Home / Index M. / De Metamorfosen / Episode 7 - De Metamorfosen

Episode 7 - De Metamorfosen

In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische gedaantewisseling (metamorfose) ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.

Opvallend is dat Ovidius de goden niet als verheven afschildert, maar als gewone mensen met ieder hun eigen zwakten en amoureuze verlangens. Ovidius schreef de Metamorfosen echter wel volledig in de dactylische hexameter, de traditionele versvorm voor een epos.

Beluister episode 7 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van episode 7.

Krijn ter Braak De verteller
Elisabeth Andersen Bacchant
Sigrid Koetse Bacchant
Marieke van Leeuwen Bacchant
Roos Ouwehand Bacchant
Marlies Heuer Eerste dochter van Minyas
Aus Greidanus jr. Pyramus
Maike Meijer Thisbe
Jacqueline Blom Tweede dochter van Minyas
André van den Heuvel De Zon
Elisabeth Andersen Clytië
Chiara Thissen Leucothoë
Kathenka Woudenberg Derde dochter van Minyas
Marieke van Leeuwen Zuster van Salmacis
Gusta Teengs Gerritsen Zuster van Salmacis
Roos Ouwehand Salmacis
Porgy Franssen Hermaphrodytus
Auteur: Ovidius
Vertaling: M. d'Hane-Scheltema
Bewerking en regie: Peter te Nuyl
Inspiciënt: Leo Knikman
Omroep: NPS
Uitgezonden door de: VPRO
Deze episode is uitgezonden op: 20-10-1997

Het script van episode 7.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Vorige week hoorden hoe de Bacchuscultus bezit nam van Griekenland. Koning Pentheus verzette zich tegen de nieuwe riten en hij opende de jacht op de nieuwe god, maar toen Pentheus Bacchus gevangen wilde nemen, werd ie door hysterische Bacchanten (nota bene z'n eigen moeder en haar zusters) voor een zwijn aangezien en verscheurd. Maar niet iedereen geeft zich over aan de extase van de nieuwe eredienst.

(IV, 1-30 Het Bacchusfeest)

verteller: Toch vindt Alcithoë, dochter van Minyas, de feestroes omtrent die god onduldbaar. Ja, ze heeft nog steeds het lef Bacchus geen zoon van Jupiter te noemen en haar zusters steunen haar in haar ongeloof. De Bacchuspriester had huismoeders en slavinnen van hun taken weggeroepen om feest te vieren, dierenvellen om de schouders en haarbanden los, en zich te kransen en de groene thyrsus ter hand te nemen. Als de god gekrenkt was, zou z'n toorn verschrikkelijk zijn, aldus de priester. Jonge en oude vrouwen laten gehoorzaam weefgetouw en wolmand in de steek voor wierookoffers.

stemmen: Bacchus!

verteller: ...klinkt het.

stemmen: Bromius!, Lyaeus!, in vuur verwekte god, u, enige twee-moeders-zoon, tweemaal geboren! God van Nysa! Langgelokte zoon van Thyone!...

verteller: ...en...

stemmen: ...Lenaeus!, u die feestelijke wijn laat rijpen!, Nachtgod!, Vader Eleleus!, Iacchus!, Euhan!

verteller: En al die namen die er verder bij de Grieken zijn voor Dionysus.

stemmen: U! Uw jeugd is nooit voorbij: voor eeuwig blijft u een jonge god, de schoonste die in 't hemelrijk te zien is. Uw gelaat is meisjesachtig mooi, wanneer u zich zonder hoorns toont. Het Oosten ligt voor u geknield tot waar de verre Ganges 't donker India bevochtigt. Godslasteraars als Pentheus, als Lycurgus met zijn bijl hebt u, vereerde god, verdelgd. Tyrrheense zeelui joeg u de zee in. U bestuurt een lynxenspan en trekt de fraai versierde teugels langs hun nek. Bacchanten, saters dansen achter u aan. Silenus, oude dronkaard, wankelt op zijn stok of hangt onzeker op een doorgezakte ezel. Alom waar u, o Bacchus, komt, klinkt het gejuich der jeugd vermengd met vrouwenkreten, klinkt het slaan op tamboerijnen, klinken ook holle bekkens en de lange houten fluit.

