Home / Index K. / Het kan niet altijd kaviaar zijn / Deel 10 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Deel 10 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Weerzien met een oude bekende.

Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.

Beluister deel 10 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van deel 10.

Luc Lutz Thomas Lieven
Hans Veerman Bastian Fabre
Dick Scheffer Reuben Achazian
Frans Kokshoorn Een Rus
Sacha Bulthuis Doenja Melanin
Dolf de Vries Johannes Simmel
Niek Engelschman Kapitein
Frans Kokshoorn Marconist
Floor Koen Directeur
Maarten Kapteyn Marlok
Donald de Marcas Beambte
Paula Majoor Kitty
Huib Orizand Sjallenberg
Niek Engelschman Vermont
Auteur: Johannes Mario Simmel
Bewerking: Dick van Putten
Regie: Hero Muller
Omroep: AVRO
Dit deel is uitgezonden op: 24-05-1979

Het script van deel 10.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

(Wiesbaden, augustus 1947)

Thomas Lieven: Sedert de verrassende komst van Doenja, de echtgenote van de Russische overste Melanin, waren er twee maanden verlopen. Het was augustus 1947. Bastian, Reuben Achazian en ik - Ernst Heller zoals ik mij nu noemde - bewoonden een groot pand aan de Parkstrasse in Wiesbaden, van waaruit wij de handelsonderneming Achazian bestuurden die wij hadden gesticht. Doenja woonde op een gemeubileerd kamer in de buurt. Ze kwam niet iedere avond, maar als zij kwam... (zucht) Nou ja... Onze onderneming kocht geweldige hoeveelheden goederen op van de ZVG. Niet alleen materiaal van de vroeger Duitse Wehrmacht, maar ook overbodig materiaal van de Amerikanen.

Bastian: Aan wie moeten we die spullen in 's hemelsnaam allemaal verkopen!?

Thomas: Tja, met Amerika kunnen wij geen zaken doen, hè, daarvoor hebben wij alle drie een te ongunstig verleden.

Bastian: Tja, ja.

Thomas: Wij moeten ons dus tot anderen wenden, en wel tot die landen die in staat van oorlog verkeren, want die mogen niet kopen van de ZVG.

Bastian: Mm.

Thomas: Da's door de Amerikanen verboden.

Achazian: Ik eh... ik heb een zekere Aristoteles Pangalos aan de hand, die optreedt als vertegenwoordiger van de Griekse partizanen. En eh... ook nog ene meneer Ho Irawadi uit Indochina.

Bastian: Maar die kerels kunnen we toch geen wapens verkopen.

Thomas: Als wij het niet doen, dan doen anderen het wel. En daarom zullen wij het doen, maar zo dat de heren d'r geen plezier aan zullen beleven...

Bastian: Dat moet je me nou maar 'ns even uitleggen.

Thomas: (lacht) Uitstekend. Kijk, in de buurt van Mainz heb ik een lege fabriekshal gehuurd.

Bastian: Ja.

Thomas: Daar gaan we het kruit uit de munitie halen en vervangen door zaagsel.

Achazian: (lacht)

Bastian: Ha, dat klinkt beter, ja.

Thomas: De machinepistolen zijn verpakt in kisten met ingebrande merktekens. Ik heb een timmerfabriek gevonden die precies dezelfde kisten met precies hetzelfde brandmerk voor ons gaat maken.

Bastian: Zo zo.

Thomas: Ook de afsluitloodjes worden nagemaakt. En met groene zeep kunnen we de kisten het juiste gewicht geven.

Bastian: En eh... wat gebeurt er met het kruit en de machinepistolen?

Thomas: Ach, de goederen worden verscheept via Hamburg, en even buiten Hamburg is het water erg diep, dus...

Achazian: Ja ja... (lacht)

Thomas: Moet ik nog verder gaan?

Achazian: Nee nee, nee nee, het is duidelijk genoeg. Kom, ik vind het wel welletjes voor vandaag. Ik wens de heren een goede nachtrust.

Bastian: Ja.

Thomas: Ja, hetzelfde.

Bastian: Welterusten. (Reuben verlaat de kamer)

Thomas: Ja, dan eh... ga ik ook maar 'ns slapen. Ik ben wel moe.

Bastian: Ja. Vind je 't gek?

Thomas: Wat bedoel je?

Bastian: Wat ik bedoel... is Doenja.

Thomas: 'k Begrijp niet wat jullie tegen d'r hebben. Ze is charmant, ze kookt voor jullie, ze is vlijtig, ik-ik... ik vind haar allerliefst...

Bastian: Maar ze vergt te veel van je krachten. Kijk 'ns hoe je handen trillen.

Thomas: Ach, onzin.

Bastian: Helemaal geen onzin. Die vrouw vernielt je. Dat kan zo niet langer.

Thomas: Nee. Eh... ja, ik ben 't eigenlijk wel met je eens, ja. Ze is opwindend, en vermoeiend!... O, ze maakt scènes om niks, zeg. Uit liefde, uit jaloezie, uit alles.

Bastian: En daarom moet er een end aan komen.

Thomas: Ja, maar hoe? De deur uitsmijten kan ik 'r niet. Ze gaat eenvoudig niet.

Bastian: Als je d'r goed aanpakt, gaat ze wel.

Thomas: Ja, naar de politie.

Bastian: Maar vervloekt, man, nog aan toe, je moet toch een beetje aan je toekomst denken.

Thomas: Dat doe ik ook. Kijk die zaken hier, die kunnen onmogelijk lang goed blijven gaan. En dan moeten wij plotseling weg. Plotseling... Te plotseling voor Doenja, snap je?

Bastian: 'k Snap het..., maar 'k heb m'n twijfels.

Thomas: Hoe dan ook, de tijd ging verder, en het zakendoen ook. We verkochten aan de Griek en de Indochinees kogellagers, trucks, jeeps en ploegen. Zaken waarmee ze tenminste geen ellende konden veroorzaken. Wij kwamen tot de ontdekking dat je uit iedere Amerikaanse slaapzak een broek kon maken. We hadden d'r 40.000. Confectiefabrieken in Zuid-Duitsland herinneren zich tot op de huidige dag nog de stortvloed van materialen en opdrachten die in november '47 over hen heen sloeg. In het voorjaar van '48 kwamen we tot de afwikkeling van de munitiezaken. Deze munitie was intussen onderworpen aan een voorbehandeling, evenals de kisten met machinepistolen. De schepen met ladingen voor Griekenland en Indochina staken in zee.

(14 mei 1948)

Bastian: Wel... die zijn een mooi tijdje onderweg.

Thomas: Ja. En 't wordt voor ons zo langzamerhand ook tijd dat we maken dat we wegkomen. Wat denk je dat die Grieken en die Indochinezen zullen doen als ze merken wat we hebben uitgehaald?

Bastian: Als ze ons te pakken krijgen, maken ze ons af.

Thomas: Waarschijnlijk.

Bastian: Jawel...

Thomas: Hoewel, mijn filosofie luidt: "Wie geweld levert, komt door geweld om het leven." Wij hebben alleen maar groene zeep geleverd, dus maken we misschien een kans.

