Deel 6 - Het kan niet altijd kaviaar zijn
De zwendel met de Rijkskas krediet-biljetten.
Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.
Beluister deel 6 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een deel.
De rolverdeling van deel 6.
| Luc Lutz | Thomas Lieven |
| Robert Sobels | Overste Werthe |
| Piet Ekel | Concierge |
| Frans Somers | Professor Debouchet |
| Marijke Merckens | Yvonne Dechamps |
| Dolf de Vries | Johannes Simmel |
| Gees Linnebank | Majoor Brenner |
| Rob Geraerds | Jean Paul Ferraud |
| Bep Westerduin | Madame Ferraud |
| Paul van Gorcum | Sturmbahnfuhrer Eicher |
| Hans Hoekman | Obersturmbahnfuhrer Rediker |
| Franck van Erven | Paul de la Rue |
| Joke van den Berg | Een vrouw |
| Willy Brill | Lily Page |
| Peter Römer | Prospere Longuetemps |
| Guus van der Made | Soldaat |
| Auteur: | Johannes Mario Simmel |
| Bewerking: | Dick van Putten |
| Regie: | Hero Muller |
| Omroep: | AVRO |
| Dit deel is uitgezonden op: | 03-05-1979 |
Het script van deel 6.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
(Lieven draait een telefoonnummer)
Receptionist: Hotel Lutetia.
Thomas Lieven: Overste Werchte, alstublieft.
Receptionist: 'k Verbind u door.
Werchte: Werchte.
Thomas: Overste, met Lieven.
Werchte: Ja, hoor 'ns, Lieven, ik ben op dit ogenblik in een zeer belangrijke bespreking, ik...
Thomas: Dit is ook belangrijk, overste! Ik zal u niet langer ophouden dan nodig is, maar ik heb u een voorstel te doen van zeer groot belang. Ik verzoek u mij aan te horen en daarna onmiddellijk admiraal Canaris op de hoogte te stellen.
Werchte: Ja, wat is dat voor waanzin?
Thomas: Overste, wanneer begint die actie daarginds?
Werchte: Morgenvroeg. Waarom?
Thomas: Ik verzoek u mij met de leiding van die actie te belasten.
Werchte: Lieven, ik ben volstrekt niet in de stemming voor grapjes. M'n geduld is uitgeput.
Thomas: Hoort u mij alstublieft aan, overste! Luistert u althans wat mijn voorstel inhoudt. Ik stel voor dat u mij toestaat om onmiddellijk...
(6 augustus 1943 4:45 uur vertrekt Lieven per vliegtuig naar Clermont-Ferrand)
(deurbel - Universiteit te Clermont-Ferrand, Avenue Carnot)
Conciërge: (opent de deur) Nom de dieu, bent u krankzinnig geworden? 't Is nog geen zes uur in de morgen. Wat wilt u eigenlijk?
Thomas: Eh... professor Débouché spreken.
Conciërge: Nu? In het holst van de nacht? Ja, hoort u 'ns... (Lieven geeft hem 5.000 francs) Eh... Oh! Dank u, dank u zeer. Enfin, 't zal wel dringend zijn dan. Wie kan ik aandienen?
Thomas: Hebt u telefoon hier?
Conciërge: Ja, monsieur.
Thomas: Ik zal zelf met 'm spreken.
Conciërge: Gaat u binnen, meneer. Daar hangt de telefoon. Wacht, ik zal het nummer van de professor voor u draaien.
Débouché: Met Débouché. Wat... is er aan de hand?
Thomas: Met... Everett.
Débouché: Everett? Waar... waar bent u?
Thomas: In de woning van de conciërge.
Débouché: Laat hij u onmiddellijk bij me brengen. Ik wacht op u.
Débouché: In 's hemelsnaam, wat heeft u aanleiding gegeven hierheen te komen, captain Everett?
Thomas: Professor, het Maquis Crozant heeft de brug bij Gargilesse opgeblazen...
Débouché: Ingevolge de ontvangen instructies, ja.
Thomas: Mm.
Débouché: Goeie kerels... Dappere kerels...
Thomas: Domme kerels. En vooral ijdele kerels, professor, onverantwoordelijke kerels.
Débouché: Mon capitaine, luistert u nu...
Thomas: Weet u wat die vervloekte gekken gisteravond gedaan hebben? Ze zijn achter de zender gaan zitten en hebben de namen en de adressen van de leden van het Maquis Crozant doorgegeven: Cassier, Rouff, professor Débouché, Yvonne Deschamps, luitenant Bellecourt. Namen en adressen.
Débouché: Maar waarom dan toch in 's hemelsnaam?
Thomas: Om zichzelf aan te prijzen. Opdat generaal de Gaulle zeker zou weten wie de dappere helden zijn die de hoogste onderscheidingen verdienen. Domkoppen hebt u daarginds in de bergen zitten, professor.
Débouché: Natuurlijk, 't was fout die namen door te geven, maar kan het een misdaad worden genoemd? Is Londen erdoor in gevaar gebracht? Nauwelijks, dunkt me. Dat kan dus niet de reden zijn dat u hierheen komt, en uw leven op het spel zet. Waarom riskeert u uw leven, captain Everett?
Thomas: Omdat ik niet captain Everett ben, maar Thomas Lieven...
Débouché: Hè?
Thomas: Omdat ik niet voor Londen werk, maar voor de Duitse Abwehr.
Débouché: Wat!?
Thomas: En omdat het Maquis Crozant al die maanden niet met Londen maar met de Duitsers in radiotelegrafisch contact heeft gestaan.
Débouché: Dat kan ik niet geloven! Dat zou al te afschuwelijk zijn! Ik wil het niet geloven! (Yvonne komt binnen)
Yvonne: O, het is waar! Captain Everett, u bent het werkelijk. De vrouw van de conciërge heeft me opgebeld, ik woon ook hier. Wat is er gebeurd, captain? Wat is er gebeurd? Waarom zwijgen jullie? Professor, wat is er gebeurd?
Débouché: Kindje, de hand die je vasthoudt is de hand van een Duitse agent.
Yvonne: Wat?!