(IV, 31-54 De dochters van Minyas verwerpen Bacchus)

verteller: In Thebe ook:

stem: Wees ons genadig!

stemmen: Wees ons genadig. Kom!

verteller: ...roepen de vrouwen, en offeren zoals bevolen.

Slechts de dochters van de koning, Minyas, zijn thuis. Met overdreven ijver ontwijden zij het heilig feest, spinnen en spoelen wol, zitten aan het weefgetouw en geven hun slavinnen orders. Dan oppert één van hen, en handig legt ze met haar duim de woldraad om:

Arsippe: Terwijl die anderen nietsdoen en hun godheid vol leugens vieren, dienen wij een betere godin, Pallas Athene. Laten wij ons nuttig handwerk wat verlichten met praten en om beurten een verhaal vertellen dat de uren korter maakt en onze oren iets te doen geeft.

verteller: Haar zusters stemmen ermee in. Zij mag het eerst vertellen. Ze peinst wat ze zal kiezen, want ze kent heel veel verhalen en twijfelt over een verhaal uit Babylonië, hoe Dercetis volgens de Palestijnen in een vis veranderd werd, vol schubben, en daar rondzwom in een meer, of hoe Semiramis, haar dochter, vogel was geworden, haar laatste jaren slijtend in een witte duiventil, of hoe een waternimf met toverspreuk en wonderkruiden kerels in volle bloei tot stomme vissen toverde, totdat zijzelf hetzelfde werd, of hoe een boom met eerst blankwitte vruchten zwarte kreeg door het spatten van veel bloed. Ja, dat is leuk, temeer daar het geen wijd bekend verhaal is. En zo begint ze dan, terwijl de wol haar draad vervolgt.

(IV, 55-92 Arsippe vertelt het verhaal van Piramus en Thisbe)

Arsippe: Thisbe en Piramus, hij, knapste aller jonge mannen en zij, het schoonst van alle meisjes die het Oosten had, woonden vlak naast elkaar, daar waar Semiramis - zo zegt men - de hooggebouwde stad met baksteenmuren heeft omringd. Zij waren buren en dat bracht een eerste kennismaking en op den duur verliefdheid. Zelfs een huwelijk zou gevolgd zijn, maar nee, hun vaders weigerden. Toch kon die weigering niets afdoen aan een even diepe gloed in beider hart. Geen mens die het wist. Ze spraken door een knik of door gebaren, maar juist verborgen liefde groeit hoe meer men haar verbergt. Nu zat er in de binnenmuur tussen die beide huizen een dunne spleet, reeds bij het bouwen van het huis ontstaan. Dit mankement, aan niemand al die jaren opgevallen, werd snel ontdekt door de gelieven. Liefde maakt niet blind! Zij maakten er een spreekbuis van en regelmatig klonken er zacht gesproken liefdeswoorden veilig door die spleet. En vaak, bij zo'n gesprek, hier Piramus en daar zijn Thisbe, als het gefluister van hun mond om beurten was verstaan, riepen zij:

Thisbe/Piramus: Jij, jaloerse muur! Wat zit je minnaars dwars? Laat ons toch met ons hele lichaam samen kunnen zijn. Of, als dat jou te ver gaat, wijk dan wijd genoeg voor kussen. Toch zijn wij niet ondankbaar. Wij bekennen dat door jou een weg gebaand is om verliefde oren te bereiken.

