Deel 11 - Het kan niet altijd kaviaar zijn
Jacht op de meesterspion.
Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.
Beluister deel 11 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een deel.
De rolverdeling van deel 11.
| Luc Lutz | Thomas Lieven |
| Ine Veen | Helène de Couville |
| Paul van Gorcum | Baron De courville |
| Jan Wegter | Peter Murley |
| Willy Ruys | Een notaris |
| Hans Veerman | Bastian Fabre |
| Rob Fruithof | Monteur |
| Jan Wegter | Gaston |
| Wim Hoddes | Edgar Hoover |
| Els Buitendijk | Pamela Faber |
| Dolf de Vries | Johannes Simmel |
| Niek Engelschman | Een visser |
| Maarten Kapteyn | Een visser |
| Rob Fruithof | Jose |
| Joop van der Donk | Een commissaris |
| Jan Wegter | Victor Moris |
| Willy Ruys | Een ambasadeur |
| Paul van Gorcum | Svirien |
| Ad Hoeymans | Goldfuss |
| Sacha Bulthuis | Doenja Melanin |
| Maarten Kapteyn | Een portier |
| Rob Fruithof | Een portier |
| Niek Engelschman | Ackroyd |
| Joop van der Donk | Bediende |
| Joop van der Donk | Agent |
| Auteur: | Johannes Mario Simmel |
| Bewerking: | Dick van Putten |
| Regie: | Hero Muller |
| Omroep: | AVRO |
| Dit deel is uitgezonden op: | 31-05-1979 |
Het script van deel 11.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
Hélène de Courville: Goeiemiddag, meneer Ott. Wij hebben elkaar telefonisch al gesproken. Gaat u zitten, alstublieft.
Thomas: Dank u.
Hélène: Wel, meneer Ott, u zoekt bedrijfskapitaal. U sprak over een onderpand "met ruime overwaarde..." Mag ik weten wat dat is?
Thomas: Ik geloof dat ik u daar beter niet mee lastig kan vallen, hè? Misschien wilt u zo vriendelijk zijn Monsieur de Courville mee te delen dat ik er ben. Hij heeft mij geschreven.
Hélène: Ik heb u geschreven.
Thomas: Wat?
Hélène: Ik ben Hélène de Courville. Ik behandel alle geldzaken voor m'n oom. Dus, meneer Ott, waaruit bestaat dat onderpand?
Thomas: Eh... uit nieuwe aandelen van de DESU Werke, gedeponeerd bij de Schweizer Zentral Bank. Nominale waarde één miljoen. Koers der oude aandelen 2.17.
Hélène: Welke rente kunt u aanbieden?
Thomas: Acht procent.
Hélène: Mm. Welk bedrag hebt u in gedachten?
Thomas: 750.000 Zwitserse frank. (lacht fijntjes)
Hélène: Hoe zegt u?
Thomas: (lacht fijntjes)
Hélène: Ja, is dat eh... niet enigszins aan de hoge kant, meneer Ott?
Thomas: Waarom? Bij een dergelijke aandelenkoers? (lacht)
Hélène: O, ja, ja natuurlijk, natuurlijk. Eh... eh... ja, het spijt me, maar... ik geloof dat het toch beter is dat ik m'n oom er even bij roep.
Thomas: 'Tuurlijk.
Hélène: Excuseert u me een ogenblikje, ja, alstublieft?
Thomas: Graag, mademoiselle. (ze verlaat de kamer) Bij alles heeft ze ook nog mooie lange benen, en de gang van een hinde. Won-der-lijk! Mijn intuïtie zegt: hier klopt iets niet. En mijn intuïtie heeft me praktisch nooit in de steek gelaten. Maar... wat klopt er niet? Dat zou ik wel 'ns willen weten.
Hélène: (komt weer binnen) Meneer Ott, mag ik u voorstellen: mijn oom, baron Jacques de Courville.
Thomas: Monsieur le baron!
Baron: Aangenaam kennis te maken, meneer Ott.
Thomas: Eh... baron, ik vrees dat ik uw betoverende nichtje heb doen schrikken. Eh... laten we deze hele kwestie maar vergeten. Ik acht het een eer met u kennis te hebben gemaakt.
Baron: Monsieur Ott, een ogenblikje, maakt u toch niet zo'n ontstellende haast!
Thomas: Nou...
Baron: Laten we eerst maar 'ns wat gaan zitten, hè? We moeten bij een drankje maar 'ns rustig over de kwestie praten. Een eh... whisky, meneer Ott?
Thomas: Eh... heel graag, heel graag.
Baron: (schenkt uit) Zo... Juist. Alstublieft.
Thomas: Dank u.
Baron: (klinkt) Gezondheid.
Thomas: Prosit!
Baron: Ik moet u eerlijk toegeven dat ik een aanzienlijk lager bedrag had verwacht dan u noemde. Wat zou u zeggen van eh... 100.000?
Thomas: Eh... baron, het... het lijkt mij beter de zaak te laten rusten.
Baron: Ja, eh... laten we dan zeggen 150.000.
Thomas: Werkelijk, baron...
Baron: 200.000 desnoods. (er wordt geklopt) Ja?
Butler: (opent de deur) Een intercommunaal gesprek in de bibliotheek, monsieur le baron.
Baron: Ja, dank je. (verlaat de kamer)
Thomas: (loopt wat rond) Waarom zijn nichtje nou daarbij moet zijn, dat begrijp ik niet... Die hele affaire komt mij steeds eigenaardiger voor, hè. En die de Courville, die mag ik helemaal niet. Die geeft een hand als een cowboy, die vent, zeg. En kaken... Of die voortdurend kauwgommie kauwt. En in plaats van scotch: whisky. Bourbon! Oooaa. Nou, als dat een aristocraat van Franse afstamming is, dan laat ik me hangen. Ja, je moet wel een beetje voortmaken, baron de waarlijke baron, want anders, dan ga ik er toch echt vandoor...
Baron: (komt weer binnen) Eh... neemt u me niet kwalijk, meneer Ott, dat ik u even alleen moest laten. Het spijt me, het was overigens niet belangrijk. Waar waren we ook alweer gebleven?
Thomas: Eh... monsieur le baron, ik geloof dat verder praten op het ogenblik geen zin heeft. Mocht u een bedrag kunnen noemen dat dichter bij het mijne ligt, laat u het mij dan weten. Nee nee, doet u geen moeite, ik eh... vind het wel. (verlaat de kamer)
Hélène: Gaat u al weg, meneer Ott?
Thomas: Ja. Ik... ik heb al veel te lang beslag gelegd op uw kostbare tijd. Tot genoegen, mademoiselle de Courville. U... zou mij een groot genoegen doen als u vanavond met mij wilde dineren, hetzij bij Bauer-au-Lac, of ergens anders... Wilt u?
Hélène: Meneer Ott, ik weet niet hoeveel u gedronken hebt, maar ik schrijf deze uitnodiging daaraan toe. Goeiedag.
Thomas: Tot ziens.
(Wat later op 8 mei, 1957)
Thomas: Dat is de hele kwestie eigenlijk, eh... meneer Muerrli. Ik verlang 750.000 Zwitserse frank met een depot DESU- aandelen als onderpand.
Muerrli: Meer niet?
Thomas: Nee nee, daar heb ik voldoende aan. Eh... met uw welnemen gaan we dan morgen naar de notaris!