Débouché: Captain Everett heet in werkelijkheid Thomas Lieven, en werkt door de Duitse Abwehr. De zender die ons instructies gaf, is opgesteld in het hoofdkwartier van de Abwehr in Parijs.
Yvonne: Ik vind u het gemeenste, het laagste, het-het smerigste individu dat er bestaat, meneer Lieven! Een grotere schoft kan ik mij niet voorstellen!
Thomas: Wat u van mij denkt laat mij onverschillig. 't Is niet mijn schuld dat er niet alleen bij ons maar ook bij u van die ijdele egoïstische idioten bestaan als die Cassier, en die Rouff. Maandenlang is alles goed gegaan.
Yvonne: Noem je dat goed? Zwijn!
Thomas: Ja, ik noem dat goed. Er is in deze streek maandenlang niemand neergeschoten, geen Duitser, geen Fransman...Het had zo verder kunnen gaan. Ik had jullie allemaal kunnen beschermen tot het eind van deze vervloekte oorlog.
Yvonne: Jij schoft! (spuugt)
Débouché: Yvonne! Niet doen! (hij trekt Yvonne weg - ze rent naar de deur, maar Thomas trekt haar terug)
Yvonne: Laat me los!
Thomas: Jij blijft hier, mademoiselle. Toen gisteravond de namen doorkwamen, heeft de Abwehr onmiddellijk Berlijn op de hoogte gebracht. Er zijn maatregelen getroffen om de eenheid Bergjagers, die voor de stad ligt, in te zetten. Daarom heb ik nogmaals met de chef van de Abwehr in Parijs gesproken.
Débouché: Waarom?
Thomas: Dat is mijn zaak.
Débouché: Pardon, ik wilde u niet kwetsen.
Yvonne: Mm!
Thomas: Ik heb hem voor ogen gesteld dat het inzetten der Bergjagers ongetwijfeld offers zal vergen aan beide kanten. Er zullen mensenlevens verloren gaan, Duitse en Franse. De Gestapo zal de gevangenen folteren. Ze zullen hun kameraden verraden.
Yvonne: Nooit!
Thomas: Hou uw mond!
Débouché: Er bestaan afgrijselijke folteringen... En u weet dat, meneer Lieven. Nietwaar? Ik geloof dat ik nu heel veel begrijp. En ik voel dat het, ondanks alles, nog altijd klopt. Wat hebt u nog meer tegen uw chef gezegd?
Thomas: Ik heb 'm een voorstel gedaan. Een voorstel dat inmiddels door admiraal Canaris is goedgekeurd.
Débouché: En hoe luidt dat voorstel?
Thomas: U bent de geestelijke leider van het Maquis Crozant. De mensen doen wat u zegt. U roept de groepen bij de molen van Gargilesse bij elkaar, en zet uiteen dat er uit deze situatie geen uitweg is. Dan kunnen de Bergjagers de mannen daar gevangennemen zonder dat er een schot behoeft te vallen.
Débouché: En verder?
Thomas: In dat geval staat admiraal Canaris er met zijn erewoord borg voor dat u geen van allen aan de SD wordt uitgeleverd, maar als reguliere krijgsgevangenen in een kamp van de Wehrmacht wordt geplaatst.
Débouché: Dat is erg genoeg...
Thomas: Onder de gegeven omstandigheden is het verreweg de gunstigste oplossing. De oorlog zal niet eeuwig duren.
Débouché: Hoe kom ik in Gargilesse?
Thomas: Ik breng u er in de auto heen. De tijd dringt, professor. Als u het voorstel niet aanvaardt, begint om acht uur de actie der Bergjagers, zonder ons.
Débouché: En Yvonne? Zij is de enige vrouw in onze groep. Een vrouw, meneer Lieven.
Thomas: Eh... mademoiselle Yvonne zal ik als mijn persoonlijke gevangene...
Yvonne: Ha, als jij denkt dat ik...
Thomas: Laat me even uitspreken, asjeblieft. Als mijn persoonlijke gevangene op het politiebureau in een cel zetten. Daar blijft zij, tot de actie voltooid is, opdat ze in haar patriottisme geen onheil aan kan richten. Daarna haal ik haar weer uit de cel, om haar over te brengen naar Parijs. Op weg daarheen zal het haar gelukken te ontvluchten.
Yvonne: Wat?!
Thomas: Op weg naar Parijs zal het u gelukken te ontvluchten. Dat is de tweede gunst die mijn chef mij heeft toegestaan. Het wordt zo te zeggen een door de Duitse Abwehr goedgekeurde vlucht.
Yvonne: Als er een God bestaat, dan zal ie je straffen! Verrekken zul jij, langzaam en ellendig verrekken. Huh! Ik denk er niet aan om te ontvluchten. En professor Débouché zal je voorstel ook niet aanvaarden, nooit! Wij zullen strijden, en sterven, allemaal, tot de laatste man.
Thomas: Natuurlijk, groot gelijk! En nou ga je netjes zitten en hou je eindelijk je mond! Jij... jij heldin!
(Hotel Lutetia, 9 augustus)
Thomas: Karl, neem even op. Spoedbericht voor Berlijn. "Geheim. 14:35 uur. 9 augustus. Van Abwehr Parijs aan hoofd Abwehr Berlijn. Bergjagersbataljon gebied Clermond-Ferrand onder Sonderführer Lieven nam 7 augustus omstreeks 22 uur bij de molen van Gargilesse het Maquis Crozant gevangen. De leden van het Maquis onder leiding van professor Débouché boden geen weestand. Gearresteerd werden 67 mannen die volgens instructies werden overgebracht naar het krijgsgevangenkamp der Wehrmacht nummer 343. Einde."
Johannes Simmel: Of... einde? Op de 27ste september 1945 zou professor Débouché ten overstaan van een Geallieerde onderzoekscommissie te Parijs woordelijk verklaren:
Débouché: "Alle leden van het Maquis Crozant werden in kamp 343 humaan behandeld. Ze hebben allen de oorlog overleefd en zijn behouden in hun vaderland teruggekeerd. Ik moet er de nadruk op leggen dat wij ons leven te danken hebben aan de moedige en menselijke houding van een lid van de Duitse Abwehr die zich aanvankelijk had voorgedaan als de Britse captain Everett, en die mij de 6de augustus 1943 in Clermont-Ferrand kwam opzoeken. Hij zei bij die gelegenheid de officier van Speciale Diensten Thomas Lieven te zijn."