Arsippe: Na dat soort woorden, vruchteloos, vanaf gescheiden post, zeiden zij 's avonds welterusten en bedekten ieder hun muur met kussen die niet reikten naar de overzij. Maar op een dag - de nachtelijke sterren zijn verjaagd door Aurora, het bedauwde gras is door de zon gedroogd - komen zij op hun vaste plek en na veel zacht geuite klaagzangen maken zij een plan om in de stille nacht hun huisbewakers te misleiden, door de poort te sluipen en als ze het huis uit zijn, ook nog de stadspoort door te gaan om daar, zonder nog verder door het veld te hoeven dwalen, elkaar te zien bij het graf van Ninus, in de schaduw van een boom, en wel een rijk beladen boom met witte vruchtjes, een hoge moerbeiboom, met vlak ernaast een koele bron. Dat plan lijkt prima en de zon, die traag lijkt weg te zakken, duikt eindelijk de zee in. Uit dezelfde zee stijgt nacht.

De dood van Piramus

(IV, 93-127 De dood van Piramus)

Behendig glipt in het donker, na het schuiven van de grendel, Thisbe naar buiten. Niemand ziet haar. Met gesluierd hoofd vindt zij het graf en zet zich bij de moerbeiboom te wachten. Door liefde denkt ze niet aan angst. Daar nadert een leeuwin, de kaken schuimend en nog vers besmeurd met bloed van ossen, op weg haar dorst te lessen in een bron daar in de buurt. Thisbe van Babylon ziet haar van verre in het maanlicht en zoekt met bange voet haar toevlucht in een donkere grot. Terwijl zij vlucht, voelt ze haar sluier van haar schouder glijden. Als de leeuwin haar dorst met grote slokken heeft gelest en terugkeert naar het bos. stuit zij bij toeval niet op Thisbe maar op die sluier, tere prooi voor die bebloede muil.

Piramus, later weggegaan, ziet in het mulle zandpad het voetspoor van een leeuw - geen twijfel aan - en zijn gelaat verbleekt geheel. Maar als hij ook de bloedbevlekte sluier ontdekt, roept hij:

Piramus: Eén nacht jaagt twee gelieven in de dood, en van die twee had zij nu juist verdiend heel lang te leven. Ik ben de schuldige. Ik stortte jou in het ongeluk, omdat ik je in het donker naar een plek zo vol gevaren liet komen en je er zelf niet eerder kwam! Ai, leeuwen, ruk mij maar aan stukken. Vreet mijn zondig vlees met wrede kaken. Kom maar tevoorschijn uit de grotten van dit rotsgebied. Maar nee, het is laf de dood te roepen!!

Arsippe: En hij pakt de sluier van Thisbe op, loopt naar de schaduw van de moerbeiboom, stort tranen op dit lang vertrouwde kledingstuk en kust het, en zegt nog:

Piramus: Hier, drink nu dan ook de stromen van mijn bloed.

Arsippe: ...en heeft het zwaard dat aan zijn zij hing in zijn buik gestoken, trok het direct daarna reeds stervend uit de warme wond en lag zieltogend op de grond. Het bloed spoot hoog naar buiten, zoals wanneer een waterleiding, als het lood niet deugt, stukbarst en door een sissend scheurtje lange stralen water naar buiten spuiten en de lucht doorpriemen, stoot op stoot. De vruchten aan de takken werden door de bloedfonteinen donker van kleur, de wortels, diep doortrokken van het vocht, kleurden het hangend moerbeifruit met donkerrode tinten.

(IV, 128-166 De dood van Thisbe)

Dan, trillend nog van schrik, maar om op tijd te zijn voor hem, keert Thisbe terug. Zij zoekt haar minnaar met verliefde ogen, wil hem vertellen wat voor dreiging zij heeft overleefd. Ze weet dat hier de plek is, zij herkent de moerbeitakken, maar door de kleur der vruchten aarzelt zij. Is dit 'm wel? En dan, in twijfel nog, ziet ze, stuiptrekkend in een bloedplas, een lichaam, wijkt wat stappen terug en met doodsbleek gelaat, bleker dan buxushout, trilt ze opeens, zoals het zeevlak siddert wanneer een lichte wind over het water strijkt. Wanneer ze na die eerste schrik haar eigen lief herkend heeft, beukt ze met luid misbaar en onverdiend haar schouders beurs, rukt zich de haren uit, werpt zich op dat geliefde lichaam en stort haar tranen in zijn wond. Haar tranen en zijn bloed vloeien ineen. Ze overdekt zijn koud gelaat met kussen, roepend:

Thisbe: O, Piramus, welk onheil nam jou van mij weg! Piramus, antwoord dan, het is je teerbeminde Thisbe die roept. Toe, luister dan en hef je hoofd wat van de grond.