(9 mei 1957)
Notaris: "De heer Wilfried Ott, industrieel te Düsseldorf, verplicht zich voor een participatie van 750.000 franken een rente van 8% te betalen. Het bedrag dient uiterlijk de 9de mei 1959 te worden terugbetaald. De heer Muerrli, huizenmakelaar te Zürich, verbindt zich tot deze datum het aandelendepot, dat de eerder genoemde meneer Ott hem als zekerheid heeft gesteld, onaangeroerd te laten. Indien echter de participatie niet binnen de overeengekomen termijn wordt terugbetaald, mag de heer Muerrli over de waardepapieren vrij beschikken. Aldus opgemaakt de 9de mei 1957 door mij, in tegenwoordigheid van..."
Thomas: En op die manier, m'n waarde Bastian, heb ik mij in een handomdraai het leuke bedragje van 717.850 Zwitserse francs verschaft.
Bastian: (lacht) Vreemd bedrag!
Thomas: Ja, dat komt omdat de onkosten en de 8% rente over twee jaar van tevoren zijn afgetrokken.
Bastian: Mooi!... En wat ga je nou met dat geld doen?
Thomas: Daarmee gaan wij twee jaar werken, om het dan in mei '59 keurig en correct terug te betalen.
Bastian: Terug te betalen!?
Thomas: Bastian... Bastian! Kan jij je nou nooit losmaken van je vroegere leven? We moeten vergeten wat er gebeurd is. Voortaan bewandelen wij alleen maar oprechte paden.
Bastian: Dat heb ik je meer horen zeggen, en je bent er steeds de dupe van geworden.
Thomas: Ja, altijd door kwaadwilligheid van anderen, Bastian. Altijd door anderen. Nee, als ik het geld heb terugbetaald aan die Muerrli, dan haal ik de valse aandelen uit de depots, scheur ze in kleine stukjes en spoel ze door het toilet. Iedereen heeft dan geld verdiend en niemand heeft schade geleden. Tja (lacht), zo eenvoudig gaat dat als het zo eenvoudig gaat...
(9 mei 1957, enkele uren later, in de hal van het hotel)
Thomas: Nee maar!... Mademoiselle de Courville, wat een genoegen u hier te zien.
Hélène: O, goeiedag.
Thomas: U hebt zich een tikje verlaat, maar ik ben toch blij dat u gekomen bent.
Hélène: Meneer Ott, ik ben niet voor u gekomen, maar voor m'n vriendin, die hier ook logeert.
Thomas: Ach.
Hélène: Ik zou in de hal op haar wachten.
Thomas: Nou, als het u vandaag niet schikt, dan kunnen we misschien morgen een aperitief drinken?
Hélène: Morgen vertrek ik naar de Riviera.
Thomas: Maar dat is toevallig! Ik ga morgen ook naar de Riviera! Had ik u dat nog niet verteld? Eh... zal ik u morgen om 11 uur komen afhalen? Hè? Of hebt u voorkeur voor een andere tijd?
Hélène: Meneer Ott, ik denk er niet over om met u mee te rijden. Ach, daar komt m'n vriendin. Het ga u goed, voor zover dat mogelijk is.
(10 mei 1957)
Thomas: De volgende morgen, om 7 over 11, reed de mooie Hélène in een kleine sportwagen de poort van het Château Montenac uit. Ik groette, maar... zij keek volkomen langs me heen. Ik stapte in m'n eigen wagen en reed haar achterna. Even voorbij Grenoble zag ik haar aan de kant van de weg staan, vlakbij een garage. Een monteur stond over de motorkap gebogen.
Thomas: Wat is er aan de hand?
Hélène: Pardon? O, iets met de motor, geloof ik.
Monteur: Nee nee, 't is eh... 't is de benzinepomp, mevrouw, die ligt helemaal in de prak.
Thomas: Nou, da's niet zo best.
Monteur: Nee, inderdaad. Ik bedoel... we zullen de wagen toch mooi naar de garage moeten slepen om 'm te repareren.
Hélène: Ja, maar hoe lang kan dat duren?
Monteur: Nou... 'ns kijken, een dag of twee zeker wel.
Hélène: (schrikt) Twee dagen!! Dat is ontzettend. Ik heb een afspraak voor vanavond in Monte Carlo.
Thomas: Nou, gezien de omstandigheden lijkt er dan maar één oplossing mogelijk.
Hélène: En dat is?
Thomas: Dat u verder met mij meerijdt.
Hélène: O! O... nou ja, eh... goed, eh... da's heel vriendelijk van u, meneer Ott.
Thomas: De monteur wil wel even helpen, hè, met het overladen van uw bagage? Hij zal dan verder wel voor uw wagen zorgen.
Thomas: (niest)
Hélène: Gezondheid.
Thomas: Dank u wel. 't Is de eerste reactie overigens, na 100 km...
Hélène: (geeuwt)
Thomas: Misschien wordt het toch nog gezellig. Waar moet u zijn in Monte Carlo?
Hélène: Eh... Hotel de Paris.
Thomas: Hebt u daar uw afspraak?
Hélène: Eh... met m'n verloofde.
Thomas: Met uw verloofde? Ach, arme kerel, hij zal niet veel aan u hebben.
Hélène: (geeuwt) Dat denk ik ook niet.
Hélène: Mademoiselle de Courville. Ik heb gereserveerd.
Receptionist: Mademoiselle de Courville... Ja, dat klopt. Er is een boodschap voor u binnengekomen, Mademoiselle: uw verloofde wordt door zakelijke aangelegenheden vastgehouden in Parijs. Hij kan niet komen.
Thomas: Dan neem ik z'n appartement.
Receptionist: Uitstekend, monsieur.
Hélène: Ja, maar als ie dan toch nog komt?
Thomas: Nou, dan zal die moeten zien dat ie ergens onderdak vindt, hè?
Hélène: Goh!
Thomas: Luister nou 'ns even... Dat is immers geen man voor u. Ziet u dan niet dat hier de voorzienigheid aan het werk is?
Hélène: (lacht fijntjes)
Thomas: Twee dagen bleven we in Monte Carlo, en vervolgens gingen we naar Cannes, in het Hotel Carlton. 't Waren bijzonder prettige dagen. 'k Ging met haar naar Nice, naar Saint-Raphaël, naar Saint-Maxime, Saint-Tropez. We zwommen samen in zee, en ik lag naast haar aan het strand. En... ach ja, van 't een komt het ander. We waren samen erg gelukkig. Zij noemde mij Will, omdat naar haar zeggen Wilfried haar te veel aan Richard Wagner herinnerde. En toen gebeurde het, in het eerste uur van de achtste dag. Hélène lag op het bed, en ik zat naast haar en streelde haar haren.
Hélène: Ah, Will... Ik ben zo gelukkig.
Thomas: Ik ook, liefje, ik ook.
Hélène: Heus?
Thomas: Heus... Chérie.
Hélène: Nou... (barst in tranen uit)
Thomas: Maar liefste, wat is er nou? Mm?
Hélène: (snikt) Ik... ik heb je bedrogen.
Thomas: Wat?
Hélène: Ik ben slecht, door en door slecht.
Thomas: Ja, als... als dat in verband staat met je verloofde, dan eh...
Hélène: Wat verloofde? Ik heb helemaal geen verloofde, Thomas.
Thomas: Hè? Wat?
Hélène: Thomas...
Thomas: Zeg, wat... wat-wat-wat-wat zei je daar?
Hélène: Ik heb helemaal geen verloofde.
