Episode 9 - De Metamorfosen
In de Metamorfosen schetst Ovidius het leven van de klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren, die telkens een dramatische gedaantewisseling (metamorfose) ondergaan. Enkele voorbeelden zijn de verandering van de nimf Daphne in een laurierboom, de gedaanteverwisseling van de jager Actaeon in een hert nadat hij de godin Diana naakt zag.
Opvallend is dat Ovidius de goden niet als verheven afschildert, maar als gewone mensen met ieder hun eigen zwakten en amoureuze verlangens. Ovidius schreef de Metamorfosen echter wel volledig in de dactylische hexameter, de traditionele versvorm voor een epos.
Beluister episode 9 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een episode.
De rolverdeling van episode 9.
| Krijn ter Braak | De verteller |
| Hein van der Heijden | Phineus |
| Peter Blok | Cepheus |
| Hans Dagelet | Idas |
| Aus Greidanus jr. | Pedagus |
| Porgy Franssen | Halcyoneus |
| Adriaan Olree | Perseus |
| Dick van den Toorn | Tescelus |
| Jeroen Willems | Nileus |
| Joost Prinsen | Etix |
| Catherine ten Bruggencate | Minerva |
| Kathenka Woudenberg | Urania |
| Chiara Thissen | Muze |
| Han Kerckhoffs | Pyreneus |
| Sigrid Koetse | Eksterzuster |
| Marieke van Leeuwen | Eksterzuster |
| Elisabeth Andersen | Eksterzuster |
| Jacqueline Blom | Eksterzuster |
| Marlies Heuer | Eksterzuster |
| Maike Meijer | Eksterzuster |
| Roos Ouwehand | Eksterzuster |
| Gusta Teengs Gerritsen | Eksterzuster |
| Auteur: | Ovidius |
| Vertaling: | M. d'Hane-Scheltema |
| Bewerking en regie: | Peter te Nuyl |
| Inspiciënt: | Leo Knikman |
| Omroep: | NPS |
| Uitgezonden door de: | VPRO |
| Deze episode is uitgezonden op: | 03-11-1997 |
Het script van episode 9.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
Vorige week hoorden we hoe Perseus, die door Jupiter bij Danae was verwekt in de gedaante van een gouden regen, een held werd. Hij doodde het monster Medusa en trok de wereld door met het monsterhoofd vol slangen, en die dat hoofd aankeek, veranderde in steen en zo veranderde Perseus eerst de titaan Atlas in een berg en bevrijdde hij vervolgens het meisje Andromeda uit de bek van een zeemonster. Als beloning mocht ie met haar trouwen, hoewel ze al verloofd was met ene Phineus. D'r wordt een bruiloftsmaal aangericht en Perseus vertelt van zijn heldendaden. Vanavond het vervolg en de afloop van een feest dat begon als een happy end.
(V, 1-29 Perseus zoekt wraak voor het verlies van zijn bruid)
verteller: Terwijl de held, Danaes zoon, omringd door het Ethiopische gezelschap z'n verhaal vertelt, stormt er een wilde troep de zaal van het paleis in en het zijn geen huwelijkszangen die dan te horen zijn, veeleer signalen tot geweld. Het bruiloftsmaal, zo onverwacht veranderd in een chaos, doet denken aan wanneer de gladde zee door wild geruk van winden plotseling woest en dreigend wordt met hoge golven. De voorste van de troep is Phineus, drieste leider van het oproer. Zwaaiend met z'n essen speer, de punt van ijzer, schreeuwt ie:
Phineus: Hier ben ik! Hier komt wraak voor het roven van mijn bruid! Je zult me niet ontgaan, door vleugels niet, noch door de hulp van een goudvermomde Jupiter.
verteller: ...en richt het wapen. Maar Cepheus, z'n broer, roept uit:
Cepheus: Wat doe jij? Wat voor waanzin drijft je tot moord? Is dit je dank voor zijn verdienste? Krijgt hij dit als trouw geschenk van jou, omdat Andromeda gered is? Geef eerlijk toe: je bent haar niet door Perseus kwijtgeraakt, maar door Neptunus, wrede god, en door die horendrager god Ammon die zijn monster hier naartoe zond om mijn kind, mijn vlees en bloed te vreten. Zij werd jou ontnomen toen ze de dood voor ogen had. Ben jij zo harteloos dat je haar liever dood ziet en in ons verdriet je troost wilt vinden? Het is al erg genoeg dat jij, toen zij geketend werd, alleen maar toekeek en geen hulp bood, jij, haar oom, haar bruigom. En nu dan ook nog kwaad zijn als een ander haar bevrijd heeft en met de prijs gaan strijken! Als jij die zo mooi vindt, had haar dan zelf bevrijd vanaf de rots die haar geketend hield. Hij die dat wel deed en mijn ouderdom voor kinderloosheid behoed heeft, mag nu houden wat verdiend is en beloofd. Weet wel, hij won haar niet van jou, maar van de wisse dood!