Arsippe: Bij Thisbes naam sloeg Piramus zijn stervenszware ogen nog op, keek haar nog éénmaal aan en sloot ze voor altijd. Toen zag zij ook haar sluier, zag ook zijn ivoren schede, waarin geen zwaard stak.

Thisbe: Arme lief, jouw hand...

Arsippe: ...zo riep ze uit...

Thisbe: ...jouw liefde bracht aan jou de dood. Hier, ook mijn hand heeft kracht voor zo'n zelfde daad. Ook ik heb lief, dat geeft mij stervenskracht. Ik zal je volgen in de dood, ik zal jouw droeve noodlot en lotgenoot worden genoemd. Eerst kon alleen de dood jou van mij scheiden en nu kan de dood zelfs dàt niet meer. Toch heb ik, sprekend voor ons beiden, nog een laatste vraag aan mijn maar ook aan Piramus' zo diep bedroefde vader. Wij waren één in liefde, één tot op ons laatste uur. O, sta ons toe ook in éénzelfde graf vereend te blijven en laat de boom die met zijn loof nu nog van één van ons het trieste lichaam overdekt - en spoedig van ons tweeën - voorgoed de tekens van ons sterven tonen in zijn vrucht: rouwkleurig zwart, ons beider bloed ter nagedachtenis.

Arsippe: Met deze woorden richtte zij de zwaardpunt op haar borst en stortte zich in het ijzer dat nog warm was van zijn sterven. De goden hebben haar gesmeek verhoord, hun vaders ook, want als de moerbei rijp is, is ze zwart. En wat de vlammen van hen tot as hebben verbrand, rust samen in één urn.

Mars en Venus

(IV, 167-189 Leuconoë's verhaal: Mars en Venus)

verteller: Dit was het eind van haar verhaal. Na korte pauze ging Leuconoë vertellen en haar zusters luisterden.

Leuconoë: Ook hij die alles koestert met zijn hemels licht, de Zon, was eens verliefd. Over die zonneliefde wil ik spreken. Hij was de god, zegt men, die het overspel van Mars en Venus het eerst ontdekte - want de Zon ziet alles steeds het eerst - en er vertoornd om werd. Aan Venus' echtgenoot Vulcanus verklapte hij dit bedbedrog en waar dat bed was. Hij, uitzinnig kwaad, stoot het kunstwerk dat hij zat te smeden opzij en ging direct ragdunne bronzen kettingen, netten en klemmen fabriceren, van zo'n fijnheid dat ze onzichtbaar leken. Zelfs het dunste weefsel kon dit werk niet overtreffen, zelfs geen spinnenweb hoog aan een balk, en zo gemaakt dat ze bij licht bewegen of contact in werking traden. Kunstig heeft hij ze bij het bed verstopt en toen zijn vrouw haar minnaar in datzelfde bed ontving, werden zij in het vuur van hun omhelzing klemgezet dankzij die nieuw bedachte kooi, dat kunstwerk van haar man. Vulcanus gooide snel de witivoren deuren open en riep de goden binnen. Daar, verstrikt in schande, lag het paar te kijk. En toch zou menig vrolijk opperwezen ook graag die schande smaken. Alle goden proestten het uit en lange tijd was dit hét topgesprek in godenkringen.