Thomas: Nee nee, dat bedoel ik niet. Zei jij zo-even Thomas?
Hélène: Ja ja, natuurlijk heb ik Thomas gezegd, zo heet je immers. Mijn lieve arme Thomas Lieven. Waarom moest ik nou juist jou ontmoeten?
Thomas: Ja, schat...
Hélène: Ik... ik ben nog nooit in m'n leven zo verliefd geweest, en juist jou moet ik dit aandoen, juist jou!
Thomas: Aandoen? Wat aandoen?
Hélène: Ik... werk voor de Amerikaanse Geheime Dienst.
Thomas: Voor de Amerikaanse Geheime... Nee! Nee nee, begint het nou alweer?
Hélène: Ik had het je niet willen zeggen. Ik mocht het je ook niet zeggen...
Thomas: Oooo...
Hélène: Ze smijten me d'r natuurlijk uit, maar ja, na deze avond moest ik je de waarheid wel vertellen, anders, ik... was ik nog gestikt.
Thomas: Nou, kalm nou maar, hè, begin nou 'ns rustig bij het begin. Jij bent dus een Amerikaanse agente?
Hélène: Ja.
Thomas: Die oom van je?
Hélène: Is kolonel Herrick, m'n chef.
Thomas: En het Château Montenac?
Hélène: Gehuurd. Onze mensen in Duitsland hadden gemeld dat je bezig was een grote coup voor te bereiden.
Thomas: Mm?
Hélène: Toen dook je op in Zürich. Toen je advertentie gepubliceerd werd, kregen we volmacht je een participatie van maximaal 100.000 francs aan te bieden.
Thomas: Maar waarom?
Hélène: Omdat er achter die annonce natuurlijk een of andere truc moest zitten. Maar wat precies, wisten we niet. Maar ja, daar waren we natuurlijk wel achter gekomen, en dan hadden we je in onze macht gehad.
Thomas: Maar waarom willen ze dat nou?
Hélène: De FBI wil jou met alle geweld in dienst nemen. Daar hebben ze alles voor over.
Thomas: Nou, rustig nou maar... rustig nou...
Hélène: Toen vroeg je 750.000.
Thomas: Dat is waar, ja.
Hélène: We hebben een ijlgesprek met Washington gevoerd. O, je had ze te keer moeten horen gaan. Da's waanzin, zoveel wilden ze niet riskeren. Eh... ja... toen hebben ze mij ingezet.
Thomas: Jou ingezet?
Hélène: En daarom deze reis. 't Was allemaal komedie. Die auto, de monteur in Grenoble...
Thomas: Die ook? En ik, stommeling, ik heb 'm nog een dikke fooi gegeven.
Hélène: De verloofde, alles... Alles! En nou ben ik verliefd op je geworden.
Thomas: Mm.
Hélène: En ik weet dat ze je de gevangenis in zullen draaien, als je niet voor ons wilt werken.
Thomas: Ja. (staat recht)
Hélène: Nee, ga niet weg, Thomas, blijf bij me.
Thomas: Ik kom weer terug lieveling, ik kom weer terug, ik moet alleen maar een en ander overleggen, in alle rust, als je d'r geen bezwaar tegen hebt. Want, weet je, dit alles is mij al 'ns eerder overkomen. (verlaat de kamer - gaat naar de telefoon, neemt op en draait een nummer)
Receptionist: Receptie.
Thomas: Eh... kamer 28, Ott. Mag ik de chef-kok?
Receptionist: Maar monsieur Ott, het is half twee. Gaston slaapt misschien al.
Thomas: Nou, dan maakt u 'm maar wakker. 't Is dringend... Gaston: Hier is Gaston, monsieur Ott?
Thomas: Aaah, Gaston. Ik ben blij dat je nog bij de hand bent. Eh... Gaston. Gaston: Ah?
Thomas: Ik eh... heb zojuist een verpletterende slag gehad. Gaston: O.
Thomas: Ik moet iets lichts, iets opwekkends hebben. Maak een tomatencocktail voor me, wil je, en een paar sardienenkroketten. Wil je dat doen? Gaston: O, voor u altijd, monsieur Ott.
Thomas: Dank je. (legt neer) Goeie vent, die Gaston. De geschiedenis herhaalt zich. D'r is blijkbaar niet aan te ontkomen. In '57 hebben ze mij op precies dezelfde manier te pakken als in '39. De personen zijn anders, maar de omstandigheden zijn dezelfde. Ik meende dat de cirkel zich eindelijk gesloten had, maar het tegendeel is waar. Ik zal opnieuw een rol moeten spelen in die krankzinnige wereld. Wie weet hoe lang nog...
Thomas: Goeiemorgen, chérie. (lachje) Neem me niet kwalijk dat ik wat laat ben voor het ontbijt. Maar kindje..., 't schijnt mij toe dat je niet veel nachtrust hebt gehad.
Hélène: Heb ik ook niet. Kun je 't me vergeven, Tommy?
Thomas: 'k Zal het proberen, m'n liefje.
Hélène: En... wil je voor ons werken?
Thomas: Ook dat zal ik proberen.
Hélène: O, Tommy!
Thomas: Ja, ik stel natuurlijk mijn voorwaarden: ik wil geen opdrachten krijgen van jou of van je chef, kolonel Herrick, maar uitsluitend van het hoofd van de FBI.
Hélène: Van Edgar Hoover? (lacht) Wat grappig!
Thomas: (lachje) Wat is daar nou voor grappigs aan?
Hélène: Nou, we hadden opdracht jou koste wat het kost naar Washington over te brengen, omdat Edgar Hoover persoonlijk met jou wil praten!
(23 mei 1957)
Thomas: Tja, 't kan raar lopen in het leven... De 23ste mei zat ik in het restaurant op de luchthaven Rhein-Main. 'k Voelde me nogal onrustig. 't Was twintig over zes, en om kwart voor zeven zou de Super-constellation starten die mij naar New York zou brengen. En die vervloekte agent Faber was er nog steeds niet. Faber zou mij naar Hoover begeleiden, had kolonel Herrick gezegd. En die Faber was er nog steeds niet. Op dat ogenblik kwam er een jonge vrouw binnen... en ik... Nee! Nee, dat kan niet, dat bestaat niet! Daar komt Chantal naar mij toe gelopen! Mijn lieve Chantal, de enige vrouw die ik ooit werkelijk heb liefgehad... Daar komt ze aan. Maar dat... dat kan toch niet, ze is immers dood, doodgeschoten in Marseille.
Thomas: Chantal!...
Pamela: MeneerThomas Lieven? Hoe gaat het?
Thomas: Chantal...
Pamela: Wat zegt u?
Thomas: Eh... nee... nee, niks, niks, niks. Wie bent u?
Pamela: Ik ben Pamela Faber Ik vlieg met u mee. Neem me niet kwalijk dat ik zo laat ben, ik had pech met de wagen.
Thomas: U eh... u heet Faber? Maar kolonel Herrick sprak over een man.
Pamela: Nou, kolonel Herrick kent me niet. Er is gesproken over een agent Faber, en toen dacht ie natuurlijk aan een man.
Thomas: Ach.
Pamela: Maar wat is er toch? U kijkt me aan of ik een geestverschijning ben.
Thomas: Ja, neemt u me niet kwalijk maar, eh... Nou ja, dat doet er niet toe.
Pamela: Zullen we gaan, meneer Lieven? Onze machine is startklaar.