(V, 30-73 Het gevecht: de dood van Athis)
verteller: Geen antwoord. Phineus richt z'n blik eerst op z'n broer, van hem naar Perseus, nog niet wetend wie van beiden hij zal raken, maar na een kort moment van twijfel en met alle kracht die in z'n woede school slingerde hij de speer naar Perseus... Vergeefs. De punt bleef staan in het divankussen. Toen pas, toen sprong Perseus op, hij smeet het wapen woedend terug, had zelfs zijn vijands hart doorboord indien de schurk zich niet verschanst had achter het altaar! Dat werd schandelijk genoeg zijn redding. Toch vloog de speerpunt niet voor niets: zij drong in Rhoetus' hoofd. Deze viel neer. Toen het ijzer uit de schedel werd getrokken, schopte hij nog. Z'n bloed spoot over de gedekte dis. En dan ontsteekt de hele troep in onbeheerste woede. Men slingert projectielen, roept dat Cepheus net zo goed moet sterven als zijn nieuwe schoonzoon.
Cepheus is dan echter het huis al uit, roepend om recht en waarheid, zwerend bij de goden der gastvrijheid dat ie dit niet had gewild. De krijgsgodin Athene helpt haar broer. Zij vuurt hem aan, haar schild beschermt hem. Ook is Athis daar, een Indiër, kleinzoon van Ganges, in wiens glazen stroom de nimf Lymnaea hem had gebaard - zo wordt verteld - en met z'n zestien jaren een krachtig man, opvallend mooi, wat nog versterkt werd door z'n nobele kledij: een purperen mantel met een boordsel van goud en gouden kettingen als sieraad om z'n hals, een haarband rond z'n weelderig geparfumeerde lokken. Hij was op welke afstand ook knap in het treffen met de speer, nog knapper in het schieten met de boog, maar toen, terwijl z'n hand de soepele booguiteinden strakker spande, sloeg Perseus met een boomtak die daar rokend op het altaar voor het grijpen lag z'n schedel in en plette z'n gelaat. Toen de Assyriër Lycabas, die Athis' trouwste vriend was en z'n genegenheid nooit had verborgen, hem daar in het bloed zag liggen rollen met z'n dierbaar hoofd en 'm zag sterven aan die bittere verminking, greep ie met een kreet van smart...
Lycabas: Ai! Athis!
verteller: ...naar de boog die deze gespannen had en schreeuwde:
Lycabas: Vecht maar verder tegen mij. Het doden van die jongen zal je korte vreugde schenken. Je oogst hier eerder haat mee dan ontzag.
verteller: ...en bij dat woord flitste vanaf de boog een felgepunte pijl, die Perseus nog net ontwijkt en die blijft steken in een mantelplooi.
Nu richt de zoon van Danae het zwaard waarmee hij vroeger Medusa had gedood op Lycabas en steekt het in z'n borst. De man zoekt stervend reeds en met een blik die rondwaart in 't schemerduister Athis op, beweegt zich naar 'm toe en brengt diens dode lichaam troost door aan zijn zij te sterven.
(V, 74-106 Het gevecht: de dood van Idas, Chromis en anderen)
En ginds bond Phorbas uit Syene, zoon van Metion, en bond Amphimedon uit Libië de hete strijd aan, maar beiden gleden uit in 't bloed waarvan de hele vloer dampend doordrenkt was. Bij het opstaan hield het zwaard hen tegen, drong bij de een tussen de ribben en bij Phorbas in de keel. Waarna de zoon van Actor, Eurytus, wiens wapen een dubbele strijdbijl was, door Perseus niet bestookt wordt met zijn sikkelzwaard, nee, deze tilt een wijnschaal in zijn handen, een machtig pronkstuk van massief gewicht, volop versierd, en werpt die naar de man. Die braakt een rode bloedstraal uit en slaat reeds stervend met z'n achterhoofd tegen de grond. Dan volgen Polydegmon, kleinzoon van Semiramis, en Spercheons zoon, Lycetus, Abaris van Caucasus, Helix, het haar in lange lokken, Phlegyas en Clytus, allen gevloerd, één stapel stervenden door hem geknecht.