(IV, 190-213 De wraak van Venus)

Maar dan neemt Venus wraak voor dit verraad, een wraak die heugt, want hij, Hyperions zoon, de Zon, die haar geheime liefde verklikt heeft, wordt nu met gelijke liefde afgestraft. Wat baat 'm nu nog z'n gouden glans, z'n krans van stralen, want hij die alle landen met z'n vuur verhit, wordt zelf door gloednieuw vuur verzengd. En hij die altijd alles zien moet, ziet slechts Leucothoë en richt z'n blik die het heelal beschijnen moet alleen nog op dat meisje, komt soms ook te vroeg in 't oosten op of duikt te laat de oceaan in en maakt de winteruren langer door te blijven kijken. Soms zelfs verdwijnt hij in een floers. Dan tast de liefdeskwaal zijn ooglicht aan, verduistering die mensenharten bang maakt. Maar deze keer is het geen maan die tussen aarde en zon in dringt, het is verliefdheid die hem nu zo vaal doet zijn. Hij denkt alleen aan haar, geen ander raakt 'm, Rhodos niet, noch Clymene en ook niet Circes moeder die zo mooi is, nee, zelfs niet Clytië, die steeds, hoewel hij haar niet wil, hem vraagt zijn bed te mogen delen, en nu juist die dagen wel heel diep wordt gewond. Leucothoë jaagt elke vrouw uit z'n gedachten weg. Haar moeder was ook al de mooiste, Eurynome, in 't geurrijk oosten, maar haar dochter bleek, eenmaal volwassen, mooier dan die allermooiste moeder. Haar vader Orchamus was vorst van Perzië, in lijn de zevende sinds Baäl het geslacht in oertijd stichtte.

De transformatie van Leucothoë

(IV, 214-255 De transformatie van Leucothoë)

De zonnepaarden grazen aan de westelijke kim. Hun voer is ambrozijn in plaats van haver. Daardoor krijgen hun moede leden nieuwe kracht na het werk van overdag. Terwijl de dieren daar dus van hun hemels maal genieten en nacht haar werk doet, treedt de Zon, in de gedaante van Eurynome, haar moeder, bij zijn lief de kamer binnen en ziet hoe daar bij lamplicht zijn Leucothoë met twaalf slavinnen bezig is de gladde woldraad rond te spoelen. En na een lieve moederkus, wat bij je dochter mag, zegt hij:

de Zon: Ik heb een klein geheim. Meisjes, wil even weggaan? Gun mij een moederlijk gesprek en laat ons hier alleen.

Leuconoë: Ze gaan de kamer uit. En nu er niemand bij is, zegt hij:

de Zon: Ik ben de god die ieder jaar een lange baan beschrijft, die alles ziet, maar ook door wie de wereld alles zien kan, het oog van het heelal. Ik ben verliefd op jou, geloof me.

Leuconoë: Ontsteld laat zij van angst de spoel met wol uit handen vallen, maar ook de schrik flatteert haar. Hij bedenkt zich nu niet meer, neemt weer z'n ware vorm aan en z'n dagelijkse schoonheid, en het meisje geeft zich, nog wat bevend door z'n plotse komst, zonder bezwaar aan goddelijke lust en schoonheid over. Dit nu maakt Clytië jaloers. Haar liefde voor de Zon was mateloos geweest. Uit haat jegens haar mededingster spreekt zij rondom van...

Clytië: Onfatsoenlijk overspel!

Leuconoë: ...en doet het de vader ook ter ore komen. Woedend en hardvochtig duwt die Leucothoë, die smekend met de handen naar de zon gestrekt nog uitroept:

Leucothoë: Hij daar dwong mij en ik moest wel!

Leuconoë: ...een diepe kuil in die hij toedekt met een hoop zwaar zand. Haar minnaar veegt dat met z'n stralen weg en maakt z'n doorgang, opdat zij haar gelaat nog uit het graf zou kunnen tillen, maar zij, de nimf, is al niet meer in staat het hoofd te heffen. Het zand is haar te zwaar geweest. Ze ligt er levenloos.

Ze zeggen dat de menner van het vliegend zonnespan nooit sinds het vuur van Phaeton zo droevig heeft gekeken. Hij deed nog wel z'n best haar koude lichaam door de kracht van zijn stralen weer tot levenswarmte terug te roepen, maar omdat het voorbeschikte lot die pogingen deed falen, sprenkelde hij een geur van nectar op haar graf en zei, na lange dodenklacht:

de Zon: Toch zul jij naar de sterren reiken.