Johannes Simmel: Dat was september 1945, na de oorlog. Maar wij keren voorlopig terug naar de 17de augustus 1943. In Parijs, in Hotel Lutetia, riep overste Werthe zijn naaste medewerkers bij zich in zijn bureau: Hauptmann Brenner en Sonderführer Lieven.
Werthe: Mijn heren, ik heb zojuist uit Berlijn bepaalde instructies ontvangen. Hauptmann Brenner, in verband met uw verdiensten inzake de liquidering van het Maquis Crozant wordt u met terugwerkende kracht per 1 augustus bevorderd tot majoor. In naam van de Führer verleen ik u voorts het Krijgsverdienstekruis 1ste Klasse, met de Zwaarden.
Thomas: (klapt in de handen) Bravo! Bravo!
Brenner: Dit heb ik uiteraard alleen aan u te danken.
Thomas: Onzin...
Werthe: Ah, en u... Vertelt u mij eens wat we met u moeten beginnen, wonderlijke officier van Speciale Diensten die u bent? U bent burger.
Thomas: En dat wil ik ook bij voorkeur blijven.
Werthe: Maar Berlijn vraagt mij te informeren welke onderscheiding u graag zou willen hebben.
Thomas: Met Ridderordes kunt u mij niet gelukkig maken, overste. Maar als ik een verzoek mag doen...
Werthe: Ja, ja, zegt u het maar!
Thomas: Dan... zou ik graag een ander arbeidsterrein hebben, geen partizanenbestrijding meer. Ik ben een man die graag lacht en vrolijk is, en dat is mij in de laatste weken volkomen vergaan.
Werthe: Dan heb iets dat als geknipt voor u is.
Thomas: En dat is, overste?
Werthe: De Franse zwarte markt. De mensheid heeft nog nooit zo'n grote, zo'n krankzinnige en zo'n gevaarlijke zwarte markt gekend als hier in Parijs.
Thomas: U maakt mij nieuwsgierig...
Werthe: Iedereen koopt hier in. De Organisation Todt, de Marine, de Luftwaffe, het leger... En nu heeft ook de SD zich nog ingeschakeld. Ze bieden tegen elkaar op, en dat heeft de prijzen tot astronomische hoogten doen stijgen. 't Is een ontzettende troep waar een einde aan gemaakt moet worden. Zou dat iets voor u zijn, meneer Lieven?
Thomas: Ik geloof dat dat net een kolfje naar mijn hand is, overste.
Werthe: Niet te gevaarlijk?
Thomas: Och, ik heb op dit terrein een bijzonder goeie opleiding gehad toen ik nog in Marseille woonde. Ik geloof dat ik aan alle voorwaarden voldoe. Ik heb hier nog een villa in het Bois de Boulogne. Ik kan met behulp daarvan een zeer vertrouwenwekkende indruk maken. Kunt u mij figuren noemen die in dit opzicht mijn aandacht verdienen?
Werthe: Ja, een collega van u, een bankier, een zekere Jean-Paul Ferraud. Woont in de Avenue Malakoff, nummer 24.
Thomas: Begin september had ik mijn kleine villa in het Bois naar mijn zin ingericht, mijn villa waar ik zoveel plezierige uurtjes had doorgebracht met de lieve Mimi Chambert. De kelder was gevuld met van de zwarte markt afkomstige spiritualiën, de keuken met van de zwarte markt afkomstige levensmiddelen. Het werd tijd aan de jacht te beginnen. Ik belde de bankier Jean-Paul Ferraud en vroeg hem te eten. Tot mijn verrassing nam hij de uitnodiging aan!
(Parijs, 10 september 1943)
Ferraud: Werkelijk een uitstekende ham, monsieur. Die heeft in de rode wijn gelegen, nietwaar?
Thomas: Mm, vijf dagen, inderdaad... Ik ben buitengewoon verheugd, hè, dat u aan mijn uitnodiging gevolg hebt gegeven.
Ferraud: Maar dat spreekt toch vanzelf! Men wordt tenslotte niet iedere dag uitgenodigd door een agent van de Duitse Abwehr... Ik heb mij omtrent u op de hoogte gesteld, monsieur Lieven.
Thomas: Mm?
Ferraud: Eén ding staat vast: u bent op mij afgestuurd, omdat men mij als één der grote figuren achter de schermen van de zwarte handel beschouwt. Klop dat, of niet?
Thomas: Het klopt, ja... Nee nee nee nee, u moet werkelijk nog een plakje vlees nemen... Eén ding begrijp ik niet.
Ferraud: En dat is?
Thomas: Dat u gekomen bent, ofschoon u mij wantrouwt, en weet wat ik wil. Daar moet wel een speciale reden toe zijn.
Ferraud: Die is er natuurlijk. Ik wilde de man leren kennen die misschien mijn vijand zal blijken. En bovendien wilde ik mij informeren omtrent uw prijs, zodat wij mogelijk een regeling kunnen treffen.
Thomas: U bent toch blijkbaar niet zo goed op de hoogte wat mij betreft. Jammer, jammer, monsieur Ferraud. 'k Had mij verheugd op een gelijkwaardige tegenstander.
Ferraud: Er is dus tussen ons geen overeenkomst mogelijk? Dan is het mijn beurt om jammer te zeggen. Ik ben bang dat u het gevaar onderschat waarin u vanaf dit ogenblik zult moeten leven, monsieur. U begrijpt dat ik niemand kan toestaan in mijn kaarten te kijken. En iemand die onomkoopbaar is al helemaal niet.
Thomas: In deze vijandige stemming eindigde het etentje met monsieur Ferraud. Ik had niet de indruk dat ik hem onder dezelfde omstandigheden nog eens terug zou zien. Ik was thuis toen de telefoon ging. Het was de 13de september, om 13:46 uur, een historisch ogenblik. Had ik kunnen vermoeden wat mij boven het hoofd hing, dan had ik de telefoon laten bellen. Maar ik vermoedde het niet, dus nam ik de hoorn van de haak.
Thomas: Hallo?