Phineus durft niet van man tot man z'n vijand aan te vallen, werpt dus een speer die, slecht geworpen, Idas treft, terwijl die zich vergeefs afzijdig houdt en geen partij wil kiezen. Hij kijkt met woeste blik de harteloze Phineus aan en roept:
Idas: Hier, Phineus, als je mij dan dwingt te kiezen, word ik de vijand die jij zelf gezocht hebt. Hier, neem wond voor wond...
verteller: ...en wil de uit het vlees getrokken speer net retourneren, maar zakt door hevig bloedverlies verzwakt reeds in elkaar. Dan sneuvelt ook Hodites, eerste man na koning Cepheus, door 't zwaard van Clymenus, en Prothoenor door de hand van Hypseus, Hypseus zelf door Perseus. Vlakbij hem de oude Emation, een zeer godvrezend en rechtschapen man, door leeftijd niet strijdvaardig meer, vandaar dat ie met woorden zich weert en dreigt en hen bezweert dat deze strijd niet deugt. Maar als ie met een beverige hand bij het altaar steun zoekt, houwt Chromis hem het hoofd af. Dat stort op het altaar neer, laat daar met stervenszwakke tong nog steeds zijn vloeken klinken en blaast z'n laatste adem uit tegen de offervlam.
(V, 107-148 Het gevecht: Lampetides, Dorylas en anderen)
Ook vielen er twee broers, Ammon en Broteas, als boksers niet te verslaan, totdat de bokshandschoen een zwaard ontmoet, in dit geval het zwaard van Phineus. Ook de Cerespriester Amphycus viel, het witte lint nog om het hoofd, ook stierf Lampetides, niet uitgenodigd voor dit doel, meer iemand wiens opdracht voordrachtkunst en citerspel, de vrede diende. Hem was gevraagd het feestmaal met z'n zangen op te fleuren. Terwijl ie met z'n onstrijdvaardig plectrum in de hand ter zijde stond, zei Pedasus met grijnslach:
Pedasus: Zing de rest maar straks, voor de schimmen bij de Styx.
verteller: ...en stak z'n dolkpunt in z'n linker slaap. Hij stortte neer. Z'n vingers raakten stervend tijdens de val de snaren aan, een klaaglijk dodenlied. Lycormas, woedend, liet de man niet ongewroken sterven, maar trok een zware grendel van de rechter deurpost weg en sloeg daarmee de ander in z'n nek. Die stortte languit tegen de vloer en lag daar als een jonge offerstier. De Libiër Pelates wou de andere grendel grijpen, die van de linker deur, maar bij die poging werd z'n hand door een speer van Corythus uit Marmara aan het hout genageld en bleef dat ook, want toen Abas hem in z'n zij stak, viel ie niet neer, maar hing daar stervend met z'n vingers aan de deurpost. Ook Melaneus werd neergeslagen, een uit Perseus' kamp, en Dorylas, de rijkste herenboer uit Cyrenaicas, zo rijk aan land, die Dorylas, dat niemands grensgebied ooit wijder was, geen man vergaarde zoveel stapels wierook. Een speerpunt van opzij geworpen drong 'm in de buik, op een vitale plaats, en toen de man die 'm geraakt had, Halcyoneus uit Bactra, zag hoe hij de doodssnik gaf en met de ogen rolde, riep hij:
Halcyoneus: Val maar neer. Dit plekje is wat je rest van zoveel land.
verteller: ...en liet 'm stervend achter. Perseus nam wraak. De speer snel uit de warme wond getrokken en naar de dader teruggeslingerd schoot dwars door diens neus, dwars door z'n nek, en stak met voor- en achterkant naar buiten. Ook Clytius en Clanis heeft ie met Fortuna's hulp geveld, broers uit één moeder, maar met elk hun eigen doodsstrijd, want Perseus' armkracht dreef een zware lans bij Clytis door beide dijen, Canis kreeg een speer tussen z'n kiezen. Dan sneuvelt Celadon, uit Mendes. Astreus sneuvelt ook, zoon van een Palestijnse vrouw en onbekende vader, en Aethion, voordien een knap profeet maar nu misleid door valse vogels, en Thoactes, 's konings wapendrager, en de beruchte Agyrtes, die z'n vader had vermoord.