Leuconoë: Haar lichaam, diep doordenkt van hemels nectarvocht, vervloog terstond. De grond werd van die geur doortrokken. Langzaam groeide een wierookstruik omhoog, wortelend in het zand, en stak dwars door de aarden heuvel van haar graf zijn kruin naar boven.

(IV, 256-273 Clytië wordt getransformeerd in de heliotroop)

Maar Clytië, hoezeer ook haar verraad door hartepijn en hartepijn door liefde werd verklaard, is door de lichtgod nooit meer bezocht. Hij wees haar liefde af, voor eens en al. Sindsdien kwijnde zij weg, verdwaasd door zielsverdriet, afkerig van andere nimfen. Dag en nacht zat ze in het open veld op kale grond, de haren slordig en niet opgebonden. Zo, zonder eten, zonder water, negen dagen lang, voedde zij zich uitsluitend nog met dauw en eigen tranen, verroerde zich niet van de grond, steeds starend naar het gelaat van die god die langs de hemel ging. Haar blik bleef 'm steeds volgen. Zo is zij - zegt men - met de grond vergroeid en voor een deel verging haar bleke lichaam tot een bloedeloze stengel. Een ander deel bleef rood, haar hoofd werd in een bloem gehuld die op een violier lijkt. En hoe stevig ook geworteld, zij richt zich naar haar Zon en blijft als bloem haar liefde trouw.

(IV, 274-316 Alcithoë vertelt het verhaal van Salmacis)

verteller: Ze zweeg. Dit wonderbaarlijk voorval hield hen allen bezig. De een riep dat dit nooit gebeurd kon zijn, een ander zei dat echte goden alles kunnen. "Bacchus ook?" "Nee, Bacchus niet." Wanneer de zuster zwijgen, neemt Alcithoë het woord en zegt, terwijl haar weefstok op en neer gaat door de draden van het doek:

Alcithoë: De liefde van de herder Daphnis bij de Ida, hoe hij in steen veranderd werd, omdat een nimf jaloers was op z'n vriendin - zo furieus gaat liefdespijn tekeer - is welbekend, dus daarvan spreek ik niet. Ook niet van Sithon, die man en vrouw was om de beurt, iets nieuws in de natuur. Ook Celmis sla ik over - eens toen Jupiter nog klein was diens trouwste oppas, nu van staal - en al dat priestervolk dat aan een donderwolk ontsproot, of Crocus en zijn Smilax die bloempjes werden. Mijn verhaal is onbekend, maar boeiend.

De bron van Salmacis is erg berucht. Haar heilloos water schaadt, ja, verwijft degene die het aanraakt. Iedereen weet van die bronkracht, maar de oorzaak kent men niet. Dus luister.

Een zoon van Hermes en de goddelijke Aphrodite werd grootgebracht door nimfen in de grotten van de Ida. Z'n vader en z'n moeder waren in z'n uiterlijk heel goed herkenbaar. Ook z'n naam ontving hij van hen beiden: Hermaphroditus.

Toen ie zestien jaar was, trok ie weg uit het bergland van zijn jeugd. Hij liet zijn voedster Ida achter om onbekende streken op te zoeken, onbekende stromen te zien. Zijn reislust maakte zware tochten licht. Zo kwam ie ook in Lycië, toen bij de Cariërs, buren van Lycië, en daar ontdekte ie een vijver met tot op diepe bodem helder water, geen moerasriet, nergens onvruchtbaar helmgewas, geen scherpe stoppelpunten, slechts puur doorschijnend nat. Wel is de vijverrand bekranst met fris gegroeide pollen en voortdurend groene grassen. Er woont een nimf die niet om jagen geeft, die niet gewend is de boog te spannen of om het hardst te rennen. Van de nimfen is zij de enige die door de jagende Diana nooit wordt gezien. Haar zusters - zegt men - hadden vaak geroepen:

zusters: Toe, Salmacis, pak 'ns een speer! Hang ook een kleurige pijlkoker om. Breek met je luiheid door 'ns flink te jagen.