Bastian: (lacht) 'k Help het je wensen. (de deurbel rinkelt) Nou, wat nou weer? 'k Doe wel even open. (gaat naar de voordeur)

Thomas: Graag, als je dat wilt doen...

Bastian: (komt weer binnen) Zeg, twee... (slikt) twee heren van de... Russische militaire commissie.

Thomas: Twee heren van de... Ooooo...

Rus: Goeiedag. Bent u meneer Heller?

Thomas: Eh... ja.

Rus: Wij zoeken mevrouw Doenja Melanin. Er is ons verteld dat ze bij u is.

Thomas: He? Eh... ja. Ja! Ja, ze is toevallig hier.

Rus: Staat u ons toe met haar te spreken, met haar alleen?

Thomas: Natuurlijk... natuurlijk! Eh... Bastian, wijs jij de heren even de weg?

Bastian: Ja. Als u mij maar wilt volgen. (gaat hen voor)

Rus: Ja, dank u wel.

Thomas: Oooo...

Bastian: Gaat u naar boven, tweede deur aan de linkerkant.

Thomas: Ooo, wat hangt ons nou weer boven het hoofd?

Bastian: (komt weer binnen en sluit de deur) Wat nou?

Thomas: Ja, 'k weet het niet. Man, ik... ik dacht: het is met me gebeurd, hè, ze hebben me gevonden, in verband met die vervalste tekeningen.

Bastian: Kunnen we d'r niet vandoor gaan?

Thomas: Geen kans, zeg. Geloof me dat er buiten ook nog een paar staan. Bovendien krijg ik toch het idee dat het niet om ons gaat, maar om Doenja.

Bastian: Wat zouden ze van d'r moeten?

Thomas: Geen idee. Maar dat er iets niet in de haak is, dat is zeker. Misschien heeft ze... (geluid van voetstappen)

Bastian: Wacht wacht... Ze gaan weg, geloof ik.

Thomas: Ja! Zo te horen...

Bastian: Ja. (Doenja komt binnen)

Thomas: Doenja!

Doenja: Thomas!

Thomas: Wat was dat?

Doenja: Thomas, dit is de gelukkigste dag van m'n leven! O lieveling, we kunnen nu trouwen!

Thomas: Wat? Wat kunnen we?

Doenja: Wij kunnen trouwen!

Thomas: Ma-maar jij bent toch getrouwd?

Doenja: Niet meer.

Thomas: Wat?

Doenja: Sinds twee minuten niet meer. Ze eisten dat ik onmiddellijk naar huis moest terugkeren...

Thomas: Ja, maar...

Doenja: In naam van de rechtbank, waar mijn man een eis tot echtscheiding heeft ingediend. Dat heb ik natuurlijk geweigerd. Toen zeiden ze: "Dan bent u vanaf dit ogenblik gescheiden!"

Thomas: O!

Doenja: Hier, kijk maar, dit is de akte.

Thomas: Sorry, ik-ik lees geen Russisch.

Doenja: Het staat er toch, hoor. Vind je 't niet heerlijk, schat?

Thomas: He? Ja... ja..., natuurlijk!

Doenja: En jij, Bastian, je blijft natuurlijk bij ons als wij getrouwd zijn?

Bastian: Ja, huh...

Thomas: Hè?

Doenja: O, je zult 'ns zien hoe gelukkig we zullen worden...

(18 mei 1948)

(geluid van vallend glas)

Bastian: Wat... wat doe je nou in 's hemelsnaam, wat doe je?

Thomas: Ik moet broom hebben! Ik moet... Anders trek ik die medicijnkast van de muur. Broom! Om m'n zenuwen tot rust te brengen.

Bastian: Ben... ben jij bij Doenja geweest? Hè?

Thomas: Ja! Bastian, ze heeft het huwelijk al van A tot Z geregeld. Over vier weken gaat het gebeuren. Jij bent getuige! En... en ze wil acht kinderen hebben.

Bastian: Rustig!

Thomas: Ik ben verloren als er niet onmiddellijk wat gebeurt. Ik weet alleen niet wat... O, help me, Bastian!

Bastian: Rus... rustig! Rustig... rustig... Ik heb een idee.

Thomas: O ja?

Bastian: Misschien helpt het, maar dan moet ik wel een dag of twee-drie vrij hebben.

Thomas: Neem alle tijd die je nodig hebt, maar doe in 's hemelsnaam wat, Bastian, want ik...

(zes dagen later, 25 mei 1948)

Bastian: Hou nou 'ns op me dat gedrentel, ga nou 'ns lekker zitten. Rustig zitten, krijg je een whisky'tje van me.

Thomas: Rustig nou, jij-jij bent net het gezelschap dat me rust geeft, zeg: in plaats van twee-drie dagen ben je d'r zes weggeweest, en je doet geen bek open. Zeg dan alleen of je wat bereikt hebt!

Bastian: Ja, moeten we afwachten.

Thomas: Ja, afwachten, afwachten! Jij hebt makkelijk praten, zeg. Gisteravond ben-ben ik naar d'r huis geweest. Ze was er niet. Vanmorgen heb ik 'r opgebeld. Geen gehoor. Weet jij daar meer van?

Bastian: Dat moeten we afwachten.

Thomas: Weet je nou niks anders? Man!! (de telefoon rinkelt) Begrijp je nou niet... (neemt op) Hallo?

Doenja: Allo, Thomas, liefste. O, liefste... (ondertussen neuriet, pom-pomt en fluit Bastian de hele tijd door "La donna è mobile")

Thomas: Doenja! Waar ben je?

Doenja: In Frankfurt. Op het vliegveld. Op het kantoor van de Militaire Politie.

Thomas: De Militaire Politie?

Doenja: Ik vlieg naar Amerika, liefste.

Thomas: Jij... jij vliegt...? Wa... wat?

Doenja: Ik vertrek over tien minuten. Ik voel me zo ongelukkig.

Thomas: Wat?

Doenja: Maar geloof me, Thomas, mijn leven hangt hiervan af, ze maken me kapot als ik hier blijf.

Thomas: Ze maken je kapot? Hoe?

Doenja: Ja. Ze hebben dreigbrieven geschreven. Ze hebben me overvallen...

Thomas: Ja?

Doenja: ...en-en-en bijna gewurgd.

Thomas: O...

Doenja: Ze hebben me gezegd dat ze me om zeep zouden brengen, omdat ik niet ben teruggegaan naar huis.

Thomas: Wat?

Doenja: En de Amerikanen zeggen het ook.

Thomas: Wat... wat-wat-wat zeggen de Amerikanen het ook?

Doenja: Natuurlijk niet zoals jij bedoelt.

Thomas: Nee.

Doenja: Ik word in opdracht van het State Department per vliegtuig overgebracht naar Amerika terwille van mijn veiligheid.

Thomas: Ooo...

Doenja: Ik ben tenslotte getrouwd met een hoge Sovjetmilitair. Of getrouwd geweest, Thomas, vergeet dat niet.

Thomas: Doenja, m'n schatje, waarom... waarom heb je me hier nou niks van verteld?