Ferraud: Monsieur Lieven?
Thomas: Spreekt u mee.
Ferraud: Monsieur Lieven, het spijt mij dat ik mij bij uw etentje zo koud en agressief gedragen heb.
Thomas: Maar meneer Ferraud...
Ferraud: Nee nee nee... En ik zou het graag willen goedmaken. Zoudt u mij en mijn vrouw het genoegen willen doen vanavond bij ons te komen eten?
Thomas: Bijzonder vriendelijk.
Ferraud: Ik neem aan dat u als agent van de Abwehr wel zult weten waar ik woon. Of niet?
Thomas: Maar natuurlijk, monsieur. Avenue Malakoff, 24. U hebt een heel mooie vrouw, voornamen Marie-Louise, meisjesnaam Kléber. U hebt voorts een Chinese bediende, een kokkin Thérèse, een meisje Suzette, en twee buldoggen.
Ferraud: (lacht) Acht uur? Schikt u dat?
Thomas: Uitstekend, monsieur. Ik zal heel graag komen.
(woning van bankier Ferraud, 13 september 1940, 20:00)
Ferraud: Gaat u zitten, monsieur Lieven. Bijzonder verheugd dat u mijn uitnodiging hebt aanvaard.
Thomas: Eh, vanzelfsprekend, monsieur.
Ferraud: Eh... mijn vrouw komt direct.
Thomas: Mm.
Ferraud: Ik zal vast een drankje voor u mixen.
Thomas: Oh, graag.
Ferraud: (laat een glas vallen) Ja, wat 's dat nou? M'n... m'n handen trillen blijkbaar. Ja, ik word oud, en ik drink de laatste tijd veel. Alstublieft. Santé!
Thomas: Santé.
Ferraud: Ah, daar is mijn vrouw. Marie-Louise..., monsieur Lieven.
Thomas: Madame...
Marie-Louise: Prettig eh... u te ontmoeten, monsieur Lieven. En ik dank u voor de prachtige orchideeën.
Thomas: Het was mij een waar genoegen, madame.
Ferraud: Ook een drankje, chérie?
Marie-Louise: Nee nee, dank je.
Ferraud: Wat is er? Je lijkt zo nerveus.
Marie-Louise: O, het is heus niets. Alleen...
Ferraud: Is het...
Marie-Louise: Ja.
Ferraud: Ach, excuseert u mij een ogenblik, monsieur Lieven. Ik moet even iets regelen.
Thomas: Vanzelfsprekend, monsieur. Is er soms iets dat ik voor u kan doen, madame?
Marie-Louise: O, neemt u mij dit alles niet kwalijk, alstublieft, ik eh... ik heb wat moeilijkheden met m'n nichtje.
Thomas: O, maar dat spijt mij, madame.
Marie-Louise: Zij zou aanvankelijk met ons eten, weet u...
Thomas: Aha.
Marie-Louise: ...maar... nu wilde ze zojuist het huis ontvluchten. Onze bediende Shen-Tai heeft dat op het laatste ogenblik kunnen verhinderen.
Thomas: En... waarom wilde uw nichtje vluchten, als ik vragen mag?
Marie-Louise: Om u.
Thomas: Oh! Om... mij?
Marie-Louise: Ja. Zij... zij wilde u niet ontmoeten.
Thomas: Maar...
Marie-Louise: Mijn man is nu bij d'r in de salon.
Thomas: Ja maar, gezien de beweegreden van uw mij onbekende nichtje, zou ik haar toch wel willen ontmoeten. Wellicht kan dat verhelderend werken?
Marie-Louise: Zo u wilt. Gaat u dan mee?
Thomas: Heel graag, Madame. (ze gaan naar de andere kamer) Yvonne
Deschamps: Goedenavond, Sonderführer Lieven.
Thomas: Goedenavond, mademoiselle Deschamps.
Ferraud: Wij-wij hebben Yvonne niet verteld wie er vanavond op bezoek kwam. Eh... ze hoorde bij uw binnenkomst uw stem, herkende die, en wilde weglopen. U kunt zich wel indenken waarom.
Thomas: Inderdaad...
Ferraud: Enfin, wij hebben ons nu vrijwillig aan u overgeleverd, monsieur Lieven. Yvonne verkeert in doodsgevaar.
Thomas: Mm.
Ferraud: De Gestapo zit haar op de hielen.
Thomas: Maar eh...
Ferraud: Als zij niet geholpen wordt, is zij verloren. U bent bankier, net als ik. Ik wil niet spreken over sentimenten, ik spreek alleen over zaken. U wilt inlichtingen over de zwarte markt, ik wil dat het nichtje van mijn vrouw niets zal overkomen. Ben ik duidelijk?
Thomas: Volkomen. Hoe komt het dat de Gestapo u op de hielen zit? (Yvonne kijkt de andere kant uit)
Marie-Louise: Yvonne!
Thomas: Uw nichtje en ik zijn hele goeie ouwe vijanden, madame. Ze kan mij niet vergeven dat ik haar destijds bij Clermont-Ferrand heb laten lopen. Ik heb haar nog het adres gegeven van een vriend, een zekere Bastian Fabre. Die zou haar zeker verborgen hebben, maar ze schijnt 'm helaas niet opgezocht te hebben.
Ferraud: Zij is naar de leider van de maquis van Limoges gegaan om in de résistance te kunnen blijven werken.
Thomas: Hm! Onze kleine patriottische heldin.
Ferraud: Er zat een verrader in de groep: de marconist. Vijfenvijftig man werden gearresteerd, zes zoekt men nog. Eén van die zes zit hier.
Marie-Louise: Yvonne heeft familie in Lissabon. Als ze Lissabon kan bereiken, is ze gered.
Ferraud: Monsieur Lieven?
Thomas: Ik begrijp het.
Shen-Tai: Madame, le diner est servi.
Marie-Louise: We komen, Shen-Tai. Het diner is opgediend. Laten we gaan.
Thomas: Mag ik u m'n arm aanbieden, mademoiselle?
Yvonne: Nee, meneer, dat mag u niet.
Thomas: Dat zult u zo spoedig mogelijk moeten afwennen, charmante collega.
Yvonne: Wat bedoelt u?