Alcithoë: Zij grijpt geen speer, hangt geen gekleurde pijlenbundel om en wil niet met haar luiheid breken door 'ns flink te jagen, maar poedelt graag haar fraaie leden in haar eigen bron, kamt keer op keer haar lokken met een kam van buxushout en kijkt dan in de waterspiegel wat het beste staat. En dikwijls hult ze zich in fijn doorschijnende gewaden, strekt zich dan uit in het zachte gras op zachte bladeren en vaak ook plukt ze bloemen. Op een dag, tijdens het plukken, zag ze die jongen en dat zien riep haar begeerte op.

(IV, 317-345 Salmacis valt voor Hermaphroditus)

Snel wou ze op 'm af gaan, maar dat deed ze pas nadat ze zich mooi had opgemaakt, haar kleed omzichtig had geschikt, een lief gezicht gezet had en er uitzag als een plaatje. Toen riep ze hem.

Salmacis: Zeg, jonge god, want in mijn ogen ben je een god, als ik gelijk heb moet je Cupido wel wezen. Als je een mens bent, hoe gelukkig zijn je ouders dan. Hoe heerlijk voor je broer. Wat is je zuster dan bevoorrecht, als je een zuster hebt, of zij die ooit je voedster was. Maar veel gelukkiger dan al die anderen is het meisje dat jouw verloofde heten mag, dat jij ten huwelijk leidt. Als zij bestaat, moet mijn verliefdheid goed verborgen blijven. Bestaat zij niet, neem mij dan, deel je huwelijksbed met mij.

Alcithoë: Hier zweeg de waternimf. Een blos trok langs zijn jongenswangen. Hij had nog nooit bemind. Maar ook het blozen stond 'm goed. Hij kreeg de kleur van appels aan een zonbeschenen boomtak, of van geverfd ivoor, of van de maan waarvan de glans soms rood verduistert ondanks hulp van holle koperklanken. Maar toen de nimf op kussen aandrong, ongeremd, desnoods kussen van broer tot zus, z'n witivoren nek omarmend, riep hij:

Hermaphroditus: Hou op, of ik verlaat jou, en het bos erbij!

Alcithoë: Wat Salmacis verschrikt deed zeggen:

Salmacis: Lieve vriend, ik laat je hier graag je gang gaan.

Alcithoë: En ze trok zich terug, of deed alsof. Ze hield 'm steeds in 't oog en zocht een schuilplaats in de struiken, waar zij gebukt in wegdook en geknield bleef zitten. Hij, als iemand die zich onbekeken voelt in 't vrije groen, liep eerst wat in het rond, tipte toen met z'n voeten in het kabbelende water, tenen eerst, dan tot de enkels, en door de aangename temperatuur daarvan trok ie al snel z'n zachte kleren uit. Z'n jongenslichaam maakte meer indruk nog dan eerst.

Salmacis en Hermaphroditus versmelten

(IV, 346-388 Salmacis en Hermaphroditus versmelten)

Salmacis gloeit, verlangend naar z'n naakte schoonheid, en haar nimfenogen worden vurig als felle zon wanneer die met z'n stralend witte bol weerkaatst wordt in een spiegel met een vlammend tegenbeeld. Ze kan maar amper blijven zitten, amper wachten met haar lust. Ze wil 'm nu bezitten. Half verdwaasd beheerst ze zichzelf met moeite. Dan, pijlsnel duikt hij de vijver in, de vlakke handen strak tegen 't lichaam aan en zwemmend glinstert hij door het helder water. 't Is precies alsof iemand een kunstwerk van ivoor of blanke lelies afdekt met helder glas.

Salmacis: Nu heb ik hem! Ik heb gewonnen!