Doenja: Thomas, ik wilde jou niet in gevaar brengen.

Thomas: Ach, m'n schat...

Doenja: Ik mocht er met niemand over praten!

Thomas: Ach...

Doenja: Ja, liefste, ik moet ophangen.

Thomas: Doenja!

Doenja: Ik blijf van je houden, Thomas.

Thomas: Ja.

Doenja: Misschien zullen we elkaar weerzien.

Thomas: Ja!

Doenja: Ja. Vaarwel..., lieve Thomas..., vaarwel.

Thomas: Vaarwel..., m'n lieveling. (legt de hoorn neer) Oh, geef... geef mij ook nog een whisky.

Bastian: Huh?

Thomas: Maar vlug! Oooo...! Dit... dit is zeker jouw werk, hè?

Bastian: Ja, en het was eigenlijk niet eens zo moeilijk.

Thomas: Wat heb jij uitgespookt, smeerlap? (lacht)

Bastian: Eh... ik... (lacht) ik ben naar Neurenberg geweest.

Thomas: Ja, en?

Bastian: Daar heb je in de buurt een eh... een groot kamp voor buitenlandse vluchtelingen.

Thomas: Mm.

Bastian: En in een kroeg heb ik toen twee Russen ontmoet. En voor een schappelijk prijsje waren ze bereid om in het Russisch een paar dreigbrieven te schrijven.

Thomas: Wat heb jij?

Bastian: Ja. En voor wat extra geld wilden ze ook nog wel naar Wiesbaden gaan om een inbraakje te ensceneren en de dame in kwestie een beetje te wurgen.

Thomas: Bastian!!

Bastian: Oooo... 't was gegarandeerd ongevaarlijk. Ik had die Ivan uitvoerig aan z'n verstand gebracht dat 'r niks ernstigs mocht overkomen, hoor. Alleen een beetje schrik aanjagen.

Thomas: O, geef me asjeblieft nog een whisky.

Bastian: Nog een whisky natuurlijk. 'k Geef toe dat het niet zo'n fijne methode was.

Thomas: O, 't was barbaars, Bastian.

Bastian: Maar jij ligt mij nou eenmaal erg na aan het hart. En ik zag jou voortdurend maar met die acht kinderen... Je moet het mij vergeven.

Thomas: (lacht) Natuurlijk. Ik heb je d'r zelf om gevraagd. (lacht)

Bastian: Nou, da's dan weer een zorg minder.

Thomas: Ja. Maar eh... d'r blijven d'r nog genoeg over.

Bastian: Mm? Wat bedoel je?

Thomas: Nou, kijk eh... we hebben hier een massa geld verdiend. Dat moeten we beleggen. En vlug ook.

Bastian: Waarom vlug?

Thomas: Ik heb iets horen verluiden... We gaan in Amerika auto's kopen.

Bastian: We gaan in Amerika auto's kopen... Mooi.

Thomas: Ja.

Bastian: Maar daar moet je dan toch wel dollars voor hebben. Hè? En voor één dollar moet je op het ogenblik tweehonderd R-Marken neertellen.

Thomas: R-Marken hebben we genoeg.

Bastian: Ja, goed, maar hoe krijg je die wagens dan hier? Als Duitser krijg jij geen invoervergunning.

Thomas: Heb ik op gerekend. Ik heb een mannetje leren kennen van het Amerikaanse Militair Bestuur, Jackson Taylor. Hij gaat de actieve dienst verlaten, en hij kan wel een vergunning krijgen. Meneer Taylor richt pro forma een autohandel op in Hamburg, en verkoopt de wagens voor ons.

Bastian: Ja, maar aan wie dan? D'r is hier toch geen sterveling die daarvoor de ping ping heeft.

Thomas: Nee, maar dat wordt binnenkort anders!

Bastian: Oo... En eh... hoeveel auto's wil je kopen?

Thomas: Zo om en nabij de honderd.

Bastian: En laat je die dan meteen hierheen komen?

Thomas: Dat hangt ervan af wanneer het gebeurt.

Bastian: Wanneer wat gebeurt?

Thomas: Dat zal ik je vertellen.

Thomas: De 10de juni 1948 verliet het motorschip Olivia de haven van New York. De 17de bevond het zich, met aan boord onze honderd Amerikaanse auto's, voor de westkust van Frankrijk. Op die dag ontving de marconist het volgende codetelegram.

Kapitein: "Nordeich Radio - 17 juni '48 - 15:43 uur - van rederij Schwertmann Hamburg aan gezagvoerder Olivia - in naam cargo-owner dragen wij u op huidige positie te blijven innemen tot nader order - en Duitse territoriale wateren voorlopig niet aan te lopen - u krijgt nadere orders - einde."

Marconist: Wat zou dat te betekenen hebben, kapitein?

Kapitein: Geen idee. Nou ja, we zullen maar afwachten.

Thomas: Daarop kruiste de Olivia drie dagen en drie nachten lang rond het aangegeven punt. De bemanning kreeg bij toerbeurt dienst, legde een pokertje, en bracht regelmatig een heildronk uit op de onbekende cargo-owner. De 20ste juni ontving de eerste marconist het volgende telegram.

Kapitein: "Nordeich Radio- 20 juni 1948 - 11:23 uur - van rederij Schwertmann Hamburg aan gezagvoerder Olivia - in naam cargo-owner dragen wij u thans op onverwijld haven Hamburg binnen te lopen - einde." Nou, ik begrijp er nog niks van, maar 't is goed nieuws.

Marconist: Maar ik begrijp het nou wel: ik heb net de nieuwsberichten gehoord uit Londen, kapitein. Ze hebben vandaag bij ons in Duitsland een radicale geldsanering aangekondigd. Het ouwe geld is niks meer waard. Er wordt per hoofd maar veertig Mark omgewisseld.

Kapitein: Mm, daar gaan m'n spaarcenten.

Marconist: Wie nou goederen heeft, die zit op fluweel. Net als de eigenaar van onze lading met z'n honderd auto's.

Kapitein: Allemachtig, jij... jij hebt gelijk! Wat een geslepen bliksem! Nou, zoiets moesten wij 'ns uithalen.

Marconist: Ik zou best 'ns willen weten wie dat is, die...

(Zürich, 14 april 1949)

Thomas: Uit eerder genoemde veiligheidsoverwegingen verhuisden Bastian en ik naar een luxeflat in Zürich. Zo kwam de 14de april 1949, een dag die voor mij zeer belangrijk zou worden. 's Avonds ging ik naar de Scala-bioscoop, omdat ik die beroemde Italiaanse film "Fietsendieven" wilde zien. Vooraf kwam het journaal met een flits van de Hamburgse voorjaarsderby. Elegante paarden, heren in jacket, betoverende vrouwen... Het beeld kwam dichterbij. En plotseling, in een close-up, plotseling zag ik hem levensgroot voor me...

Bastian: Je bent er dus zeker van dat het 'm is?

Thomas: Ja, wat dacht je?

Bastian: Geen sprake van een toevallige eh... gelijkenis?

Thomas: Heel zeker. Een beetje dikker gevreten, maar hij is het, daar durf ik alles onder te verwedden.

