Home / Index K. / Het kan niet altijd kaviaar zijn / Deel 8 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Deel 8 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Thomas Lieven wordt ridder te voet en vindt opnieuw de stijgbeugel.

Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.

Beluister deel 8 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van deel 8.

Luc Lutz Thomas Lieven
Ad Hoeymans Obersturmbahnfuhrer Rahl
Dolf de Vries Johannes Simmel
Jan Borkus Overste Simeon
Con Meijer Soldaat
Johan Schmitz Overste Maurice Debras
Peter Römer Luitenant Valentin
Frans Somers Graaf Von Waldau
Brûni Heinke Vera von Cossuth
Con Meijer Wilhelmi
Hans Veerman Bastian Fabre
Ger Smit Igor Koetoesow
Joke Hagelen Zizi
Joop van der Donk L'Essendre
Willy Ruys Kolonel Villard
Paul van der Lek Andrejev Schenkov
Peter Aryans Kurt Westenhof
Auteur: Johannes Mario Simmel
Bewerking: Dick van Putten
Regie: Hero Muller
Omroep: AVRO
Dit deel is uitgezonden op: 10-05-1979

Het script van deel 8.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Thomas Lieven: Ik blijf hier. Ik moet afrekenen met een schoft, al zou ik er zelf aan te gronde gaan. Het ga u goed, overste! Onthoud ons gesprek in de slaapwagen. Zeg, Bastian, kom rechtstreeks terug, hè! We zien elkaar terug in Marseille. De oorlog in deze streek is binnenkort afgelopen.

Thomas: Deze overtuiging dankte ik aan de radio in mijn patrouillewagen, waarop ik zowel de Duitse als de geallieerde zenders kon beluisteren. De Engelse overste Booth en Bastian vertrokken, en ik bleef achter in Marseille. Het spoor van de Kaalkop was gauw gevonden en ik hield hem nauwlettend in het oog. De geallieerden waren inmiddels in Normandië geland. Cherbourg en Caen vielen in hun handen, de 3de augustus Rennes, de 9de Le Mans, de 10de Nantes en de Loire-linie. Maar ik bleef nog wachten. Toen kwam de 15de augustus. Van Napels uit landden de geallieerden aan de Riviera. De 23ste viel Grenoble, en nu werd het tijd voor de afrekening...

(geluid van brandend materiaal)

Thomas: Ah, Hauptsturmführer Rahl... Bent u bezig documenten te verbranden?

Rahl: Sonderführer, de Engelsen en de Amerikanen, ze... ze komen steeds dichter bij...

Thomas: Ja, raak asjeblief niet in paniek, m'n waarde. Wij zullen de Amerikanen terugslaan en in zee werpen, dat spreekt natuurlijk vanzelf. Overigens kan ik op grond van het bevel van de Reichsführer SS nog steeds beschikken over uw volledige apparaat. Of was u van plan de benen te nemen?

Rahl: In geen geval, Sonderführer.

Thomas: Ik hoop het van harte! Geef mij dan twee betrouwbare mensen mee, bewapend. D'r zal waarschijnlijk een schietpartij komen. De kerel is de gevaarlijkste verrader van Marseille: Dantes Villeforte.

Rahl: Villeforte? Maar dat is toch één van onze mensen?

Thomas: Een gevaarlijke verrader, zoals ik zei. Twijfelt u aan het dringend karakter van mijn opdracht? Moet ik mij in Berlijn over u beklagen, Haupsturmführer?

Rahl: Ja, natuurlijk niet, natuurlijk niet... Ik ben volledig op de hoogte, Sonderführer, volledig.

Johannes Simmel: De 21ste september 1944 legde een zekere Paul Martiny de volgende verklaring af: "Ik ben sinds januari 1944 door de Gestapo gevangen gehouden in de Rue du Paradis. De 23ste augustus liep alles in het honderd. Er kwam plotseling geen eten meer, ook niet voor de Duitse bewakers. Een dichte rook drong door tot in onze kleine cellen. Vermoedelijk verbrandde de Gestapo haar dossiers. 's Avonds hoorden we een woest gebrul. De 27ste namen de SD'ers de benen. We schreeuwden en ramden op onze celdeuren, zonder resultaat. Op de ochtend van de 28ste augustus werd mijn celdeur geopend. Er stond een... elegant geklede burger, die in vloeiend Frans tot mij zei:

Thomas: U bent vrij, net als uw kameraden. Binnen een paar uur zullen de geallieerden hier zijn. Neemt u zolang de bewaking van dit huis op u, en tevens van de gevangene die beneden geboeid in de kelder ligt. Velen van u zullen hem kennen: hij heet Dantes Villeforte, een verrader en SD-spion die ontelbare landgenoten van u aan de galg heeft geholpen.

Johannes Simmel: Daarna verdween deze man. Wij bewaakten Villeforte en leverden hem later over aan een geallieerde commissie die hem onmiddellijk in arrest stelde. De man die ons bevrijdde heb ik nooit teruggezien."