(In het vliegtuig)
Thomas: 't Is gek, maar... ik heb het gevoel alsof ik u al jaren ken. En toch weet ik niks van u.
Pamela: M'n ouders waren Duitsers, maar ik ben in Amerika geboren.
Thomas: En hoe lang werkt u al voor de Amerikaanse Geheime Dienst?
Pamela: Sinds 1950.
Thomas: Hoe bent u daar zo toe gekomen?
Pamela: Och, hoofdzakelijk uit lust tot avontuur, geloof ik.
Thomas: (lachje)
Pamela: M'n ouders zijn dood, ik wilde reizen, vreemde landen zien, iets beleven.
Thomas: En is dat uitgekomen?
Pamela: Nee, dat geloof ik niet. 'k Heb er eigenlijk genoeg van, weet u.
Thomas: Mm.
Pamela: Dat is geen leven voor mij. 'k Heb me blijkbaar vergist. Of ik ben er al te oud voor?
Thomas: Hoe oud bent u dan wel, als ik vragen mag?
Pamela: Tweeëndertig.
Thomas: (lachend) Tweeëndertig! Ach, lieve hemel, waar blijf ik dan met m'n achtenveertig?
Pamela: (lachje) 'k Zou er het liefst mee ophouden, trouwen, kindertjes krijgen, klein huisje, koken voor m'n gezin.
Thomas: Koken? Eh... kookt u graag?
Pamela: O, da's een hartstocht van me.
Thomas: Ja?
Pamela: En waarom kijkt u me toch zo aan, meneer Lieven?
Thomas: Ach, niets. Eh... zomaar.
Pamela: Ah. Ja, geheime diensten zijn als een heksenkring waar je nooit aan kunt ontsnappen. (lachje) Ophouden? Wie van ons kon ermee ophouden? Kunt u het? Niemand kan het. Niemand mag het...
(New York, Washington, buitenhuis van Hoover in Maryland op zaterdag 25 mei 57)
Hoover: Miss Faber, Mr. Lieven, nogmaals hartelijk welkom in mijn bescheiden landhuisje. Cheerio.
Pamela: Cheers.
Thomas: Eh... cheers, Mr. Hoover.
Hoover: Ik vond het beter hier met u te spreken dan op m'n kantoor in Washington, DC, waar ik ieder ogenblik gestoord kan worden. We maken d'r hier een gezellig weekend van. Eh... één van de dingen die ik over u gehoord heb, Mr. Lieven, is dat u zo uitstekend kunt koken.
Thomas: (lacht)
Hoover: En wat dat betreft wil ik graag een beroep op u doen.
Thomas: Met genoegen, en ik ben ervan overtuigd dat miss Faber mij heel graag zal assisteren.
Pamela: O, zeker.
Hoover: Da's een uitstekend idee. En wat zouden jullie nou zeggen als we vandaag een lekkere kalkoen aten?
Thomas: Aaah.
Hoover: Ja, ik weet het, het is er eigenlijk een beetje te vroeg voor, maar ik heb beneden in het dorp prachtige jonge dieren gezien. Vossebessen breng ik dan ook mee.
Thomas: Vossebessen? Mmm...
Pamela: Ja, zo eet men hier nu eenmaal kalkoen, Mr. Lieven.
Thomas: Ik heb kalkoen altijd...
Pamela: Eh... gemaakt met een vulling, nietwaar?
Thomas: Inderdaad.
Pamela: Zo deed mijn moeder het ook altijd.
Thomas: Ja.
Pamela: En die vulling bestond dan uit gemalen kalkoenlever, en ganzenlever...
Thomas: Kalfsvlees, en varkensspek, en eidooier...
Pamela: Ja ja, en dan truffels, de schillen fijngewreven, de truffels gehakt, en dan twee beschuiten...
Thomas: En het varkensvlees moet vooral vet zijn.
Hoover: Ja, nou! Jullie vullen elkaar schitterend aan, zeg. Vindt u zelf ook niet, Mr. Lieven?
Thomas: Ja, daar moet ik zelf ook voortdurend aan denken.
Pamela: De borst van de kalkoen omwikkelen we met spek. Dat deed mijn moeder ook altijd.
Thomas: Gebruikte uw moeder daar vers vet spek voor?
Pamela: Mm.
Thomas: De mijne ook. Ja, maar ze haalde het er een half uur voor de kalkoen gaar was weer af.
Pamela: Ja natuurlijk, want anders zou de borst niet mooi bruin worden.
Hoover: Goed! Wij eten vanavond dus kalkoen. Maar, Mr. Lieven, u begrijpt natuurlijk wel dat we u niet alleen naar Amerika hebben gehaald omdat u zo goed kunt koken.
Thomas: Waarom dan nog meer?
Hoover: Omdat u mevrouw Doenja Melanin kent.
Thomas: Oh... Mevrouw Doenja Melanin... Ja. Waar bevindt zij zich dan?
Hoover: In New York City. Zij is toch... uw geliefde geweest, nietwaar?
Thomas: Dat... nou ja... dat wil zeggen, ik geloof wel dat zij zich verbeeldde dat zij van mij hield, ja.
Hoover: Wij weten dat... ja, geruime tijd al hoor..., dat in New York een machtige Russische spionagecentrale is gevestigd. Wij weten niet hoe die werkt, en wij weten evenmin wie er deel van uitmaken. Maar drie dagen geleden heeft een lid van deze organisatie zich gemeld bij onze Parijse ambassade. Het was een zekere Victor Morris.
Thomas: Mm.
Hoover: Hij was de laatste minnaar van mevrouw Melanin.
Thomas: Eh... u hoeft niet verder te gaan, Mr. Hoover. Ik zal mijn best doen, op één voorwaarde...
Hoover: En die is?
Thomas: Dat ik, na m'n opdracht te hebben uitgevoerd, mag sterven.
(Een flash-forward naar 21 november 1957, te Cascais, Portugal - geluid van de zee)
Johannes Simmel: In de vroege ochtenduren van de 21ste november 1957 vonden vissers op het witte strand van het dorpje Cascais bij Lissabon tussen bonte schelpen, zeesterren en halfdode vissen een heel dode meneer. Hij lag op z'n rug. Z'n gezicht droeg een eigenaardige uitdrukking, z'n lichaam een bijzonder modieus, zij het door het zeewater reeds sterk aangetast grijs kostuum. In de hartstreek vertoonde het overhemd een cirkelvormig gat, en een reusachtige donkere vlek die aan bloed deed denken. Ook het jasje zat vol van die vlekken. Blijkbaar was de heer met een kogel, en geen kleine, naar de andere en naar men zegt betere wereld gestuurd.
Eerste visser: Allemachtig! Nou, die is er wel geweest. Zie je dat gat in z'n borst?
Tweede visser: Hoe zou dat gekomen zijn?
Eerste visser: Doodgeschoten denk ik.
Tweede visser: Wie zou het zijn?
Eerste visser: Kijk 'ns of die papieren bij zich heeft, José.
José: Ja, vader!
Eerste visser: Misschien kunnen we d'r dan achter komen waar die vandaan komt.
José: Kijk nou 'ns! Hij heeft vier passen bij zich.
Tweede visser: Vier? Wat moet iemand met vier passen?
Eerste visser: 't Is gek, hè, maar 't is net of ik die kerel al 'ns eerder gezien heb, of ik 'm ken.
Tweede visser: Wat zeg je nou?