Bastian: Da's ook een rare ervaring geweest?

Thomas: O, hou d'r over op, Bastian. 't Zweet brak mij uit. Als je denkt dat iemand voorgoed verdwenen is, en je ziet 'm plotseling in close-up voor je.

Bastian: Ja... ja.

Thomas: Keurig in jacket met grijze hoge hoed en verrekijker op de borst, meneer Robert E. Marlock, mijn vroegere compagnon in Londen, de schoft die verantwoordelijk is voor alle ellende die ik heb moeten ondergaan.

Bastian: Je laat het er zeker niet bij zitten, hè?

Thomas: Om de bliksem niet! Hij gaat er aan! Ik zal niet rusten voor ik 'm figuurlijk kapot gemaakt heb.

Bastian: Hé, luister nou, dat je wraak wilt nemen, da's okay, daar kan 'k me echt indenken, maar dan moet je kalm blijven en je koppie d'r bij houden.

Thomas: Ha... gelijk heb je, Bastian.

Bastian: Hè?

Thomas: Ik moet niet overhaast te werk gaan.

Bastian: 't Is in elk geval belangrijk dat die bioscoopdirecteur jou die films van het journaal wilde lenen.

Thomas: Ja. 't Kostte wel wat moeite, maar toen ik 'm zei dat ik een familielid had herkend dat dood gewaand werd, had ie d'r alle begrip voor. Ik ben er als de bliksem mee naar een filmstudio gegaan, en voor goed geld zal de technicus mij een paar vergrotingen van de schoft leveren. Die kan ik morgen krijgen.

Bastian: 't Lijkt mij heel aannemelijk dat ie in de buurt van Hamburg woont.

Thomas: Ja..., en waarschijnlijk zit ie wel weer in geldzaken bij een of andere bank of zo. Als dat zo is, dan zal het niet moeilijk zijn om 'm op te sporen.

Bastian: Waarom niet?

Thomas: Nou, dan ga ik met de foto's naar Frankfurt-am-Main, naar het Deutsche Banken Aufsicht. Daar beschikken ze over de gegevens van iedereen die in Duitsland in het bankbedrijf werkzaam is. En als ik eenmaal weet wat en waar hij is, dan kan ik erover na gaan denken wat en hoe...

(15 april exprestrein 11:45 uur naar Frankfurt-am-Main; en terug. Terug in Zürich 15 april 1949, 's avonds)

Thomas: Je hebt gelijk,

Bastian: de ellendeling woont in Hamburg.

Bastian: Mm.

Thomas: Hij noemt zich tegenwoordig Walter Prätorius. En hij heeft weer een bank ook, al is 't een kleine, aan de Bienenalster.

Bastian: Hij denkt natuurlijk dat jij allang dood bent, hè?

Thomas: En dat moet ie voorlopig blijven denken.

Bastian: Nou, wat ben je van plan?

Thomas: Wraak nemen, natuurlijk. Maar hij heeft een Duitse banklicentie gekregen. Hij woont heel rustig in Hamburg. Ma... maar kan ik nou naar een Duitse rechtbank gaan en zeggen: "Die meneer Prätorius heet in werkelijkheid Marlock"? Die meneer heeft mij in "39 opgelicht"? Als ik een aanklacht in wil dienen, moet ik dat doen als Thomas Lieven.

Bastian: Ja.

Thomas: Want als Thomas Lieven was ik in Londen bankier.

Bastian: Mm.

Thomas: Mijn naam komt dan in alle kranten.

Bastian: Ja, 'k begrijp het, ja. 'Tuurlijk.

Thomas: Juist? Nou, dacht je dat ik door enige rooie, groene, blauwe of zwarte hand neergeknald wil worden?

Bastian: Ja.

Thomas: Een man met mijn verleden moet tot iedere prijs publiciteit vermijden.

Bastian: Ja, maar goed, hoe... hoe wil je 'm dan te grazen nemen?

Thomas: Ik heb een plan. Daar ben ik op gekomen toen ik in de trein naar Frankfurt de krant zat te kezen. In Stuttgart staan de Excelsior Werke AG.

Bastian: Ja.

Thomas: In de oorlog werkten daar 5.000 man aan instrumenten voor Goerings Luftwaffe. Maar in '45 was dat natuurlijk afgelopen. Men schakelde toen over naar verschillende technische apparaten. Maar na de geldzuivering schijnt een faillissement onafwendbaar. Een kwestie van een paar weken voor de hele boel in mekaar stort. En dat wordt de basis voor mijn wraakplannetje.

Bastian: Mm.

Thomas: Daar heb ik een stroman voor nodig, en die hadden we al: Reuben Achazian, met wie wij die ZVG-zaken hebben gedaan. Ik heb 'm geschreven, en hij komt hierheen.

Bastian: En... en ik dan?

Thomas: Eh... wij zullen een poosje moeten scheiden.

Bastian: Wat nou?

Thomas: Nee, echt, Bastian, het is nodig. D'r staat te veel op het spel. Jij neemt al het geld dat 'k niet nodig heb, en je gaat naar Düsseldorf. Daar koop je voor ons een villa in de buurt waar de rijke lieden wonen. En een auto, en... en alles. Want als ik bij deze affaire pech heb en alles verlies, heb ik krediet nodig, en vertrouwen. Dan moet ik kunnen opscheppen. Gesnapt?

Bastian: Gesnapt.

Thomas: De Cäcilienallee, dat zou een goeie buurt voor ons zijn. Kijk daar maar 'ns rond. Daar wonen de beste families.

Bastian: (lacht) Dan is het natuurlijk duidelijk dat wij niet ergens anders kunnen wonen.

Lieven en Bastian: (lachen)

(9 mei 1949, Stuttgart, Excelsior Werke)

Directeur: Meneer Achazian, de directie van de Excelsior Werke heet u hartelijk welkom.

Achazian: Dank u.

Directeur: Wij zijn uitermate benieuwd waaraan wij de eer van uw bezoek hebben te danken.

Achazian: Ja, eh... mijne heren, ik ben hier in opdracht van een Zwitserse onderneming, die evenwel anoniem wenst te blijven. Deze onderneming is ten zeerste geïnteresseerd in mogelijkheden om een deel van haar productie over te brengen naar Duitsland.

Directeur: En wat is daarvan de beweegreden, meneer Achazian?

Achazian: Nou, eenvoudig, omdat hier de aanmaakkosten van technische apparatuur aanzienlijk lager liggen.

Directeur: En waaraan danken wij de eer dat u juist bij ons, bij de Excelsior Werke komt?

Achazian: Omdat de positie van uw bedrijf ons niet geheel onbekend is, mijne heren. En eh... omdat een bedrijf dat in financiële moeilijkheden verkeert zoals het uwe, nou eenmaal geneigd is soepeler te zijn dan andere.

Directeur: Mm... Ja... Eh... kunt u concrete voorstellen doen?