Thomas: Dat schrikken als u mij hoort, en dat blozen als u mij ziet. Als agente van de Duitse Abwehr moet u zich beter beheersen.
Yvonne: Als wat?
Thomas: Als agente van de Duitse Abwehr. Wat hebt u? U dacht toch niet dat ik u als Franse verzetsstrijdster naar Lissabon zou kunnen brengen?
(Hotel Lutetia)
Werthe: Nee Lieven, nee! Je vraagt het onmogelijke van me. Ik kan dit niet toestaan.
Brenner: Overste, misschien mag ik mij veroorloven op te merken dat Sonderführer Lieven ook bij het oprollen van de Maquis Crozant ongebruikelijke methoden heeft voorgesteld, en dat we daarmee succes hebben gehad. Als die Ferraud werkelijk...
Thomas: En-en-en dat doet ie, als ik het meisje naar Lissabon breng.
Brenner: Wie weet wat voor een slag we dan kunnen slaan.
Werthe: Goed dan, je krijgt je legitimatie. Maar ik sta erop dat je 't meisje persoonlijk met de trein naar Marseille brengt, en geen stap van haar zijde wijkt voor ze in 't vliegtuig zit. Begrepen?
Thomas: Mm.
Werthe: 't Ontbreekt er nog maar aan dat de SD gaat beweren dat de Abwehr Franse verzetslieden dekt.
(17 september 1940, in de nachtexpres naar Marseille die vertrok te 21:50)
Thomas: Wat is er? Waarom kijkt u mij zo aan? Heb ik Frankrijk soms weer verraden?
Yvonne: Ach, die-die champagne en die bloemen. Waarom doet u dat?
Thomas: Om u te kalmeren. U bent één brok zenuwen. Bij ieder geluid krimpt u in elkaar. En er kan u niets gebeuren: u heet Madeleine Noël, en u bent een agente van de Duitse Abwehr. U hebt een legitimatie van de Duitse Abwehr, en u reist in een slaapcoupé gereserveerd voor de Duitse Abwehr. Kom nou, drink op het succes van onze onderneming. Santé!
Yvonne: Santé...
Thomas: Na de eerste fles champagne verloor Yvonne haar angst. We praatten over neutrale dingen, en lachten, maar plotseling verstarde ze weer en wendde haar blik af. Ik ging naar m'n slaapcoupé. Ik had net m'n pyjamabroek aangetrokken toen de trein een scherpe bocht in ging. Ik verloor het evenwicht en kwam met een dreun tegen de verbindingsdeur terecht. Die sprong open en ik rolde Yvonnes coupé binnen. Ze lag al in bed, en vloog verschrikt overeind.
Yvonne: (schrikt) Wat-wat is er?
Thomas: Ho! Neem me niet kwalijk. Ik heb het niet met opzet gedaan, ik eh... Wel-wel te rusten.
Yvonne: O, wacht 'ns even.
Thomas: Wat is er?
Yvonne: Die-die littekens...
Thomas: Ooo, dat? Die-die heb ik overgehouden aan een ongeval.
Yvonne: Nee, nee nee, je liegt.
Thomas: Wat?
Yvonne: Ik heb een broer gehad. De Gestapo heeft 'm twee keer gearresteerd. De tweede keer werd ie opgehangen, de eerste keer gefolterd. Toen hij thuiskwam uit het ziekenhuis had hij diezelfde littekens. (zucht) Oo... Ooo... en ik heb u beschimpt, verdacht gemaakt...
Thomas: Yvonne...
Yvonne: Vergeef me, vergeef me, asjeblieft, vergeef me.
Thomas: Yvonne...
Yvonne: Ik.. ik eh... oh...
(Op 22 september is Thomas terug in Parijs.)
(Woning van Ferraud, 16:00 uur)
Ferraud: Monsieur Lieven, wat ben ik blij u te zien. Dank.
Thomas: Monsieur Ferraud, Yvonne is in Lissabon. Zij is veilig, u niet. Minder dan ooit.
Ferraud: Hoezo?
Thomas: Ik ben mijn deel aan de overeenkomst nagekomen, nu is 't uw beurt. Maar voor we verdergaan zal ik u in het kort vertellen wat mijn onderzoek naar uw transacties heeft opgeleverd. U bent een wetsovertreder van bijzondere soort. U houdt zich wel met kettinghandel bezig op enorme schaal, maar niet om goederen aan de Duitsers te verkopen, doch ze voor de Duitsers in veiligheid te brengen. U tracht Frans bezit te redden. Hiertoe hebt u balansen vervalst, te lage productiecijfers opgegeven van bedrijven die onder uw beheer staan, en reusachtige hoeveelheden goederen in schijn aan de Duitsers verkocht. Klopt dat?
Ferraud: Ja.
Thomas: Ik zeg u dat die zaak fout loopt. En daarom wil ik u een goeie raad geven voor het zover komt: vraag zo snel mogelijk Duitse beheerders aan, dan zal geen mens zich meer om uw fabrieken bekommeren. Ach, en die beheerders, die zult u toch wel een rad voor ogen kunnen draaien, neem ik aan...
Ferraud: Ja... Ik dank u.
Thomas: Niet nodig. En nu ter zake. Maar ik waarschuw u,
Ferraud: als uw inlichtingen niks waard zijn, dan draait u de bak in. Ik heb niet uitsluitend begrip voor Franse standpunten. Yvonne is tenslotte met Duitse hulp gered.
Ferraud: Dat weet ik, en dat erken ik ook. En wat ik u ga vertellen, kan u helpen één der grootste zwartehandel- organisaties te torpederen. De laatste maanden zijn in Frankrijk Duitse Rijkskredietkasbiljetten opgedoken in enorme hoeveelheden. U weet natuurlijk wat dat voor biljetten zijn?
Thomas: Natuurlijk. Bezettingsgeld. 't Wordt door Duitsland in de bezette landen in omloop gebracht, om te voorkomen dat te veel echte Duitse bankbiljetten in het buitenland terechtkomen.