Eerste visser: Ja, ik ken 'm. Ja, 't schiet me alweer te binnen: zeventien jaar geleden, in '40, heb ik 'm ontmoet.
Tweede visser: Weet je dat zeker?
Eerste visser: Ja, ik herinner het me weer. De Duitsers hebben toen tegen goed geld m'n viskotter gehuurd. 'k Moest een gevangene van ze in volle zee brengen. Ze hadden 'm ergens in de stad neergeslagen, en ze brachten 'm bewusteloos bij mij aan boord.
Tweede visser: En dat is die man?
Eerste visser: Ja! Daar ben ik van overtuigd. Die Duitsers zeiden dat buiten de driemijlszone een Duitse duikboot lag te wachten om 'm over te nemen. Maar zover is het niet gekomen. We werden overvaren door een luxe jacht. Ja, niet per ongeluk, hoor, want die lui op dat jacht bleken later kerels van de Engelse Geheime Dienst te zijn, en die hebben op hun beurt deze man weer meegenomen.
Tweede visser: Dan zal dat wel een belangrijke figuur geweest zijn! Weet je nog hoe die heette?
Eerste visser: Nou, daar moet ik 'ns over nadenken. 't Is alweer zo'n tijd geleden.
José: Ik heb hier een pas. Daar staat in: Thomas Lieven.
Eerste visser: Nee...
José: Eh... Maurice Hauser.
Eerste visser: Nee, nee nee.
José: Jean Leblanc.
Eerste visser: Nee, ook niet.
José: Emil Jonas, koopman.
Eerste visser: Verrek, ja! Dat is 'm. Ja, zo heette die, zo noemden ze 'm. Koopman Jonas. Dus het is 'm wel!
Tweede visser: Waarschuw jij de politie maar, José, jij hebt jonge benen. Wij zullen wel op 'm passen. (lacht) Al zal die niet weglopen.
(Rapport van inspecteur Manuel Vayda)commissaris Manuel Vayda: Ja, neemt u maar op, señorita. "Rapport van de commissaris Manuel Vayda, van de afdeling Moordzaken, Politie Lissabon. Het lijk dat op het strand van Cascais is gevonden is dat van een mannelijk persoon van 45 à 50 jaar. De bijgevoegde verklaring van de politiearts noemt als doodsoorzaak: een kogel uit een Amerikaans 9 mm legerpistool..." Heeft u dat?
"In de kleding van de dode werden gevonden: een geldbedrag van 891 dollar en 45 cent; een rekening van het New Yorkse Walfdorf-Astoria Hotel; een Duits rijbewijs ten name van Thomas Lieven; een ouderwets gouden horloge; en vier paspoorten, twee Duitse, respectievelijk ten name van Thomas Lieven en Emil Jonas; en twee Franse passen ten name van Maurice Hauser en Jean Leblanc..." Ja? Juist.
"De foto's van Jean Leblanc en Emil Jonas, die zich in het archief van de recherche bevinden, komen me elkaar overeen. Zij komen eveneens overeen met de foto's in de vier paspoorten van de dode..." Ja? "Uit dit alles kan met zekerheid worden afgeleid dat de dode de geheime agent Lieven is, die de afgelopen jaren zoveel van zich heeft doen spreken. Hij is ongetwijfeld ten offer gevallen aan een wraakoefening..."
Wraakoefening. "Het onderzoek wordt voortgezet..." (lachje) Wat een onzin... Alsof er ooit een moord op een geheime agent is opgehelderd! De moordenaar is immers al lang aan het andere eind van de wereld. Nee, señorita, bent u nou krankzinnig geworden! Dat laatste hoeft u niet op te nemen!
(24 november 1957 "begrafenis van Thomas Lieven")
Johannes Simmel: 24 november 1957, 16:30 uur . Het had wat lang geduurd eer de overledene werd vrijgegeven en begraven kon worden. Het regende, en het was, voor Lissabon, zeer koel. Het kleine groepje rouwenden rilde. Er waren, op een jonge vrouw na, louter mannen aanwezig en die zagen d'r uit als wat ze waren: collega's van de overledene. Ex-majoor Loos van de voormalige Deutsche Abwehr boog het hoofd. De saffraangele Britse agent Lovejoy naast hem niesde. De Tsjechische spion Gregor Marek bleef diep gebogen staan. Nadenkend keken de oversten Siméon en Debras van het Deuxième Bureau voor zich uit.
Oprecht bedroefd toonden zich de gewezen overste Erich Werthe en de kleine majoor Brenner van de contraspionage in Parijs. Naast de geestelijke stond de Amerikaanse FBI-agente Pamela Faber, die Thomas Lieven zo sterk had doen denken aan zijn geliefde Chantal Tessier. Nu waren zij er door hun chefs op uitgestuurd om vast te stellen of die beroerling wel echt dood was. En zij hadden opgelucht geconstateerd dat dit inderdaad het geval was. Na afloop van de plechtigheid stapten de agenten in diverse taxi's. (lachje) Ze hadden ook gezamenlijk een busje kunnen huren, want ze logeerden allemaal in 't zelfde hotel. Op hun kamers vroegen ze vervolgens telefoongesprekken aan met Engeland, Frankrijk, Duitsland, alsook met landen achter het IJzeren Gordijn.
Natuurlijk werden die gesprekken in code gevoerd. Zo lispelde Gregor Marek tot zijn chef in Praag: "De gele haai is vanmiddag opgediend." Dat betekende: ik heb de dode in het lijkenhuis persoonlijk in ogenschouw genomen. (lachje) Ach ja, wat zou het leven van een geheim agent zonder code zijn? Terwijl haar collega's aan het bellen waren, zat Pamela Faber in haar hotelkamer. Ze had whisky, ijs en soda besteld. Ze zat ontspannen in een leunstoel en draaide een groot whiskyglas in het rond.
Pamela: (lacht) O, Thomas... wat zou je je met die belangstelling voor je begrafenis vereerd hebben gevoeld. (lachje) Allemaal goeie ouwe bekenden van je die je stuk voor stuk wel 'ns bij de neus hebt gehad. (lacht) Sommigen waren echt bedroefd, en sommigen opgelucht. Wat zouden ze allemaal vreemd opkijken als ze... Maar nee..., dat mag alleen ik maar weten. En daarom, proost, lieve Thomas. Dat je nog lang mag leven, voor mij.
Johannes Simmel: Toen ze dat zei, was ze natuurlijk al een tikje aangeschoten. Anders had ze dat nooit gezegd, want Thomas was niet in de hotelkamer. Hij was zelfs niet in Europa, hij was... Ja..., waar was hij dan wel, geachte luisteraar? Want dat Thomas die dag niet was begraven, hebt u natuurlijk al kunnen afleiden uit de opgewekte toon van onze berichtgeving. Maar als hij niet dood was, wie werd er dan in zijn plaats begraven? Geduld, luisteraar, geduld. We zullen 't u dadelijk vertellen. Maar daarom moeten we teruggaan tot de dag waarop we Thomas Lieven uit het oog verloren, de 25ste mei 1957. U herinnert zich dat hij die dag de gast was van Edgar Hoover, het hoofd van de FBI. Op die dag uitte hij de verrassende wens:
Thomas: Dat ik, na mijn opdracht te hebben uitgevoerd, mag sterven.
Hoover: Mm. En hoe stelde u zich dat einde voor?
Thomas: Ik heb een plan, maar dat kunnen we later bespreken. Hoofdzaak is dat u ermee akkoord gaat.