Achazian: Ja. Mijn opdrachtgevers denken erover u een contract aan te bieden met lange looptijd. Ze zijn bereid mee te werken aan een sanering van uw bedrijf, en wel op eh... gunstige voorwaarden. En om u te laten zien dat het deze mensen ernst is, ben ik gemachtigd om u mee te delen dat de Zwitserse groep de vervallende wissels van uw onderneming zal honoreren tot een bedrag van één miljoen DM.

Directeur: Dat klinkt zeer interessant, meneer Achazian. Als u ons gelegenheid wilt geven hier op korte termijn over te mogen beraadslagen...

Thomas: Uitstekend, Achazian.

Achazian: (lacht)

Thomas: Om het vertrouwen bij de Excelsior Werke te versterken, zal ik ze een bedrag overmaken van 900.000 DM.

Achazian: Nee! Zo! Da's een aardig bedrag om in wraak te investeren.

Thomas: 't Zal de moeite lonen, hoop ik. Ik heb inmiddels contacten gelegd met redacteuren van verschillende economische bladen in Zwitserland. Als gevolg daarvan zullen er in diverse Zwitserse kranten artikelen verschijnen waarin te lezen valt dat de Zwitserse industrie mogelijkheden onderzoekt om dochterondernemingen in Duitsland te vestigen. Die artikelen, en het feit dat alle Excelsior-wissels zonder meer worden voldaan, zullen voor een sensatie zorgen op de Westduitse beurs. En dat zal ook de aandacht hebben van meneer Prätorius.

Achazian: Ja ja...

(Hamburg)

Achazian: Meneer Prätorius, ik kom in opdracht van mijn Zwitserse relatie vragen of u wellicht eh... geïnteresseerd bent uw medewerking te verlenen aan een eh... grootscheepse sanering van de Excelsior Werke. U hebt daar ongetwijfeld wel over gelezen.

Prätorius/Marlock: Dat heb ik, meneer Achazian. En ik ben door uw verzoek zeer vereerd.

Achazian: Ja, door ons ingrijpen is de weg naar herstel al ingeslagen. De koers is belangrijk gestegen, en eh... die ligt nu al tussen de 40 en de 50.

Prätorius/Marlock: Ja, in principe ben ik natuurlijk bereid mede te werken. Ik veronderstel dat we 't over de voorwaarden wel eens zullen worden...

Prätorius/Marlock: (telefoneert) Prätorius hier... Luister, laat door tussenpersonen zoveel mogelijk aandelen kopen van Excelsior Werke... Dat de prijzen daardoor zullen oplopen, interesseert mij niet... Kopen, zeg ik, en zoveel mogelijk.

(Zürich, 19 september 1949)

Thomas: Ik heb 'm zover, de schoft. Al z'n geld in de failliete boedel van Excelsior Werke gestoken.

Achazian: (lacht)

Thomas: Nou moet ik zien dat ik de 900.000 Mark terugkrijg die ik in Excelsior-wisselgeld heb geïnvesteerd. En zo mogelijk nog wat meer.

Achazian: Eh... en hoe moet dat gebeuren?

Thomas: Door middel van Sperrmarken, m'n waarde.

Achazian: Hoe kom je daar aan? Sperrmarken, het woord zegt het al, is geblokkeerd geld van buitenlanders in Duitsland, waar je alleen over kunt beschikken als je machtiging hebt.

Thomas: Juist! En daarom worden Sperrmarken alleen maar zwart naar het buitenland verkocht, en tegen een zeer ongunstige koers: 100 Mark voor 8 à 10 dollar. Ik heb hier in Zwitserland enkele industrieën gevonden die nog Sperrmarken bezaten. Ze waren maar al te graag bereid die aan mij over te doen, ondanks de slechte koers. Zo zagen ze nog iets van hun geld terug. Ik bezit dus nu een Sperrmarkenrekening in Duitsland. U gaat opnieuw naar meneer Prätorius, en u vertelt hem het volgende...

(Hamburg begin december 1949)

Achazian: Zo, meneer Prätorius. Wij kunnen nu tot en afrondend gesprek komen. De sanering der Excelsior Werke moet voor een zo groot mogelijk deel gefinancierd worden uit de tegoeden aan Sperrmarken van mijn Zwitserse opdrachtgevers. Dat is, volgens de geldende bepalingen, met toestemming van de Bank Deutscher Länder mogelijk. Ik heb volmacht om die Sperrmarken - tegoeden ten bedrage van 2,3 miljoen Mark - naar uw bank over te schrijven.

Prätorius/Marlock: Dat klinkt zeer verheugend, meneer Achazian. Ik zal naar Frankfurt gaan en met de Deutsche Bank contact opnemen.

Achazian: Bent u er wel zeker van dat u over dat geld mag beschikken?

Prätorius/Marlock: Men zal mij ongetwijfeld onder ede verplichten die 2,3 miljoen uitsluitend te gebruiken voor de sanering van de Excelsior Werke, maar... dat zie ik niet als een bezwaar. Ik laat u zo spoedig mogelijk weten of ik erin geslaagd ben...

(Zürich, 7 december 1949)

Thomas: Goed gedaan, Achazian! Hij heeft de Sperrmarken vrij gekregen. Nou gaat u weer naar 'm toe. Ik geef u volmachten mee, uitstekend vervalste documenten van zogenaamd bij de sanering betrokken Zwitserse firma's.

Achazian: Ja ja.

Thomas: Die ellendeling in Hamburg zal u de miljoenen zonder bezwaar overhandigen. Per slot van rekening is het niet zijn geld. U neemt alles op, in contanten, en brengt het hierheen.

Achazian: (lacht) Ik wou dat ik uw hersens bezat.

Thomas: (lacht)

Achazian: Hoeveel hebt u eigenlijk voor die eh... 2,3 miljoen Sperrmarken betaald?

Thomas: Eh... ongeveer 160.000 dollar.

Achazian: Nee!

Thomas: Ja. En als u dat geld nou in uw mooie Amerikaanse wagen naar Zürich hebt overgebracht, dan zijn de Sperrmarken echte DM geworden.

Achazian: Ja ja, hè.

Thomas: Hè? U zult wel een paar maal moeten rijden, hoor. U stopt het geld in de reservebanden, in 't chassis... En als het zo ver is, dan laten we de Excelsior Werke de mist in gaan...

Achazian: (lacht)

Thomas: ...en is dat varken in Hamburg maar ook totaal geruïneerd. 't Is nu de 7de december. Laten we afspreken dat u de 16de hier weer terug bent.

Thomas: Maar de 16de was de heer Achazian niet terug. Beter gezegd, de heer Achazian kwam helemaal niet terug. Hij was spoorloos verdwenen, en met hem mijn 2,3 miljoen echte DM.

(Zürich, 28 december 1949)

Politieman: Bent u Thomas Lieven?

Thomas: Ja.

Politieman: Zwitserse Bundespolizei.

Thomas: Hè?

Politieman: U bent gearresteerd, meneer Lieven.

Thomas: Gearresteerd?

Politieman: Op dringend verzoek van Interpol en van het Duitse Bundes Criminal Amt in Wiesbaden.

Thomas: Op grond waarvan?

Politieman: U, en de heer Prätorius in Hamburg, die inmiddels ook is gearresteerd, worden ervan beschuldigd een grote zwendel met Sperrmarken te hebben gepleegd.

