogde haar gelaat opzij te wenden, kon dat niet. Steeds verder werd haar lichaam, dat eerder al een hart van steen had, nu geheel van steen! En denk niet dat ik dit verzin, want Salamis bezit een tempel met een beeld van de beminde vrouw. Men spreekt van "de Venus die naar buiten kijkt". Dus, lieve nimf Pomona, onthoud dit, toon geen starre trots, ik smeek je, kies de man die jou bemint, dan zal geen nachtvorst ooit jouw vruchtenknoppen bederven en geen snelle wind je bloemen teisteren.

verteller: Nadat de god haar dit verteld had, zoals oude vrouwen dat doen, maar wel vergeefs, nam hij zijn jonge vorm weer aan, ontdeed zich van z'n vrouwentooi en stond daar voor Pomona niet minder stralend dan het zonlicht als het door een dek van wolken heen breekt en in volle glorie schijnt. Vertumnus, die eerst aan dwang dacht, had geen dwang meer nodig, daar de nimf nu met eenzelfde liefde voor dit godsbeeld was geslagen.


Oorlog en verzoening met de Sabijnen.

(XIV:772-804 Oorlog en verzoening met de Sabijnen)


Na Proca heerst Amulius met brute legerkracht in het Ausonisch rijk. Dan krijgt de oude Numitor de macht weer terug dankzij zijn kleinzoon. Op het feest van Pales wordt Romes stad gesticht. Een oorlog volgt met de Sabijnen en Tatius. Tarpeia, die de weg naar het Capitool verraden had, vindt een verdiende dood tussen de schilden.


Weer sluipen daar, als stille wolven, de Sabijnenzoons onhoorbaar naar de stadspoort die door Romulus met grendels hecht afgesloten is, om de door slaap bevangen stad te overvallen. Toch is één der poorten weer ontgrendeld zonder scharnier- of deurgeknars, en wel door Juno zelf. De enige die iets gemerkt heeft van het open poorthek is Venus, en zij zou het graag gesloten hebben, maar een god mag nooit herzien wat andere goden doen, dus roept zij hulp in van nimfen, de Ausonische Najaden, die een koele bron dicht bij de Januspoort bewonen. Deze gaan in op het verzoek van de godin: zij doen fonteinen uit al hun waterbronnen stromen, maar de open toegang van Janus' poort blijft nog bereikbaar, is nog niet versperd door het water. Daarom vullen zij hun rijke bron met zwavel, vuilgeel, maken met rokend pek de holle aderen goed warm en doen door dit soort krachten hete dampen werken, diep ondergronds, zodat hun bron, die eerst zo koud was als een Alpenbeek, nu zelfs voor vuur niet onderdoet in hitte! De houten deuren roken door dat vlammenheet gedrup. Juno heeft toch voor niets de poort geopend voor die stugge Sabijnen, want de nieuwe bron beschermt de stad van Mars zolang men niet paraat is. Dan, als Romulus als eerste een uitval heeft gedaan, als Romes bodem ligt bezaaid met lijken van Sabijnen én Romeinen, als het bloed van vaders en echtgenoten door het boze zwaard vermengd is, wil men de strijd toch staken, liever vrede dan alleen maar te vechten, en aan Tatius wordt koningsmacht verleend.


De hemelvaart van Romulus.

(XIV:805-828 De vergoding van Romulus)


Na Tatius bestuurde Romulus de beide volken volgens gelijke wetten. Toen sprak Mars - hij had zijn helm er zelfs voor afgezet - tot de oppergod van aarde en hemel:

Mars: Vader, dit is het tijdstip, nu het rijk van Rome hecht gegrondvest is en zich door één bestuurder laat regeren, beloften te vervullen die u mij ooit deed en waar uw kleinzoon recht op heeft: dat u 'm opneemt in de hemel. U hebt me 'ns tijdens een zitting van de godenraad - ik heb uw plechtig woord goed genoteerd in m'n geheugen - aldus beloofd: je zult één van je zoons geleiden naar de godenwoning. Laat die uitspraak nu vervulling krijgen.

verteller: De opperheerser heeft geknikt, de lucht is schuilgegaan in duister wolkendek, de aarde opgeschrikt door donder en bliksems. Mars begreep dat dit het ware sein was tot de hemelvaart, zoals beloofd, en zonder vrees besteeg hij z'n wagen, leunend op z'n lans, zweepte de paarden op onder het bloedbedekte juk, gleed steil omlaag de lucht door en landde boven op de bosbegroeide Palatijn waar Romulus als burger onder burgers vonnis velde voor het volk, maar plots werd opgetild. Z'n sterfelijk lijf verdween de ijle lucht in, als een loden kogel, afgeschoten met wijde slinger, almaar kleiner wordend op z'n vlucht. En toen verscheen een stralend hoofd, meer passend bij een godheid op hemeltroon, Quirinus' beeltenis in koningskleed.


De hemelvaart van Hersilia.