Hoover: Allright.
Thomas: Het is onvermijdelijk dat ik moet sterven om eindelijk, eindelijk in vrede te kunnen leven. Pamela en
Hoover: (lachen)
Hoover: Ja ja.
Thomas: Zoals ik zei, meneer Hoover, details kunnen we later bespreken. Nu kunt u mij wellicht wat meer vertellen over mijn Doenja en die Mr. Morris.
Hoover: Ja.
Thomas: Waar is die op het ogenblik?
Hoover: In Parijs.
Thomas: In Parijs?
Hoover: Mm.
Thomas: Ik dacht in New York.
Hoover: Nee, hij is in New York geweest, tot een paar weken geleden, en toen is ie naar Europa vertrokken. In Parijs heeft hij zijn intrek genomen in Crillon.
Thomas: (lacht) Toe maar.
Hoover: En daar schijnt ie het toen met z'n zenuwen te kwaad te hebben gekregen, want in de middag van de 4de mei heeft ie z'n hotel verlaten, is de Place de la Concorde overgestoken, naar de Amerikaanse ambassade.
Thomas: Ja.
Hoover: En meneer Morris heeft de ambassadeur te spreken gevraagd, en tegen 'm gezegd...
Victor Morris: Ik ben een Russische spion, Mr. ambassador. Ik kan u inlichtingen verschaffen over de grootste spionagecentrale die de Russen in de Verenigde Staten hebben opgebouwd.
Ambassadeur: En waarom wilt u dat doen, Mr. Morris?
Morris: Omdat ik uw hulp nodig heb. Ik heb opdracht gekregen Amerika te verlaten en via Parijs naar Moskou terug te keren. Ik weet wat dat betekent: ze willen mij liquideren.
Ambassadeur: En waarom willen de Sovjets u liquideren?
Morris: Ik vrees dat ik gefaald heb. Vrouwen. Drank. Te veel gekletst, u weet hoe het gaat. En Doenja...
Ambassadeur: Wie is Doenja?
Morris: Doenja Melanin, de gewezen vrouw van een officier bij het Rode Leger, nu spreekuurassistente bij een arts in New York. 'k Was bevriend geraakt met haar, maar we hadden voortdurend ruzie. 't Begon op te vallen. Mark zei dat ik onmiddellijk moest verdwijnen.
Ambassadeur: En wie is Mark?
Morris: Sinds tien jaar het hoofd van de grootste spionagecentrale in Amerika.
Ambassadeur: Mr. Morris, ik meen te mogen aannemen dat u in werkelijkheid anders heet.
Morris: Ja. Victor Morris is één van de vele namen die ik in de loop der jaren gehad heb. In werkelijkheid heet ik Dimitri Hayhanem, en ben ik overste bij de Russische geheime dienst. Men heeft mij van 1946 tot 1952 voorbereid op de taak die mij wachtte: als spion in de Verenigde Staten samen te werken met de legendarische Mr. Mark.
Ambassadeur: Een opleiding van zes jaar?
Morris: Niet te lang om je eigen persoonlijkheid volledig te verliezen en een nieuwe aan te nemen. Ik moest leren lezen, spreken, eten, lopen, denken en debatteren als een man uit de omgeving van New York. Ik moest leren auto rijden als een Amerikaan, leren dansen, schrijven, roken en mij bezatten als een Amerikaan. Kortom, ik moest een nieuwe persoonlijkheid worden. Een andere had dat al voor mij gepresteerd: Mr. Mark. Ik legde alle proeven met goed gevolg af. De 14de april 1952 meldde ik mij, voorzien van een uitstekend vervalste Amerikaanse pas, ingevolge mijn opdracht, bij Michael Svirin, de secretaris van de Russische UNO-delegatie in New York. Deze ontmoette mij met de meest uitgebreide voorzorgsmaatregelen, voorzag mij van geld en gaf mij verdere instructies.
Michael Svirin: U neemt dus contact op met Mr. Mark. Wij zullen elkander nooit terugzien. Vanaf dit ogenblik bestaat u voor mij niet meer, evenmin als Mark. U behoeft er niet op te rekenen dat ik u ooit in enig opzicht zal bijstaan of helpen. Ik ben diplomaat en mag met u niets van doen hebben.
Morris: En hoe vind ik Mark? Hoe kan ik 'm herkennen?
Svirin: Hij zal u opbellen in uw hotel. Hier hebt u een met snijwerk versierd pijpje. Dat rookt u bij wijze van herkenningsteken wanneer u Mark ontmoet op de plaats die hij u zal meedelen...
(3 dagen later)
(telefoon)
Morris: (neemt op) Hallo? Met Morris.
Mark: Zorg ervoor dat u klokslag 17:30 uur in het toilet van de RKO-bioscoop in Flushing bent.
Thomas: Nou, zeg, dat is hoogst interessant, Mr. Hoover! Werkelijk, hoogst interessant.
Hoover: Ik zal verder vertellen.
Thomas: Ja.
Hoover: Morris en Mark konden het totaal niet met elkaar vinden, maar ze moesten het natuurlijk wel samen zien te redden. Mark gaf Morris die middag in het toilet van de RKO-bioscoop geld en een codesleutel, en besprak natuurlijk de onmisbare camouflages. Morris moest een fotostudio openen, zodat niemand zich zou kunnen gaan afvragen waarvan ie leefde. En verder bracht Mark 'm d'r van op de hoogte op welke wijze hij zijn geheime berichten moest deponeren en afhalen. Die berichten, dat waren dan voornamelijk microfilmpjes, niet groter dan een speldenknop, moesten verborgen worden in geldstukken, in gebruikte papieren zakdoeken of sinaasappelschillen. En met behulp van kleine magnetische plaatjes kon men ze onder banken, in openbare telefooncellen, vuilnisemmers, brievenbussen en dergelijke bevestigen. Nou, ging dat werk uitstekend! Morris kon Mark dan wel niet uitstaan, maar desondanks voerde hij z'n opdrachten feilloos uit.
Thomas: En waaruit bestonden die opdrachten, meneer Hoover?
Hoover: Ja, dat waren helaas zeer belangrijke opdrachten. En na alles wat Morris in Parijs verteld heeft, hoeven we ons daaromtrent geen illusies meer te maken. Ik moet zeggen: de Sovjets hebben aan de organisatie "Mark" enorm veel gegevens te danken. Zo heeft Morris bijvoorbeeld - tenminste, naar ie zelf verklaart - gespioneerd in het raketcentrum New Hyde Park.
Thomas: En... heeft er zich nou nooit, ook geen enkele keer, een incident voorgedaan?
Hoover: Ja, inderdaad ja, één keer. En dat incident heeft ons althans het bewijs geleverd dat Morris z'n verklaringen naar waarheid heeft afgelegd.
Thomas: Mm.
Hoover: (gooit iets op de tafel) Hier is dat bewijs.
Thomas: Ja, dat is een eh... een vijfcentstuk.
Hoover: Ja.
Thomas: Een doodgewone dime.
Hoover: Mm. Neem het 'ns op... Ja, laat 'ns vallen.
Thomas: (laat het geldstuk vallen) Hé! Hè, 't bestaat uit twee delen.
Hoover: Ja. U ziet het hier: op de bodem van het ene stuk, dat een tikkeltje is uitgehold, is een klein stukje film geplakt...
Thomas: Verrek, ja ja.
Hoover: ...dat een codemededeling van Mark bevat.