Thomas: En wie heeft die beschuldiging ingebracht?

Politieman: Een zekere Reuben Achazian.

Thomas: Juist...

Politieman: Hij heeft de Duitse instanties een aantal belastende documenten ter beschikking gesteld. Hij is overigens intussen verdwenen.

Thomas: Aaach... en het leek nog wel z'n aardige Armeniër, die Reuben Achazian...

Johannes Simmel: Thomas Lieven zat bijna een jaar in voorarrest. De 19de november 1950 werd hij veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf. In zijn motivering van het vonnis zei de rechter onder meer: "Ten aanzien van Thomas Lieven waardeerde men diens openheid en z'n oprechte houding. Het gerecht had de indruk dat onopgehelderde, waarschijnlijk slechts psychologisch verklaarbare motieven de beklaagde tot z'n verwerpelijke handelingen hadden gedreven. Deze hoogst intelligente, zeer ontwikkelde man is niet het type van de gewone misdadiger."

Walter Prätorius werd veroordeeld tot 4 jaar. Zijn bank moest haar faillissement aanvragen, en hem werd verdere uitoefening van zijn beroep verboden. Beide beklaagden hoorden het vonnis zwijgend aan. Daarna keek Thomas Lieven glimlachend naar zijn compagnon, en dat lachje dwong Robert E. Marlock zich af te wenden, want daar was hij niet tegen opgewassen. Thomas Lieven werd opgesloten in de gevangenis van Düsseldorf-Dirndorf. Dat hij het in de gevangenis goed had, daarvoor zorgde z'n vriend Bastian Fabre, die intussen was verhuisd naar de Cäcilienallee. De 14de mei 1954 werd Thomas Lieven weer in vrijheid gesteld.

(Zomer 1955, terug in Düsseldorf, Cäcilienallee. Een aantal maanden later...)

Bastian: Beste vriend, ik weet het, ik weet, het is allemaal erg moeilijk voor je geweest, maar... we hebben bijna een jaar aan de Riviera gezeten om bij te komen.

Thomas: Ja. Jawel.

Bastian: En... en nou we weer terug zijn in Düsseldorf, zullen we toch weer 'ns aan de slag moeten.

Thomas: Aaah...

Bastian: We kunnen toch niet eeuwig toe met het geld dat we nog hebben.

Thomas: Ah, je hebt natuurlijk gelijk, Bastian... Maar in de afgelopen maanden heb ik veel nagedacht.

Bastian: Mm. Waarover?

Thomas: Over een grote stunt, met aandelen.

Bastian: Wat... wat zeg je nou!?

Thomas: Maar... maar... maar niemand mag er schade onder lijden.

Bastian: Hoe... hoe wil je dat in 's hemelsnaam klaarspelen?

Thomas: Door een zekere meneer Schallenberg uit te nodigen voor een etentje.

Bastian: Ja, wanneer?

Thomas: Ah, dat kan nog even duren, ik moet eerst nog het een en ander goed overdenken.

Bastian: Nee, ik vraag het in verband met het inkopen van de ingrediënten.

Thomas: Hoho, Bastian, jij blijft onverbeterlijk, ouwe keukenpiet. Geloof me, je zult het tijdig genoeg van mij vernemen.

(11 april 1957)

Bastian: (komt binnen) Zo!

Thomas: Wat is er, Bastian?

Bastian: Eh... meneer Schallenberg is zojuist gearriveerd.

Thomas: Op de minuut af. Kijk 'ns aan! Met zulke mensen valt te werken. Mooi. We eten dus over tien minuten. Bastian, jij bent butler vanavond, en jij serveert, hè?

Bastian: Jazeker, meneer.

Thomas: (lacht) Hoe ziet die meneer Schallenberg eruit, Bastian?

Bastian: O, zoals al die kerels, hè: dik, solide, een stierennek en een buik als een ton. Wat je noemt een eh... nette provinciaal.

Thomas: Nou, dat klink niet onsympathiek.

Bastian: Nee. Twee littekens op z'n wang, overgehouden uit z'n studententijd.

Thomas: Ik neem m'n woorden terug. Help me 'ns in m'n smokingjasje, wil je?

Bastian: Jawel... Kijk 'ns.

Thomas: Bastian! Je heb weer aan de cognac gezeten!

Bastian: Oah, een slokje, meer niet. Ik was een beetje opgewonden.

Thomas: Je hebt het te laten! Als er iets gebeurt, moet je hoofd helder zijn. Je kunt Herr Direktor Schallenberg niet in elkaar slaan als je blauw bent.

Bastian: Nou, die dikke wil ik nog wel voor m'n rekening nemen als ik een delirium heb.

Thomas: Ssst. Zeg, eh... stil. Je kent de belsignalen?

Bastian: Op m'n duimpje.

Thomas: Laat horen.

Bastian: Eén belletje: ik dien de volgende gang op.

Thomas: Ja.

Bastian: Twee belletjes: ik breng de fotokopieën.

Thomas: Ja.

Bastian: Drie belletjes: ik kom met de zandzak.

Thomas: Uitstekend. En ik zal het erg op prijs stellen als je ze niet door elkaar haalt, Bastian.

Prätorius/Schallenberg: Dat was uitstekend, meneer Lieven! Een verrukkelijk soepje.

Thomas: Lady Curzon. (belt)

Prätorius/Schallenberg: Lady... wat?

Thomas: Lady Curzon. Zo heet de soep: schildpad met sherry en room.

Prätorius/Schallenberg: O! (Bastian komt binnen)

Thomas: U krijgt nu een paprikakip.

Prätorius/Schallenberg: Bijzonder charmant van u om mij uit te nodigen, meneer Lieven, terwijl u mij toch eigenlijk alleen maar zakelijk wilde spreken.

Thomas: Ook zakengesprekken voert men plezieriger onder een goeie maaltijd, meneer Schallenberg. Neemt u vooral nog wat sla.

Prätorius/Schallenberg: Graag!

Thomas: Ik hoop dat eh... het u bevalt zoals ik hem heb aangemaakt, m'n eigen slasaus?

Prätorius/Schallenberg: Ja. Ja. En eh... vertelt u me nu 'ns over wat voor zakelijke aangelegenheid u mij wilde spreken.

Thomas: Nog wat rijst, misschien?

Prätorius/Schallenberg: Nee... Nee nee nee, dank u wel. Komt u eerst nou maar 'ns voor de draad.

Thomas: Goed dan. Kijk 'ns hier, meneer Schallenberg, u hebt een grote papierfabriek.

Prätorius/Schallenberg: Inderdaad, 200 man personeel Alles van de grond af weer opgebouwd. Na de oorlog lag alles in puin.

Thomas: Een prestatie om trots op te zijn... Op uw gezondheid.

Prätorius/Schallenberg: Op de uwe!

Thomas: Meneer Schallenberg, ik meen te weten dat u watermerkpapier van bijzonder goeie kwaliteit heeft.

Prätorius/Schallenberg: Inderdaad!