(XIV:829-851 De vergoding van zijn vrouw Hersilia)


Zijn vrouw, Hersilia, beweende hem reeds als verloren, toen Iris van de koninklijke Juno opdracht kreeg haar boogpad af te dalen om de weduwe een boodschap te brengen:

Juno en Iris: U, mevrouw, u die zo'n edel sieraad bent van Latium en het Sabijnse volk, u die met ere eerst echtgenote was van Romulus, nu van Quirinus, vergiet geen tranen meer. Al u uw echtgenoot wilt weerzien, leid ik u naar het bos dat op Quirinus' heuvel met zijn loof het heiligdom van Romes vorst beschaduwt.

verteller: Iris gehoorzaamt, glijdt langs haar gekleurde boog omlaag en meldt Hersilia de woorden zoals meegegeven. De vrouw durft nauwelijks, uit ontzag, haar blikken op te slaan, maar zegt:

Hersilia: Godin - ik weet geen naam om u mee aan te spreken, maar zeker bent u een godin - ja, leid mij, leid mij naar de plek waar ik mijn man kan zien! O, als ik dit nog éénmaal beleven mag, voel ik mij waarlijk zelf als in de hemel!

verteller: Direct daarop, geleid door Thaumas' dochter Iris klimt ze Romulus' heuvel op, waar plotseling vanuit de lucht een ster ter aarde daalt die aan Hersilia een lichtkrans van stralend haar verleent en haar hoog naar de hemel tilt. Zij wordt er opgevangen in de haar vertrouwde armen van Romes stichter. Mét haar lichaam wijzigt hij haar naam: hij noemt haar Hora, die nu de godin is naast Quirinus.


Intussen zoekt men wel naar wie een taak van zoveel zwaarte vervullen en zo'n grote koning goed vervangen kan. Fama, voorspelster van de waarheid, wijst de hoogvermaarde Numa als heerser aan. Hij, niet tevreden dat hij slechts de levensregels der Sabijnen kent en zeer leergierig, streeft naar het hogere en onderzoekt de aard der dingen. Die hang naar kennis doet hem Cures, zijn Sabijnse stad, verlaten en naar Croton gaan, gaststad van Hercules. Toen hij daar informeerde wie op Italiaanse bodem die Griekse stad gesticht had, kreeg hij van een oude man, een Crotonees die veel van vroeder wist, het volgend antwoord:

een Crotonees: De zoon van Jupiter bereikte met een rijke buit van Spaanse runderen na een vlotte vaart de kust van Lacinium. Terwijl zijn vee het malse gras afgraasde, verbleef hijzelf - zo zegt men - in het gastvrij huis van Croton, een machtig man, om uit te rusten van de zware tocht. Bij het afscheid zei ie:

Hercules: Als uw kleinzoons straks volwassen zijn, zal hier een stad staan.

een Crotonees: ...en wat hij beloofde, is gebeurd. Dat kwam door Myscelus. Hij was een Griek, zoon van Alemon uit Argolis, en bij de goden in die tijd geliefd. Eens, toen ie diep in slaap lag, boog de godheid met de knuppel over zijn bed en zei:

Hercules: Verlaat je vaders stad en zoek de kiezelrijke stromen van de verre Aesar op.

een Crotonees: ...hem dreigend met veel vreselijke dingen als hij niet zou gaan. Daarna zijn slaap en godheid tegelijk geweken. Hij, Myscelus, schiet overeind, herhaalt stil bij zichzelf wat hij zojuist gedroomd heeft en zit lange tijd in tweestrijd: de god zegt hem te gaan, maar de wet verbiedt hem te vertrekken, want doodstraf dreigt voor ieder die z'n vaderland verzaakt.


De lichte Zon had weer z'n stralend hoofd in de oceaan verborgen, zwarte Nacht haar sterrenhoofd weer opgestoken, toen in z'n slaap dezelfde god verscheen die hem opnieuw die opdracht gaf en dreigend sprak van straf als hij zou falen. In doodsangst nam hij het besluit toch maar voor huis en haard een nieuwe plek te zoeken, maar de mensen protesteerden. Hij werd zelfs aangeklaagd vanwege schending van de wet. Toen reeds bij eerste ondervraging, zonder één getuige, z'n schuld werd aangenomen, hief hij blik en handen op en riep in wanhoop:

Myscelus: U die door twaalf werken god mocht worden, breng mij, ik smeek u, hulp! U bracht mij ook tot deze daad!

een Crotonees: Het was vanouds gewoonte om met witte en zwarte steentjes vonnis te vellen: zwart gaf schuldig, wit onschuldig aan. Zo ook in dit geval: het jury-oordeel was niet gunstig, elk steentje dat de kille urn in viel, was zwart, maar toen diezelfde urn werd leeggeschud voor het tellen van de stemmen, bleek ieders steen van zwart in wit te zijn veranderd, en door Hercules' genade werd het toch een gunstig vonnis dat Myscelus de vrijheid gaf. Hij brengt aan Hercules, zoon van Amphitryon, zijn dank, en vaart op goede winden het Jonisch zeevlak over, langsTarente, een kolonie van Sparta, dan langs Sybaris en langs het Sallentijnse Neretum, en de Sirisbaai, Crimisa en de velden van Japyx. Na veel moeizaam zwerven door die kustgebieden vindt hij dan toch de door het lot bedoelde monding van de Aesarstroom en dicht daarbij het aarden graf met Crotons gewijde resten. In die streek sticht hij, volgens bevel, de stad die hij de naam geeft van de daar begraven Croton.


Dit is de in de volksmond overtuigende verklaring van Crotons ligging in het Italiaanse grondgebied.