(V, 149-199 Perseus gebruikt het Gorgonenhoofd)
Toch wordt na zware strijd de strijd nog zwaarder. Allen samen richten zich nu slechts tegen één. Men valt hem eensgezind van alle kanten aan voor een zaak die erewoord en dank miskent. Cepheus komt voor z'n schoonzoon op. Vergeefse trouw. Zo ook de bruid. Haar moeder ook. Hun krijsen klinkt de zaal door, maar wordt gesmoord in wapenklanken en gevechtsgekreun, terwijl de krijgsgodin Bellona de paleispenaten met stromen bloed bezoedelt en steeds stookt tot nieuwe strijd.
Phineus en duizend Phineusvolgelingen drommen samen rondom die ene man. Het hagelt meer dan hagel doet van projectielen links en rechts, vlak langs z'n ogen en oren. Perseus zoekt schoudersteun tegen een grote zuil, en met die dekking in de rug richt ie zich naar de horde voor zich en houdt de aanval tegen. Molpeus, een Chaoniër, valt aan van links, van rechts Echemnon, een Arabisch strijder. Zoals een tijgerin soms van twee kudden uit een dal een geloei hoort van twee kanten, wat haar honger nog verdubbelt en dan niet weet waarop ze 't eerst moet afgaan, nog het liefst op allebei, zo weifelt Perseus of ie links zal toeslaan of rechts. Eerst weet ie Molpeus weg te jagen met een stoot dwars door z'n been. Gelukkig, want Echemnon gunt geen uitstel, die stormt nabij, wil 'm hard raken boven in z'n nek, maar slaat z'n zwaard met een wat ondoordachte woeste uithaal tegen de buitenkant van de getroffen zuil kapot. De kling breekt af, springt terug en boort zich in z'n meesters keel, een wond die niet zo diep is dat ie doodsoorzaak kan zijn, maar als de man dan sidderend z'n krachteloze armen opheffen wil, steekt Perseus met z'n Hermeszwaard hem neer.
Toch, toen ie merkte dat z'n kracht tekortschoot bij zovelen, riep Perseus:
Perseus: Ik zoek hulp, want jullie dwingen mij daartoe, bij die mijn eigen vijand was... Wie mij hier goed gezind is, moet nu de ogen wenden.
verteller: ...en hij stak Medusa's hoofd naar voor.
Thescelus: (lacht) Zoek een ander die jouw praatjes wil geloven!
verteller: ...riep Thescelus, z'n arm geheven om 'm met een speer te doden. Hij verstarde in die houding tot een standbeeld van marmer. Vlak na 'm valt Ampyx aan, het zwaard gericht op Perseus' onverschrokken hart, maar midden in die aanval verstijft z'n arm, hij kan 'm voor- noch achteruit bewegen. Maar Nileus, die beweerde dat de god met zeven stromen, de Nijl, zijn vader was en op z'n schild dan ook het beeld van zeven stromen droeg, gesmeed in goud en deels in zilver, roept luid:
Nileus: Hier, Perseus, zie 'ns goed mijn oorsprong aan. Je kunt één grote troost meenemen naar die stille Hades: dat je gedood bent door een held.
verteller: Maar reeds dat laatste woord wordt in z'n eigen klank gesmoord. De open lippen lijken te willen spreken, maar zijn ontoegankelijk voor woorden. Scheldend naar hen schreeuwt Eryx:
Eryx: Het is uit lafheid, niet door toedoen van Gorgo's macht dat jullie zo verstijven. Kom maar mee, dan slaan wij 'm wel neer die vijand met z'n toverwapens.
verteller: Hij wil een aanval doen, maar komt niet los vanwaar hij staat. Hij blijft een steenklomp, een gewapend onbeweeglijk beeld.
(V, 200-249 Phineus wordt in steen veranderd)
Zij allen kregen hun verdiende loon. Aan Perseus' kant was er één man, een zekere Aconteus, die al vechtend de Gorgo aankeek en dus ook in steen veranderde, waarop Astyages, niet merkend dat hij niet meer leefde, hem met z'n slagzwaard trof. Het gaf een luid metalen klap. Verbaasd daarover kreeg Astyages eenzelfde staar en die verbazing bleef toen z'n gezicht van marmer was. Het duurt te lang om iedereen van minder hoge afkomst te noemen. Tweemaal honderd man waren nog in de strijd en tweemaal honderd man zijn door die Gorgoblik bevroren. Dan pas krijgt Phineus spijt over z'n ondoordachte aanval. Maar wat te doen? Hij ziet vlak naast zich allerlei gestalten, z'n eigen mannen, en hij roept ze bij de naam, zegt hun te helpen, dan zichzelf niet meer vertrouwend raakt ie even de naasten aan... Ze zijn van steen...