Ferraud: Juist. Die Rijkskredietkasbiljetten hebben doorlopende serienummers. Twee cijfers van het serienummer, die altijd op dezelfde plaats staan, geven aan voor welk land de biljetten bestemd zijn. In het afgelopen half jaar zijn er met dergelijke kasbiljetten goederen ter waarde van omstreeks twee miljard opgekocht. Biljetten ter waarde van één miljard droegen niet het Franse, maar het Roemeense serienummer.
Thomas: Roemeens? Maar hoe kan een dergelijke hoeveelheid Roemeense biljetten in Frankrijk zijn verzeild?
Ferraud: Dat weet ik niet, ik weet alleen dat ze er zijn. En, monsieur, ik geloof niet dat Fransen in de gelegenheid zijn deze voor Roemenië bestemde zondvloed om te leiden naar eigen land.
(2 uren later, in Hotel Lutetia)
Thomas: En zo is de situatie, overste. Maar voor Ferraud staat het vast dat de biljetten alleen door Duitsers het land binnengebracht kunnen zijn.
Werthe: Dus daarvan is uw monsieur Ferraud overtuigd?
Thomas: Wat is er aan de hand? Ja, wa-wat betekenen die blikken?
Brenner: Er staan uw vriend Ferraud grote moeilijkheden te wachten. Sinds een half uur zitten er SD-mensen in z'n huis.
Thomas: Wat?!
Brenner: Ja, als u wat langer bij hem was gebleven, had u uw ouwe vriend, de Sturmbannführer Eicher en z'n adjudant Winter de hand kunnen drukken.
Thomas: Ja, maar wat-wat is er gebeurd?
Brenner: Twee dagen geleden werd in Toulouse een Untersturmführer Erich Petersen vermoord, neergeknald in z'n hotel. De dader ontkomen. En voor de SD staat vast dat de moord een politieke achtergrond heeft. De Führer heeft een staatsbegrafenis bevolen.
Werthe: Himmler eist dat de zaak fors wordt aangepakt.
Brenner: De SD in Toulouse heeft de Franse politie bevolen een lijst op te stellen met de namen van 50 communisten, 100 joden. Deze zullen als represaille worden doodgeschoten.
Werthe: Charmant van de Franse politie, die tegemoetkomendheid. Vindt u niet, monsieur Lieven?
Thomas: Ja, een ogenblik, een ogenblik. Ik heb twee vragen. Ten eerste, waarom wordt er zo'n drukte gemaakt over die Petersen?
Brenner: Omdat Untersturmführer Petersen drager van de Bloedorde was. Daarom is Bormann persoonlijk naar Himmler gelopen en heeft bloedige vergelding geëist.
Thomas: Mooi. Vraag twee: wat heeft Ferraud met die moord in Toulouse te maken?
Werthe: De SD daar heeft een reeks getuigen verhoord. Daaronder bevindt zich ook een (farman?) (a moneylender in a small way) van de Gestapo, een zekere Victor Robinson, en deze heeft de SD de bewijzen geleverd dat Ferraud de man op de achtergrond van deze moord is.
Thomas: Overste, Ferraud is ervan overtuigd dat er Duitsers aan het hoofd staan van het bedrog met die kasbiljetten. Vindt u het nou niet eigenaardig dat de SD de bankier Ferraud precies arresteert op het moment dat hij voor ons interessant blijkt te zijn? Ik eh... heb zo het gevoel dat u Ferraud op dit ogenblik niet mag laten vallen.
Werthe: Tja..., hoe stel je je dat voor?
Thomas: Ik heb in Toulouse een vriend, Paul de la Rue, een man die de onderwereld daar op z'n duimpje kent. Het is uitgesloten dat er in die stad één misdrijf wordt gepleegd waar hij niet achter kan komen. En hij vertelt mij alles. Laat mij dus naar Toulouse gaan.
Werthe: En de SD? Hoe wil je dat oplossen?
Thomas: U moet contact opnemen met Eicher, overste. U moet 'm duidelijk maken dat Ferraud voor ons buitengewoon belangrijk is. U moet 'm de medewerking aanbieden van de Abwehr om de moord op Petersen op te helderen.
Brenner: Ja, ja, ik ben geneigd het eens te zijn met Lieven. We moeten ons nu niet laten uitrangeren.
Werthe: Dus.. ik moet weer 'ns naar dat zwijn toe. Je weet net zo goed als ik, Brenner, dat Eicher de laatste tijd grote morele steun heeft aan zijn nieuwe medewerker.
Brenner: Mm.
Werthe: Obersturmführer Redecker, de zwager van Herr Himmler persoonlijk.
Thomas: Dat weet ik.
Werthe: En ik voel er niks voor bij die schoften op te zitten en pootjes te geven.
Brenner: Geen sprake van opzitten en pootjes geven, overste, gewoon de ouwe truc toepassen: u gaat er naartoe in groot tenue en maakt er een Geheim Commando van.
Thomas: Dat is het! Natuurlijk!
(23 september 43, bijna 19:00 uur, op 84, Avenue Foch)
Sturmbannführer WalterEicher: Die verrekte rot-Lieven! Het is iedere dag wat anders.
Obersturmführer Ernst Redecker: En wat is het vandaag dan, beste Eicher?
Eicher: Ach, overste Werchte van de Abwehr was vanmorgen bij me. Je kent 'm toch, Redecker?
Redecker: Zeker. En wat moest ie?
Eicher: Het ging over die moord op Petersen.
Redecker: Wat?
Eicher: Ach, neem me niet kwalijk. Ik vergat dat u goed bevriend was met Erich Petersen.
Redecker: En wat had Werchte te zeggen?
Eicher: Dat de Abwehr grote belangstelling had voor Ferraud, de sleutelfiguur van een geweldig smokkelsyndicaat waartoe blijkbaar ook Duitsers behoren.
Redecker: Nou, en? Wat heeft Petersen met deviezensmokkel te maken?
Eicher: Niets natuurlijk, maar Werchte verzocht mij het onderzoek naar de moord in combinatie met de Abwehr te verrichten.
Redecker: En dat hebt u natuurlijk geweigerd.
Eicher: Natuurlijk. En toen kwam ie op de proppen met een Geheim Kommando Sache, en stond erop hier vandaan met Canaris te bellen, en die heeft blijkbaar met uw zwager gesproken, want een half uur geleden kreeg ik een telex.