Thomas: Ja!
Hoover: Al vier jaar lang proberen de beste experts van de FBI dit bericht te decoderen. Maar da's niet gelukt, hoor!
Thomas: En eh... hoe is deze munt in uw bezit gekomen?
Hoover: Ja, door een stom toeval: een krantenjongetje heeft 'm in 1953 gevonden. En hij liet hem uit z'n handen vallen. Toen spleet dat ding in tweeën.
Thomas: Ja.
Hoover: Op de binnenkant van de ene helft ontwaarde dat joch een donker stipje. Nou had ie een paar dagen tevoren in een spionagefilm gezien hoe men microfilms verborg in een sigarettenkoker. Dus liep die jongen met z'n dime naar de politie. De politie was gelukkig zo verstandig om 'm door te sturen naar ons. We hebben 'm gevraagd waar ie dat muntstuk gevonden had.
Thomas: En waar was dat?
Hoover: Wel, dat bleek te zijn in het trappenhuis van een huurkazerne, nummer 252, Fulton Street. De gelijkvloerse appartementen waren verbouwd tot winkels, op de eerste en tweede verdieping waren kantoren van een groot aantal firma's gevestigd, en nog hoger woonden vrijgezellen, kunstenaars, kleine kantoorbedienden en dat soort mensen, hè.
Thomas: Mm.
Hoover: Bovendien had ook de FBI in dit mammoetgebouw een bureau.
Thomas: Ik neem aan dat u alle bewoners van Fulton Street 252 hebt gescreend.
Hoover: Ja natuurlijk, maar daarbij kwam niets voor de dag.
Thomas: O nee?
Hoover: Jaren verstreken. De boodschap op de microfilm bleef ongedecodeerd, en de schrijver onbekend. Nou is in die jaren Morris klaarblijkelijk hoe langer hoe verder afgezakt. Nadat ie Doenja Melanin had leren kennen, bereikte ie kennelijk een dieptepunt. Ze gingen mekaar zelfs nu en dan te lijf, moet je weten.
Thomas: Ja, dat ken ik van Doenja.
Hoover: O, toch wel. (lachje) Mark moet een rapport daarover aan Moskou hebben gestuurd, want Morris werd plotseling teruggeroepen. De rest weet u: op de Parijse ambassade vertelde die alles wat ie wist.
Thomas: En dat schijnt mij toch, ondanks alles, niet zeer veel te zijn.
Hoover: Ja, veel, weinig... Genoeg was het niet, dat geef ik toe, maar desondanks toch wel een heleboel. Want ofschoon die geheimzinnige Mark alles heeft gedaan om voor Morris te verbergen waar ie woonde, is het deze Morris toch wel een keer gelukt om 'm onopgemerkt te volgen. En volgens hem woont Mr. Mark... Nou, waar denkt u?
Thomas: Aangezien u het zo spannend maakt, neem ik aan: Fulton Street 252.
Hoover: Precies! Juist, ja. In het huis waar vier jaar geleden die kleine krantenjongen dat geldstuk vond.
Thomas: Zo zo...
Hoover: Ja. Een aantal van mijn mensen, waaronder hier Miss Faber, Thomas en
Pamela: Mm.
Hoover: heeft de laatste weken nogmaals alle bewoners van dat pand onder de loep genomen. De beschrijving die Morris heeft gegeven van Mark past precies op de meest geliefkoosde huurder. Hij is kunstschilder en woont helemaal boven op de zolderverdieping. Goldfuss heet ie, Emil Robert Goldfuss, Amerikaans staatsburger, sinds '48 woonachtig op nummer 252 Fulton Street. Ik zou zeggen, vertelt u maar verder, miss Faber.
Pamela: Ja... We schaduwen Goldfuss al wekenlang. Een tiental FBI-auto's is ingezet, met radar, radio, tv-apparatuur... Goldfuss kan geen stap meer doen of onze mensen weten ervan. Resultaat: nihil.
Thomas: Ja, maar daar begrijp ik daar nou toch niks van! Als hij nou zo ernstig verdacht word van spionage, waarom arresteren jullie hem dan niet?
Pamela: Ja, we zijn niet in Europa, Mr. Lieven!
Thomas: Hoe bedoelt u?
Hoover: In de Verenigde Staten, Mr. Lieven, mag een man alleen in arrest worden gesteld als ie aantoonbaar in strijd is met de wet, en ook aantoonbaar in strijd met de wet heeft gehandeld. En pas dan zal een rechter z'n arrestatiebevel uitschrijven. Wij verdenken Goldfuss wel van spionage, ja, maar bewijzen, nee nee, bewijzen hebben wij niet. En zolang wij geen onweerlegbare bewijzen hebben, zal dan maar ook niet één rechter in dit land ons in de gelegenheid stellen om 'm te arresteren.
Thomas: Ja, maar u hebt Morris immers?
Hoover: Ja, maar Morris heeft ons alle inlichtingen strikt vertrouwelijk gegeven. Met het oog op zijn familie in Rusland zal ie onder geen enkele voorwaarde in het openbaar tegen Goldfuss getuigen.
Thomas: En eh... zou een huiszoeking niks opleveren?
Hoover: Ja, natuurlijk zouden we, als Goldfuss 'ns een keer weg is, z'n woning kunnen binnendringen en doorzoeken. En ik ben d'r ook zeker van dat we dan een kortegolfzender en een heleboel andere dingen zouden vinden die bewijzen dat ie een spion is. Maar dan nog zou die nooit veroordeeld kunnen worden.
Thomas: Waarom niet?
Hoover: Nou, omdat zijn verdediger zou eisen dat onze beambten onder ede zouden verklaren hoe zij aan dat belastende materiaal waren gekomen. En als dan zou blijken dat ze... dat ze 't zich hadden verschaft door een illegale huiszoeking, dan zou de rechter bepalen dat niets van dat materiaal tegen Goldfuss gebruikt kan worden.
Thomas: Maar, hoe moeten we 'm dan wel te pakken krijgen?
Hoover: Dat willen wij juist aan u vragen, Mr. Lieven. Daarom hebben wij u laten komen. U, als ouwe vriend van Doenja Melanin.
Thomas: Het weerzien met Doenja was triest geweest. Ze treurde nog altijd om Victor Morris. Als ze over hem vertelde, brak ze steeds weer in tranen uit. En ze vertelde onafgebroken over hem, gedeeltelijk uit zichzelf, gedeeltelijk omdat ik haar daartoe aanspoorde. Ik ontmoette haar sinds een paar dagen regelmatig bij Roganoff, een Russisch fijnproeverrestaurant in de 41ste straat. En steeds als ik Doenja verliet, ontmoette ik Pamela, door wie ik in contact bleef met Hoover. Zij had een kleine flat in Manhattan. Ikzelf logeerde in het Waldorf-Astoria Hotel, onder de naam Peter Scheuner. Doenja werkte als assistente bij een zekere Dr. Mason. Dag na dag verstreek. Doenja bleef jammeren over haar Morris, maar vertelde niets dat naar Goldfuss kon leiden. Bij Pamela constateerde ik een toenemende geïrriteerdheid, waarvoor ik geen verklaring kon vinden. Zo werd het de 19de juni. Ondanks dat wij een boorttreffelijke shaslik hadden gegeten, was Doenja in een zeer geprikkelde stemming.
Thomas: Ik begrijp niet wat er vandaag met jou aan de hand is!