Hij keert zich af en heft z'n handen vol berouw smekend omhoog, weg van die Gorgo, en roept tot Perseus:
Phineus: Goed, jij wint, maar stop dat monsterhoofd ver weg. Weg die verstenende Medusa-ogen, wie zij ook zijn mag, weg, ik smeek je. Niet uit haat of machtsbegeerte ging ik de strijd aan, nee, het was mijn bruid voor wie ik vocht. Ik had de oudste rechten, jij, haar redder, hebt de sterkste. Het deert mij niet te wijken voor de sterkste, maar vergun mij mijn leven te behouden, verder niets. Jij krijgt de rest.
verteller: Tijdens die woorden durfde hij de man tot wie hij smeekte niet aan te kijken. Perseus zei 'm:
Perseus: Phineus, lammeling, ik gun je wat ik kan, wat zelfs een gul geschenk is voor een lafaard. Wees niet bang, geen enkel wapen zal je wonden. Meer nog, ik maak een eeuwig blijvend standbeeld van je dat voorgoed te kijk zal staan in dit schoonvaderlijk paleis. Dan kan mijn vrouw zich troosten met het beeld van haar verloofde.
verteller: En met die woorden hield hij het Medusahoofd vlak voor het angstige en van 'm afgekeerd gelaat van Phineus. Deze probeerde nog het hoofd te wenden, maar z'n nek was al verstijfd, het vocht der ogen al tot steen geworden. En in dat steen bleven z'n bange blik en smeekgebaar te zien, z'n onderdanigheid in handen en in houding.
Perseus komt na die zege met z'n vrouw in Argos terug, z'n vaderstad. Hoewel Acrisius het niet verdiend had, neemt Perseus als zijn kleinzoon wraak op Proetus, die z'n broer met wapens weggejaagd had en diens burcht bezet, dat alles tot eigen ongeluk, want burcht noch wapens hielpen Proetus tegen de wrede blik van het slangenrijke Gorgomonster. En ook wordt Polydectes, die een klein gebied regeert, Seriphos, niet geïmponeerd door Perseus' veelbetoonde heldhaftigheid of tegenslagen. Onvermurwbaar streng koestert hij haat. Zijn redeloze woede kent geen grenzen. Hij smaalt op Perseus' roem, beweert zelfs dat Medusa's dood gelogen is.
Perseus: Dan zal ik u de waarheid laten voelen.
verteller: ...roept Perseus.
Perseus: Wend de ogen af.
verteller: En met Medusa's hoofd doet hij dat koningshoofd tot bloedeloze steen verharden.
(V, 250-293 Minerva op de Helicon)
Tot dan toe stond Minerva aan de zijde van haar broer, zoon van een gouden regen, nu vertrekt zij van Seriphos, gehuld in wolkenkleed, laat Gyaros en Cynthnos rechts, neemt wat de kortste weg lijkt over zee naar Thebe waar zij de Helicon, de berg der Muzen opzoekt. Daarop strijkt zij neer en spreekt er tot haar kunstbedreven Muzenusters:
Minerva: Ik heb iets horen zeggen over een nieuw ontstane bron, door Pegasus met harde paardenhoeven in de grond geslagen. Daar kom ik voor. Ik wil dat wonderbaarlijk werk van 'm graag zien. Ik zag 'm uit Medusa's bloed geboren worden.
verteller: Toen sprak Urania:
Urania: (lachje) Wat ook de reden is, Minerva, dat je ons huis bezoekt, het is ons altijd een plezier. En dat gerucht is waar: Pegasus is de maker van die bron.
verteller: ...waarna ze Pallas naar het heilige water voorgaat. Deze bewondert lange tijd de bron, de vijver die door hoefslag is gevormd, bekijkt rondom het overoude geboomte en de grotten, al die planten rijk in bloei, en prijst de Muzen evenzeer gelukkig om hun woonplaats als om hun werk. Maar één der zusters zegt het volgende:
Muze: Minerva, als jouw gaven jou niet hadden voorbestemd voor hoger werk, zou jij goed passen in ons Muzenkoor. Je hebt gelijk, je prijst terecht ons huis en onze kunsten. Wij zijn bevoorrecht, ja, althans zolang wij veilig zijn. Helaas is niets voor misdaad onbereikbaar, aldoor is er wel iets dat ons het jonge hart verschrikt. Zo zie ik nog die bruut Pyreneus voor me, en dan voel ik mij onrustig. De woesteling had met zijn Thraciërs gebied van Phocis in Daulis buitgemaakt en oefende er zijn terreur uit. Wij reisden juist naar Delphi's tempel. Toen hij ons zag gaan, groette hij ons eerbiedig, als godinnen, heel schijnheilig.