Thomas: Onder andere levert u watermerkpapier voor de nieuwe aandelen die de Deutsche Stahl Union Werke binnenkort op de markt brengen.

Prätorius/Schallenberg: Volkomen juist. De aandelen van de DESU. En een gezanik met die voortdurende controles... Ha! Ze zijn zeker bang dat m'n mensen het in hun hoofd zullen halen voor zichzelf ook een paar aandeeltjes te drukken.

Thomas: (lacht)

Prätorius/Schallenberg: (lacht)

Thomas: Meneer Schallenberg, ik zou van u graag 50 boek van datzelfde watermerkpapier willen hebben.

Prätorius/Schallenberg: Wat zegt u?

Thomas: Ik zou graag 50 boek van dat zelfde watermerkpapier willen hebben. Als hoofd van de firma zal het u toch nauwelijks moeite kosten die controles te omzeilen.

Prätorius/Schallenberg: Maar wat wilt u in 's hemelsnaam doen met dat papier?

Thomas: Aandelen van de DESU Werke drukken, natuurlijk. Wat dacht u anders?

Prätorius/Schallenberg: Ik zou nou weg moeten, vrees ik.

Thomas: Ach nee toch! U krijgt nog appels in wijnschuimsaus. En toast, met kaas.

Prätorius/Schallenberg: Meneer Lieven, ik zal vergeten dat ik hier ben geweest.

Thomas: Ik betwijfel werkelijk of u dat ooit vergeten zult. Gaat u toch weer zitten, meneer de oorlogsindustrieel.

Prätorius/Schallenberg: Wat zei u daar?

Thomas: Dat u beter kunt gaan zitten. Uw kip wordt koud.

Prätorius/Schallenberg: Zei u oorlogsindustrieel?

Thomas: Ja, dat zei ik. Dat bent u toch geweest? Ook al bent u dat sinds '45 vergeten. Op uw vragenlijst bijvoorbeeld. Ach, nou ja, waarom zou je de mensen ook aan zoiets herinneren, hè? U had zich toen net nieuwe papieren en een nieuwe naam verschaft. Als oorlogsindustrieel heette u Mack.

Prätorius/Schallenberg: U bent krankzinnig!

Thomas: O nee, geenszins! U hebt de leiding gehad van de oorlogsindustrie in de Warthengau. U staat nog altijd op de uitleveringslijst van de Poolse regering. Als Mack natuurlijk, niet als Schallenberg.

Prätorius/Schallenberg: Ik weet zelfs niet goed waarom ik eigenlijk nog naar u luister.

Thomas: Ach, kijk eens hier, Herr Direktor, ook ik heb een veelbewogen leven achter me. Daar wil ik me nu eindelijk eens los van maken. Daarvoor heb ik uw papier nodig.

Prätorius/Schallenberg: Hm.

Thomas: 't Kan natuurlijk wel worden nagemaakt, maar dat duurt me te lang. Een betrouwbare drukker heb ik al.

Prätorius/Schallenberg: Ja, maar eh...

Thomas: Voelt u zich onwel?

Prätorius/Schallenberg: Huh?

Thomas: Neem eh... ach, neemt u toch een slokje champagne. Daar zult u van opknappen. Tja, ziet u, meneer de directeur, onmiddellijk na de oorlog had ik toegang tot alle geheime dossiers. In die tijd was u net in Miesbach ondergedoken.

Prätorius/Schallenberg: Leugens!

Thomas: Neem me niet kwalijk! Ach... ik bedoel: Rosenheim, op de Lindenhof.

Prätorius/Schallenberg: Ik zweer u...

Thomas: Ik wist dat u daar zat ondergedoken. Ik had u daar kunnen laten arresteren in m'n toenmalige positie, maar ik dacht bij mezelf: "Wat heb je daar aan? Hij wordt gevangen gezet en vervolgens uitgeleverd, maar als je 'm met rust laat, is ie d'r over een paar jaar weer bovenop. Dat soort gaat er nooit onderdoor. Dat komt er altijd weer bovenop."

Prätorius/Schallenberg: Dat... dat... dat is een onbeschaamdheid!!

Thomas: "En dan kun je veel meer nut van 'm hebben!" Dat heb ik destijds bij mezelf gezegd. Ik heb ernaar gehandeld, en zie, het was wel gedaan.

Prätorius/Schallenberg: Ik ga rechtstreeks naar de politie om aangifte te doen.

Thomas: (belt tweemaal) Hiernaast vindt u een telefoon.

Prätorius/Schallenberg: Mm...

Thomas: Of eh... wacht u met mij misschien liever even op de volgende gang. Hè? (Bastian komt binnen) Ach, mooi zo, Bastian. Zet het blad hier maar neer. Wil je? Kijkt u 'ns aan, Herr Direktor: een blad vol fotokopieën.

Prätorius/Schallenberg: Ho.

Thomas: Ze tonen onder andere Herr Direktor in uniform. Voorts zijn er een aantal beschikkingen en decreten bij die tussen '41 en '44 door meneer de directeur zijn uitgevaardigd. Alsmede een ontvangstbewijs van de zogenaamde NS Rijksschatmeester voor een bedrag van 100.000 Rijksmark als gift voor de SA en de SS.

Prätorius/Schallenberg: (kucht)

Bastian: Nog iets tot uw orders, meneer?

Thomas: Dank je, Bastian. Meneer de directeur is klaar.

Bastian: Eh... jawel, meneer. (verlaat de kamer)

Thomas: D'r zit overigens 50.000 Mark voor u aan. Is dat voldoende?

Prätorius/Schallenberg: U denkt toch zeker niet dat ik mij laat chanteren?

Thomas: Hebt u ook geen grote bedragen geschonken voor de laatste verkiezingsstrijd, meneer Schallenberg? Hoe heet toch maar weer dat Duitse blad dat zich voor dergelijke zaken interesseert?

Prätorius/Schallenberg: U bent volslagen krankzinnig! Wilt u valse aandelen laten drukken? In het tuchthuis komt u terecht, en ik met u! Als ik u dat papier geef, is het met mij gebeurd.

Thomas: U komt niet in het tuchthuis terecht. En u alleen als u mij dat papier niet geeft, meneer de directeur. Maar nou moet u mijn bespikte appels 'ns gaan proeven.

Prätorius/Schallenberg: Ik ben niet van plan ook nog maar één hap aan uw tafel te eten. U bent een afperser!

Thomas: Wanneer mag ik op het papier rekenen, meneer de directeur?

Prätorius/Schallenberg: Nooit! Geen vel krijgt u van me, geen vel! Hoort u dat goed?

(zelfde avond, bijna middernacht)

Thomas: Herr Direktor Schallenberg levert het papier over een week af. Hoe lang hebben je vrienden nodig voor het drukken?

Bastian: O, een dag of tien, langer niet.

Thomas: Mooi. Dan ga ik de 1ste mei naar Zürich. Da's een mooie datum, hè? De Dag van de Arbeid. Kijk 'ns, hier heb je 'n model voor de drukker en een lijstje met de nummers die de aandelen moeten krijgen.

Bastian: Ik wou dat ik wist wat je van plan bent.