Redecker: En?
Eicher: Het onderzoek dient in samenwerking met de Abwehr te geschieden. Werthe is al naar Toulouse vertrokken, en wie vergezelt hem? Meneer Lieven! Een smerige dubbelagent, een schoft die al jaren in een massagraf hoorde te liggen. Als ik die ooit nog 'ns weer in m'n vingers krijg...
(Thomas in Toulouse bij Paul de la Rue)
Thomas: Ik ben dus met mijn overste naar Toulouse gekomen in de hoop dat jij me zou kunnen helpen, Paul. Ik moet weten wie die Untersturmführer Petersen heeft neergeknald. Ik moet weten of het een verzetsdaad is geweest of niet.
Paul de la Rue: Een politieke moord was het zeker niet.
Thomas: Ja, dat moet je me dan maar 'ns bewijzen, door me te zeggen wie 'm neergeschoten heeft, en hoe, en waarom.
Paul: Maar Pierre, ik kan toch geen landgenoot verraden die een smerige nazi heeft neergeknald!
Thomas: Nou moet je 's goed luisteren,
Paul: de nazi's hebben 150 mensen gearresteerd, landgenoten van je. Die worden bij wijze van represaille doodgeschoten. Dat kunnen we alleen verhinderen door te bewijzen dat het geen politieke moord is geweest, dat die Petersen een of ander vuiltje heeft uitgehaald. Dus wie heeft Petersen neergelegd?
Paul: (zucht) Een zekere Louis Monico, een Corsicaan. Louis le Rêveur werd ie genoemd.
Thomas: En wie is die Dromer? Een verzetsman?
Paul: Welnee, een echte gangster. Nog heel jong. Hij heeft al vier jaar gezeten voor doodslag. Hij heeft het zwaar aan z'n longen.
Thomas: En waarom heeft ie 'm neergelegd?
Paul: Naar wat ik ervan gehoord heb, is die Petersen een enorm zwijn geweest. Hij is niet neergeknald omdat hij de Bloedorde had of lid was van de SD. Hij was hier als particulier. En weet u wat ie deed? Hij kocht goud op.
Thomas: Kijk 'ns aan...
Paul: Hij kocht iedere hoeveelheid. 't Moet een enorme kettinghandelaar zijn geweest.
Thomas: Meneer Petersen van de SD, illegaal handelaar in goud. En de Führer beveelt de staatsbegrafenis. D'r worden gijzelaars doodgeschoten, en Duitsland heeft een held verloren. Heil!
Paul: Pff. Zoals je zegt. Enfin, mettertijd kreeg de Dromer vertrouwen in Petersen, en de dag in kwestie kwam ie met een groot bedrag aan goud bij hem in het hotel. "Hoeveel heb je nu?" vroeg Petersen. "300 louis d'or en 35 staven. Waar is 't geld?" Toen zei die Petersen: "Ik ben Untersturmführer Petersen van de SD. Je bent gearresteerd". Louis Monico schoot door zijn rechterzak heen, drie kogels troffen Petersen in de borst. Was meteen dood. De Dromer pakte z'n koffers met goud, en verdween.
Thomas: Van wie weet je dat allemaal?
Paul: Van z'n broer.
Thomas: Heeft ie je dat zomaar verteld?
Paul: Ja, het komt er eigenlijk niet meer zo op aan. Ik vertelde je toch al dat de Dromer het aan z'n longen heeft? Drie dagen geleden heeft ie een bloedspuwing gehad. Ligt in 't ziekenhuis. Hij heeft nog maar een paar dagen. Je kunt er met je overste heen gaan. Hij is bereid een verklaring af te leggen, en dan heb je 't bewijs waar je zo naar zoekt.
(27 september 43, 16:15 uur - Werthe telefoneert Brenner vanuit Toulouse)
Brenner: Majoor Brenner.
Werthe: Werthe hier. Uit Toulouse. Luister goed: wat ik te zeggen heb, is van het grootste belang.
Brenner: Jawel, overste.
Werthe: We hebben de moordenaar van Petersen gevonden.
Brenner: Overste..., wat een geluk! Maar die geldschieter, die Victor Robinson, die heeft Ferraud immers beschuldigd?
Werthe: Hebben we intussen ook opgehelderd. Robinson werkte samen met Petersen. Hij is vroeger in dienst geweest bij Ferraud, maar die heeft 'm eruit geschopt. Daarom wilde ie zich wreken. Maar, dat is nog niet alles, Brenner! De hoofdzaak komt nog. Voor zover Lieven heeft kunnen nagaan had Petersen ook te maken met die enorme zwendel met Rijkskredietbiljetten. Versta je me, Brenner?
Brenner: Ik versta u uitstekend, overste.
Werthe: Wij weten nog niet precies hoe de samenhang is, maar d'r is geen seconde te verliezen. Als het juist is dat Petersen bij die smokkel betrokken was, krijgen we natuurlijk een enorm schandaal, en zal de SD uiteraard proberen de zaak in de doofpot te stoppen. We zijn ze dus tot dusver voor. Majoor Brenner, u neemt een paar betrouwbare mannen.
Brenner: Tot uw orders.
Werthe: Lieven is erachter gekomen dat Petersen een geheim adres heeft, Avenue Mozart 28. De SD schijnt er niet van op de hoogte te zijn. Daar gaat u heen.
Brenner: Tot uw orders, overste.
Werthe: Haal alles ondersteboven. Breng alles wat u aan verdacht materiaal in handen krijgt in veiligheid, voor de SD het laat verdwijnen. Begrepen?
Brenner: Jawel, overste. (legt de hoorn neer) Die Lieven... Een geweldige kerel! (draait een nummer) Ja? Een wagen met drie man voor onmiddellijke actie. En schnell! Schnell!! Schnell!
(Avenue Mozart 28, 16:50 uur)
Brenner: Monsieur Petersen!
Conciërge: Maar monsieur, de dames zijn immers boven!
Brenner: Welke dames?
Conciërge: Madame Lily Page en haar kamenier.
Brenner: Wie is madame Page?
Conciërge: De vriendin van monsieur Petersen, natuurlijk. Hij is zelf op reis, al een paar dagen.