Doenja: Ach, neem me niet kwalijk. Dat ellendige werk ook, daar ga ik nog 'ns aan onderdoor.
Thomas: Ja, wat is er dan aan de hand?
Doenja: De halve stad laat zich inenten.
Thomas: Inenten?
Doenja: Ja, inenten met dat nieuwe serum tegen kinderverlamming, Dr. Salk.
Thomas: Ja.
Doenja: Ah, daar heb je wel over gehoord. Maar dat inenten is het ergste niet... Die schrijverij, die schrijverij doet het 'm.
Thomas: Welke schrijverij?
Doenja: Elke patiënt moet z'n geboortebewijs overleggen.
Thomas: O ja, waarom?
Doenja: Ja, dat verlangt de wet. En ik moet de nummers van ieder geboortebewijs noteren, de nummers, en de instantie die het afgegeven heeft. En ze komen bij honderden... Ik word er krankzinnig van. Inenten, inenten, inenten...
Thomas: In... in... inenten...
Doenja: Ja, wat heb je nou? Wat is er met jou?
Thomas: Wacht 'ns even...
Doenja: O, ik zie het al... Wie is dat?
Thomas: Wie? Hè? Wie-wie-wie bedoel je?
Doenja: Die vrouw daar. Ze is net binnengekomen. Ken jij haar?
Thomas: Hè? Ik? Welnee! Over wie heb je 't eigenlijk?
Doenja: Over dat ordinair opgemaakte mens in het geel. Ze zit me aan te staren alsof ze me de ogen uit wil krabben. Natuurlijk ken jij haar. Zit me maar niet voor te liegen.
Thomas: Maar ik heb die vrouw nog nooit van m'n leven gezien...
Doenja: Je liegt, natuurlijk ken jij haar.
Thomas: Ja, later we d'r nou maar over ophouden, zeg. Doenja, wij gaan weg. Ik voel er niks voor om me hier de les te laten lezen over zaken waar ik niks mee te maken heb.
(In de Waldorf-Astoria)
Hotelbediende: In de lounge wacht een zekere Mr. Ackroyd op u, Mr. Scheuner.
Thomas: Dank u... (gaat naar de lounge) Ackroyd. Wat doe jij hier?
William Ackroyd: Sorry, maar ik ben bij de baas geweest. De zaak brengt 'm steeds meer in benauwdheid. Ben jij verder gekomen?
Thomas: Geen stap. Wat had de baas?
Ackroyd: Verschillende tekenen wijzen erop dat Goldfuss op het punt staat de benen te nemen.
Thomas: Waar naartoe?
Ackroyd: Ja, waar naartoe? Dat weten we niet. Naar Australië, Azië, Afrika, Europa... Ja, alles is mogelijk.
Thomas: De grenzen bewaken, de vliegvelden, de havens, enzovoort.
Ackroyd: Ach, onmogelijk! Zoveel mensen hebben wij eenvoudig niet. Goldfuss reist natuurlijk met een absoluut echte valse pas. Nou, en jij weet net zo goed als ik dat zo'n pas ook in de pas-administratie voorkomt.
Thomas: Denk je dat ie louter echte valse papieren heeft?
Ackroyd: Dat... dat-dat-dat weet ik niet, maar gezien z'n haast kan dat nauwelijks. Waarschijnlijk heeft ie alleen een echte valse pas, maar... maar daar heeft ie ook voldoende aan. Als er geen wonder gebeurt, glipt die vent ons nog door de vingers.
Thomas: Vervloekt nog aan toe! Wat een rotsituatie. En dan zit ik ook nog met zo'n fijne medewerkster.
Ackroyd: Ah, wat is daarmee?
Thomas: Ach, laat maar. Maar ik zal haar toch wel het een en ander op haar boterham...
(In Pamela's appartement)
Thomas: Weet jij wat jij moest hebben? Een pak op je bliksem! Hoe haal je 't in je hersens om bij Roganoff binnen te komen?
Pamela: Ik zal d'r komen wanneer ik dat wil.
Thomas: Niet als ik er ben! Je weet dat het verboden is dat twee agenten elkaar in het openbaar ontmoeten.
Pamela: Ik wist niet dat jij er was.
Thomas: Dat wist je bliksems goed!
Pamela: Goed dan, dan wist ik het.
Thomas: En waarom heb je dat gedaan?
Pamela: Omdat ik eindelijk die Doenja van jou wel 'ns wilde zien, dat lieve duifje!
Thomas: Wat!? En vind je dat voldoende reden om onze hele actie in gevaar te brengen?
Pamela: Schreeuw toch niet zo tegen me. Je moet wel verschrikkelijk verliefd op d'r zijn.
Thomas: Als je je brutale mond niet houdt, dan zal ik je een pak slaag geven.
Pamela: Uh, probeer het 'ns, als je durft.
Thomas: Je zult je zin krijgen. (pakt haar aan)
Pamela: Auw, nee... laat me los... Nee... Ik maak je van kant! Jij met je...
Thomas: Wat?! Kom hier... Zo...
Pamela: Oooo... ooo... O... Thomas...
Thomas: Pamela!... Pamela...
Pamela: Oh... Tommy, ik was zo jaloers op die Russin van je.
Thomas: M'n liefste... Mmm.
Pamela: Ik... Oh, ik hou van je.
Thomas: Lieveling, die Doenja, die Russin, die betekent niks voor me, geloof me. Ik zal jou...
Pamela: Huh? Wat... wat is er, Tommy?
Thomas: Wat zijn dat voor plekken op je arm?
Pamela: Hè? O, die zijn van een inenting. Wat is d'r mee?
Thomas: Inenting? Inenting!
Pamela: Hè, Thomas, wat heb je?
Thomas: Inenting! Goldfuss weet dat ie in gevaar verkeert, hij zal proberen Amerika te verlaten en... en terug te keren naar Rusland.
Pamela: Tommy...!
Thomas: Iedereen die naar Europa reist, moet zich laten inenten en daarbij moeten ze de dokter een geboortebewijs tonen, zodat ie de nummers kan noteren. Z'n geboortebewijs, Pamela! Niet z'n pas, z'n valse pas, z'n echte valse pas... maar zou z'n valse geboortebewijs ook echt vals zijn?
Pamela: Ach Thomas, ben je krankzinnig geworden?
Thomas: Nee nee, helemaal niet. Als Goldfuss een vals vals geboortebewijs heeft overlegd, kunnen we hem eindelijk een strafbare handeling aanwrijven, en 'm arresteren, en z'n woning doorzoeken!!
Pamela: Thomas!
Thomas: Nee, nee, wacht even. Hoeveel artsen zijn er in New York?
Pamela: Ah, hoe moet ik dat weten? Minstens tienduizend!
Johannes Simmel: Op de avond van die 19de juni werd er alarm gegeven voor 277 medewerkers van de FBI. Ze kregen opdracht zo snel mogelijk de 13.810 artsen te bezoeken die in de stad met tien miljoen inwoners praktijk uitoefenden. Elke medewerker had een foto bij zich van een man van omstreeks 45 jaar, die een geestig sceptisch gezicht, grote oren en dunne lippen had, en een bril droeg. De 21ste juni, om 16:35 uur, kreeg Thomas Lieven een telefoontje.
(telefoon)
Thomas: (neemt op) Hallo?
Stem: Zero.
Thomas: Waar?
Stem: 3145, Riverside Drive. Dr. Wilcox.
Het recept is niet uitgeschreven.