Alcithoë: ...roept ze, gooit al d'r kleren uit, begeeft zich in haar eigen vijver, omarmt 'm, ondanks zijn verzet, kust 'm tegen z'n zin, streelt met haar handen onder water langs die tors vol onwil. Ze klemt zich steeds nu links, dan rechts tegen de jongen aan en houdt 'm, hoe die ook mag tegenstribbelen en rukken hecht in haar greep, precies een slang die door een adelaar is meegeroofd, de lucht in, en al hangend kop en poten omkronkelt en z'n brede vleugels insnoert met haar staart, of zoals klimopranken zich om hoge stammen winden, of in de zee een octopus zijn tegenstanders vangt en vastklemt in zijn rondom uitgestoken zuignaparmen. Toch blijft Hermaphroditus koppig, hij onthoudt de nimf de lusten die ze najaagt. Klemmend met haar hele lichaam, waar ze maar omklemmen kan, verwijt ze hem:

Salmacis: Jij slechtaard! Hoe je ook vecht, je komt niet los! O, hemelgoden, geef dat hij geen dag meer zonder mij is, of ik zonder hem!

Alcithoë: Haar wens vond weerklank bij de goden, want ze groeiden samen en werden één persoon uit twee, kregen ook één gezicht. Als iemand takken op elkaar ent tussen boomschors, zie je hoe ze zich samenvoegen, zich gelijk ontwikkelen. Zo ook bij hen. Aaneengeklit in stevige omhelzing zijn zij geen tweetal, maar een dubbel wezen dat noch vrouw noch man kan heten. Het lijkt allebei en geen van beiden. Hermaphroditus, merkend dat de bron waar hij als man was ingedoken hem tot halve man gemaakt heeft en tot halve vrouw, smeekt met z'n handen hemelwaarts en met geen echte mannenstem meer:

Hermaphroditus: Vader, moeder, ik, uw zoon die uw beider namen draagt, ik vraag u, schenk mij deze gunst: dat elke man die in dit meer gaat zwemmen er weer uitkomt als halve man, dat hij, zodra hij water voelt, verwijft.

Alcithoë: Het ouderpaar vervulde voor zijn zoon, dat dubbelwezen, de wens en gaf het water een verdorven wonderkracht.

(IV, 389-415 De dochters van Minyas worden vleermuizen)

verteller: Aldus klonk haar verhaal.

Minyas' dochters blijven almaar aan het werk, zich niet bekommerend om Bacchus en z'n feest, als plots luidruchtig tamboerijngeroffel uit de verte hen overstemt en kromgehoornde toeters hoorbaar zijn en rinkelend slagwerk, onder geuren van saffraan en mirre, waarop hun weefgetouw - 't is ongelooflijk - groen verkleurt en het doek van hoog tot laag bebladerd wordt met klimopranken. Een deel ervan wordt wijnstok, wat zo-even woldraad was groeit nu in takken uit, de scheringdraad verdwijnt in wijnblad, de purperen wolverf geeft aan druiventrossen paarse gloed. Het daglicht was alweer aan het donkeren. Het was het tijdstip waarop je niet van duisternis kunt spreken noch van dag, maar eer van scheiding tussen aarzelende dag en avond. Opeens lijkt het paleis te schudden. Vette walm stijgt uit de olielampen op, een rosse gloed doortrekt de zalen, er klinkt gehuil van wilde spookgedaanten. Maar dan zijn de zusjes al in rokerige hoeken weggeschoten, vluchtend van het naar der om brand en vuurgloed te ontgaan. Terwijl ze zoeken naar een donkere plek, trekt langs hun armen een vlies, een dunne vleugel dekt wat nu hun pootjes zijn. In 't donker is 't niet goed te zien hoe ze hun meisjeslichaam zijn kwijtgeraakt. Ze missen vlerken om te vliegen, maar kunnen zich wel verheffen op doorschijnend dunne vleugels. Als ze iets willen zeggen, klinkt hun stem heel zwak, ook in verhouding tot hun lichaam. 't Is een licht en piepend klagen. Ze zoeken liever huizen op dan bossen en vliegen 's nachts, uit haat voor daglicht. Ook hun naam duidt op de late avond.