Brenner: Naar boven. (loopt de trap op, bonst op de deur - deur wordt geopend)
Brenner: U bent madame Page?
Page: Zeker, monsieur. Wat wenst u?
Brenner: Madame Page, ik ben majoor Brenner, ik heb opdracht uw woning te doorzoeken.
Page: Huh, wel, komt u binnen, en ga uw gang.
Brenner: Ja, wat moet dat? Madame, het lijkt me onnodig dat zonnescherm te laten zakken. Ik verzoek de schoonheid van madame in het volle daglicht te mogen bewonderen.
Page: Mm... Charmant... Wel, misschien wilt u dan nu met de huiszoeking beginnen, majoor?
Thomas: Naar het gegiechel van de kamenier te oordelen, waren zijn mannen daar al mee begonnen. Geërgerd opende de majoor een mahoniehouten kastje. Wat hij daarin ontwaarde, bracht 'm het schaamrood op de kaken. Hij had wel eens gehoord dat er boeken, foto's en voorwerpen bestonden die het licht der openbaarheid niet verdragen konden, maar had er zich nooit een voorstelling van kunnen maken. Monsterachtig! Verdorven! Geen wonder dat een dergelijke natie de oorlog verloor... Hij ging naar de kamer ernaast, waar zijn mannen zich op de boekenkast hadden gestort. De majoor huiverde van ontzetting toen hij zag waar ze zo 'n plezier over hadden. Hij gelastte de mannen de boekenkast en de kamenier met rust te laten. Net was hij terug bij de weelderige Lily Page,toen toen...
(deurbel)
Brenner: Geen woord, of ik schiet! (opent de deur) Je handen omhoog. Kom binnen.
Page: Prosper! Idioot! Waarom kom je boven?
Prosper: Huh, waarom zou ik niet naar boven komen? Het zonnescherm was toch opgehaald?
Brenner: Ha, zeg op, wie ben jij?
Prosper: Prosper Longtemps. Etaleur. 28 jaar.
Page: Monsieur le commandant, ik zal alles eerlijk zeggen. Prosper is mijn... is mijn geliefde. Ik heb Petersen met hem bedrogen van het begin af. Gelooft u mij?
Brenner: Nee. Jij daar, sluit die vent in de badkamer op, en blijf d'r zelf voor staan. (Longtemps wordt weggebracht)
Page: Moet dit nog lang duren, majoor?
Brenner: Net zolang tot ik nadere orders krijg, en net zolang blijft u ook hier in deze kamer, madame.
(Lieven is terug om 22:10 uur. Avenue Mozart)
(deurbel)
Brenner: Blijft u zitten, madame! U bent gewaarschuwd. (opent de deur) Ach, meneer Lieven. Gelukkig dat u d'r eindelijk bent.
Thomas: Goedenavond, majoor. Goedenavond, madame. Ik neem aan dat u Lily Page bent.
Page: Die ben ik, monsieur.
Thomas: Mijn complimenten, madame. Iets gevonden, majoor?
Brenner: Alleen onoorbare zaken, niets van belang. 'k Heb wel een gevangene.
Page: Prosper... Prosper is mijn geliefde, monsieur. Van de zaken die Petersen doet, weet ie niets.
Thomas: Van de zaken die Petersen deed. Erich Petersen is namelijk in Toulouse gevallen onder de kogels van een zakenrelatie.
Page: Zo! Dus ze hebben de smerige schoft eindelijk z'n vet gegeven.
Thomas: Laat u niet door smart overweldigen, madame...
Brenner: Ja, maar ik dacht dat... stem (Raddatz?): Wat zullen we nou hebben?
Brenner: Kerel, durf jij mij in de rede te vallen? En blijf met je smerige vingers van die kast. stem (Raddatz?): Wie zou hier nou Rijkskredietkasbiljetten verwachten?
Thomas: Kijk eens aan...! Madame, staat u ons toe dat we nog even opnieuw gaan zoeken?
Page: Met genoegen. Ik wil u zelfs wel vertellen waar u zoeken moet: overal waar de majoor zijn mensen verboden heeft te zoeken.
Thomas: Madame, mag ik u vragen naar uw kamer te gaan? Ik kom straks naar u toe. Wel majoor, laten we de stofkam maar eens gaan hanteren...
Thomas: Geen geringe oogst, madame. Vijf miljoen Mark in Rijkskredietkasbiljetten van Roemeense uitgave. Zegt u dat iets?
Page: Neee...
Thomas: En Prosper?
Page: Ook niet. Ik spreek de waarheid, monsieur: Prosper is mijn grote liefde. Alleen om hem heb ik het hier uitgehouden met Erich, met-met-met dat zwijn! Maar u gelooft me immers toch niet...
Thomas: Ik geloof u wel degelijk, madame. Ik heb een gesprekje gehad met Prosper. Een jaar geleden heeft de SD 'm gearresteerd. Hij werd verhoord door een zekere Understurmführer Petersen. U ging naar 'm toe om een goed woordje voor Prosper te doen. Lily Page viel bij Petersen in de smaak. Hij beloofde Prosper vrij te laten als eh... En u werd noodgedwongen Petersens geliefde.
Page: Zo is het precies gegaan, monsieur.
Thomas: Luister goed, madame. Ik ben bereid Prosper te beschermen, onder één voorwaarde.
Page: Ah, ik begrijp u...
Thomas: Dat geloof ik niet. Petersen was verwikkeld in een grote geldzwendel. Ik moet weten hoe die biljetten Frankrijk zijn binnengekomen. Als u ons daarmee kunt helpen, zal ik uw Prosper in bescherming nemen.
Page: Daar hangt een schilderij, monsieur, Leda met de Zwaan.
Thomas: O, juist, ja.
Page: Neemt u dat van de muur.
Thomas: Aha! Een muursafe.
Page: Zet u het slot op 4-7-1-3-2.
Thomas: Ja. ...1-3-2...
Page: Mm. U ziet daar een in zwart leer gebonden boek. Petersen was een walgelijk pedante vent, hij hield van alles aantekeningen, van mannen, van vrouwen, van geld. Dat is zijn dagboek. Als u dat gelezen hebt, dan weet u alles.
Het recept is niet uitgeschreven.