Pyreneus: O, dochters van Mnemosyne!
Muze: Hij had ons goed herkend.
Pyreneus: Kom binnen, bid ik u. Nee, aarzel niet, u kunt hier schuilen voor 't slechte weer.
Muze: Het regende en woei.
Pyreneus: Vaak is een god wel minder dure huizen ingegaan.
Muze: Door deze woorden en door het weer stemden wij toe en traden in zijn hal. De bui was over, zuiderstorm door noordenwind verdreven, donkere wolken vluchtten weg langs schoongeveegde lucht. Wij willen verder reizen, maar Pyreneus sluit de poorten, wil zich aan ons vergrijpen. Wij doen vleugels aan en zijn hem ontvlogen. Hij, op het paleisdak, lijkt te willen volgen, luid schreeuwend:
Pyreneus: Waar voor u een weg is, is die ook voor mij.
Muze: Hij stort zich in zijn waanzin van de volle torenhoogte, het hoofd omlaag, en ligt daar stervend met gekraakte schedel tegen de grond die wordt gekleurd door zijn misdadig bloed.
(V, 294-331 De wedstrijd tussen de Piëriden en de Muzen)
verteller: De Muze sprak nog toen er in de lucht geklapwiek klonk, gevolgd door iets als welkomstkreten hoog vanuit de takken. Minerva hief de blik, zoekend vanwaar dit stemgeluid zo klaar verstaanbaar klinken mocht. Zij dacht aan mensenstemmen. Het waren vogels. Negen eksters klaagden, zittend in een boom, over hun lot. Een eksterstem kan alles nadoen. Minerva keek de Muzen vragend aan.
Muze: Sinds kort...
verteller: ...sprak deze...
Muze: ...horen zij bij de vogels, na een slecht verlopen wedstrijd. Hun vader, Piros, bezat rond Pella heel wat grond. Hun moeder was Euippe uit Paeonië. Zij riep wel negenmaal Lucina's hulp in en zou negenmaal een dochter baren. Later trok die domme stoet van zusters, trots op hun aantal, door veel steden in Noord-Griekenland, kwam hier bij ons en maakte ruzie door ons uit te dagen.
Piëriden: Muzen!
een Piëride: Houdt op die domme mensen te misleiden met uw zoete slecht bestede klanken.
een Piëride: Toon wat zelfvertrouwen en gaat met ons een wedstrijd aan.
Piëriden: Godinnen...
een Piëride: ...want wij zijn in stem en kunst niet minder, noch in aantal.
een Piëride: Wie de wedstrijd verliest, moet weg.
een Piëride: U van de bronnen van de Helicon...
een Piëride: ...of wij gaan door de vlakte van Emathia naar het sneeuwrijk Paeonië.
een Piëride: De wedstrijdjury kan bestaan uit nimfen.
Muze: Zo'n wedstrijd vonden wij een schande, maar het leek nog erger niet mee te doen. De jurynimfen zwoeren elk een eed bij hun rivier en zetten zich op zetels van natuursteen. Dan, zonder eerst te laten loten, stelt één Piëride zich op en zingt een lied over de godenstrijd waarmee ze Giganten onverdiende eer bewijst en hemelgoden als lafaards schildert, hoe die goden schrokken van Typhoeus toen die vanuit de aardse diepten losbrak, hoe zij allen waren gevlucht en doodmoe eindelijk terechtgekomen ver in Egypte bij de zevenmondenrijke Nijl, en hoe daarna die aardgigant Typhoeus ook daarheen kwam, zodat de goden zich verborgen in vermommingen, waarbij - zo zong zij - Jupiter een koningsram werd - en daarom draagt ook de Ammongod der Libiërs gekromde horens -, Apollo nam de vorm van een raaf aan, Bacchus werd een bok, Artemis een kat, Juno een witte koe en Venus een vis. Mercurius koos zich de vleugels van een ibis. Tot hiertoe klonk haar voordracht begeleid door citerspel. Toen moesten wij, de Muzen, maar misschien hebt u geen tijd om onze zangvoordracht nu ook nog te beluisteren?