Thomas: Beste Bastian, in de grond gaat het om iets dat niet alleen volkomen wettig, maar bovendien heel erg mooi is: om het verwerven van vertrouwen. Mijn aandelenzwendeltje wordt een elegant aandelenzwendeltje, en bovendien, hè, - even afkloppen - zal geen sterveling merken dat het een zwendeltje is. Iedereen zal eraan verdienen, en iedereen zal bijzonder tevreden zijn.

Bastian: Nou, ik ziet het niet, hoor.

Thomas: (lacht binnensmonds)

Bastian: Nee, een aandeel is een bewijs van deelname in een grote onderneming.

Thomas: Ja.

Bastian: Hè? Op de vervallen coupons wordt jaarlijks of halfjaarlijks een bepaald dividend uitbetaald.

Thomas: Mm.

Bastian: Een evenredig aandeel in de winsten die de onderneming heeft gemaakt.

Thomas: Mm. Volkomen juist. En?

Bastian: Ha, ha, lieve hemel, je kan de coupon van die valse aandelen toch zeker bij geen bank ter wereld inwisselen?

Thomas: Mm.

Bastian: En de nummers die d'r op staan, staan immers ook op de echte aandelen, die iemand anders in z'n bezit heeft. En zo'n... zo'n zwendel, zo'n zwendeltje komt dan toch meteen uit?

Thomas: Ik ben dan ook niet van plan om ooit één coupon in te wisselen.

Bastian: Maar wat is dan de truc?

Thomas: Zal ik je vertellen. Je kent de inhoud van deze safe, hè? Pakjes bankpapier, een paar goudstaven met een kern van lood, en het dagboek van Himmlers zwagertje, drie dozen met gezette en ongezette edelstenen, en een stapeltje paspoorten.

Bastian: Ja, een mens verzamelt zo het een en ander in z'n leventje.

Thomas: Ja, ik ga voor alle zekerheid toch maar liever onder een andere naam naar Zwitserland. Eens kijken: wat hebben wij nog aan paspoorten? Maurice Hauser, Peter Schweiner, Ludwig Freiherr van Trendelenburg, Wilfied Ott...

Bastian: Hallo hallo, nee, als Trendelenburg heb je auto's gesmokkeld, die eh... Freiherr kun je dus beter een tijdje laten rusten. En Hauser ook, die wordt nog steeds in Frankrijk gezocht.

Thomas: Dan wordt het Wilfried Ott.

(1 mei 1957 naar Zürich; Swiss Central Bank - Lieven geeft zijn visitekaartje aan Jules Vermont, chief clerk of the Stocks Department)

Vermont: Ah, juist. Eh... neemt u plaats, meneer Ott. Waarmee kunnen wij u van dienst zijn?

Thomas: Eh... meneer Vermont, u bent chef van de afdeling effecten van de Schweizer Zentralbank?

Vermont: Dat is correct, ja.

Thomas: Ik kan dus rechtstreeks met u onderhandelen?

Vermont: Ha, maar natuurlijk, meneer Ott.

Thomas: Juist. Zou ik bij uw bank een depot onder nummer kunnen openen?

Vermont: Ja, maar natuurlijk.

Thomas: Ik heb zojuist een paar nieuwe aandelen van de DESU, de Deutsche Stahl Union, weten te bemachtigen. Die zou ik graag hier in Zwitserland laten. Maar ik wil ze bij voorkeur deponeren onder nummer, niet onder mijn naam.

Vermont: Oho, ik begrijp het, meneer Ott. In verband met de Duitse belastingen, natuurlijk.

Thomas: Zo zou u het kunnen zeggen, ja. Tenslotte berusten op het ogenblik zo'n 150 miljard Zwitserse franken aan buitenlands vermogen in Zwitserland.

Vermont: Ach, het totale bedrag is in feite onbekend.

Thomas: En, alvorens ik het vergeet: misschien wilt u de coupons 1958 en '59 even af laten knippen? Ik weet niet wanneer ik weer in Zürich kom, en kan ik die coupons dus beter bij me houden...

Vermont: Mm.

Thomas: ...en te zijner tijd inwisselen. Dat bespaart U werk. (En mij het tuchthuis.)

(2 of 3 mei?)

Bastian: Tjonge jonge jonge, hoho! 1 miljoen DM aan valse aandelen!

Thomas: Mm.

Bastian: Nah! 't Zal mij benieuwen hoe dit weer afloopt.

Thomas: Heel goed, Bastian, ik ben vol vertrouwen.

Bastian: Mm. De volgende stap?

Thomas: De... volgende stap is: een indrukwekkende advertentie op een in het oog lopende plaats in de Neue Züricher Zeitung. Onder nummer, vanzelfsprekend. Wat dacht je hiervan. Kijk 'ns.

Bastian: Nou... "Duits indusstrieel zoekt tegen hoge rente en onderpand met ruime overwaarde in Zwitserland voor de duur van twee jaar: bedrijfskapitaal. Alleen op serieuze aanbiedingen met bankreferenties wordt ingegaan."

Thomas: Nou? En? (lacht)

Bastian: Ja, dat klinkt goed, dat moet ik zeggen.

Thomas: En ik ben zeer benieuwd hoeveel reacties daarop zullen binnenkomen.

(Ongeveer 9 mei?)

Bastian: Nou, 46 stuks in drie dagen, dat valt mij mee.

Thomas: Zeventien kunnen we als niet interessant zo terzijde leggen.

Bastian: En plus elf van dames, weliswaar zonder geld, maar die dat kleine ongerief met persoonlijke charmes willen verzachten.

Thomas: Kijk 'ns hier: "Meneer Pierre Muerli, huizenmakelaar, biedt één miljoen Zwitserse francs aan tegen voor hem interessante rente." Maar kijk 'ns hier: da's slecht papier, slechte machine, slecht Duits... Nee... Deze hier, die lijkt me eigenlijk wel de beste: "Chateau Montenac, 8 mei 1957. Zeer geachte heer, naar aanleiding van uw advententie in de Neue Züricher Zeitung zie ik na telefonische afspraak gaarne uw komst tegemoet. E. de Couville." Hé, da's weliswaar met de hand geschreven, maar op het allerbeste papier, dat zie je. Met een kroontje, hè. Zou die graaf zijn?

Bastian: Ja.

Thomas: Baron misschien?

Bastian: Ja, zeker.

Thomas: Ik geloof, Bastian, dat ik hier maar 'ns op af moet gaan.

(zelfde dag nog)

Thomas: Het Chateau Montenac lag in een geweldig park tegen de zuidelijke helling van de berg. Een hoogmoedige bediende leidde mij via pronkerige vertrekken naar een nog pronkeriger werkkamer. Achter de sierlijke schrijftafel stond een slanke, elegante jonge vrouw van omstreeks 28 jaar. Kastanjebruin haar, hoge jukbeenderen, en haar ogen stonden ietwat schuin. Dit type gedraagt zich altijd op dezelfde manier: koel, aanmatigend, maar... als je ze beter leert kennen, is er geen houden meer aan... Enfin, we zullen maar afwachten!

Het recept is niet uitgeschreven.