Thomas: Die 28ste augustus verliet ik m'n hotel en gaf op het hoofdstation een koffer in bewaring. De 29ste werd Marseille bevrijd. Ik verscheurde alle papieren van de Abwehr en de SD, en haalde een reeks andere papieren voor de dag die mij destijds bij het oprollen van het Maquis Crozant zulke goede diensten hadden bewezen. Op de avond van de 29ste meldde zich bij de Amerikanen een zekere Captain Robert Almond Everett, een Brits agent, in Frankrijk geparachuteerd. Hij verzocht zo snel mogelijk transport naar Londen, hetgeen hem werd verzekerd. Aan de bevrijding van Marseille hadden ook Franse troepen en partizanenafdelingen deelgenomen. In het door de Amerikanen bezette Hotel de Noailles vond een feestelijke plechtigheid plaats. Alle aanwezigen zongen staande het Franse volkslied, zo ook Cpt. Robert Almond Everett. Na afloop drukte een zware hand op z'n schouder. Achter hem stonden twee reusachtige korporaals van de Amerikaanse MP, en naast hem, natuurlijk...

Siméon: Arresteer deze man. Hij is één van de gevaarlijkste Duitse agenten. Uw spel is uit, meneer Lieven.

Thomas: Tja (lacht schamper), het kon ook haast niet anders. Daar zit ik weer in de gevangenis van Fresnes, de eerste keer opgesloten door de Duitsers, en nu door de Fransen. Ja, dat moest er wel van komen. 't Is ook niet meer dan rechtvaardig: ik heb in de afgelopen jaren een pact gesloten met de duivel, en wie met de duivel wil eten, moet een lange lepel hebben. Aan de andere kant heb ik toch ook veel vrienden hier: hoeveel Fransen heb ik niet geholpen? Yvonne Deschamps, bankier Ferraud, Madame Page... Ongetwijfeld zullen zij mij nu helpen. Hoeveel zal ik al met al krijgen? Een half jaar... Nou, dat overleef ik wel. En daarna... ben ik dan eindelijk eens echt vrij, kan ik terug naar Engeland, weer in vrede leven. Ik wil weer leven als vroeger, met het geld dat ik als Eugen Wälterli in Zürich heb staan.

(15 september 1944) (de celdeur gaat open)

Cipier: Klaar maken.

Thomas: Nou, dat wordt tijd. 't Heeft bijna twee weken geduurd voor ik eindelijk 'ns verhoord werd.

Cipier: Niks verhoord! Je moet je klaar maken om gefusilleerd te worden.

(geluid van rijdende auto)

Thomas: Dezelfde stinkende bus die de Duitsers gebruikten om hun gevangenen in te vervoeren. Toen stonk ie naar zweet en angst. Nou stinkt ie naar angst en zweet.

(deur wordt geopend)

Soldaat: Hier is die vent, overste.

Debras: Dank je. Tegen de muur, jij, en bek houden. Doe 'm de boeien af, korporaal... Mooi. Hier is je bewijs voor afgifte.

Korporaal: Dank u, overste. Nog iets van uw dienst?

Debras: Dank je. (korporaal verlaat de kamer)

Thomas: Nee maar (lacht), overste Debras! Wat een opluchting u weer te zien.

Debras: (lacht) Joséphine laat je groeten! Ellendeling... Ga zitten.

Thomas: Dank u. 's Heel vriendelijk van Madame Baker. Waar eh... waar is Madame op het ogenblik?

Debras: In Casablanca. Ik ben gouverneur van die stad geweest, zoals je misschien weet.

Thomas: Interessant!

Debras: Ik had het een en ander in Parijs te doen. Door een toeval hoorde ik dat je gearresteerd was.

Thomas: Dat heb ik aan overste Siméon te danken! Ik stond net uit volle borst de Marseillaise te zingen, stommeling die ik ben! 'k Had in m'n hotel moeten blijven, m'n mond houden. Dan zat ik nu al hoog en droog in Londen. Volksliederen kunnen alleen maar ongeluk brengen.

Debras: Lieven, ik weet heel veel van je, zoniet alles. Ik weet wat je allemaal tegen ons hebt ondernomen, maar ook wat je allemaal voor ons hebt gedaan. Ik zit niet meer bij het Deuxième Bureau. Ik ben nu bij de Opsporingsdienst Oorlogsmisdadigers. Daarom kon ik je alleen in handen krijgen door je op mijn lijst van oorlogsmisdadigers te zetten, en te verklaren dat je doodgeschoten zou worden. 't Was de enige manier om je weg te halen uit Fresnes. Aardige truc, niet?

Thomas: Heel aardig. Ja, misschien wat zenuwslopend, hoor, want het zweet staat nog in m'n handen.

Debras: Ja, dit is een zenuwslopende tijd, Lieven. Hopelijk maak je je geen illusies... Hopelijk heb je al begrepen waarom ik je uit Fresnes heb gehaald.

Thomas: Ik ben bang van wel, ja. Ik neem aan dat ik weer voor u zal moeten werken, overste.

Debras: Inderdaad.

Thomas: Eén vraag nog, eh... van wie hoorde u dat ik gearresteerd was?

Debras: Van Ferraud, de bankier.

Thomas: Ach, die goeie ouwe Ferraud... Wat bent u met mij van plan, overste?

Debras: Daar zullen we 'ns ernstig over praten, Lieven. De oorlog loopt op z'n eind. Jij bent Duitser. Dus hebben wij je in Duitsland nodig. Niemand weet beter dan jij wie tot de echte zwijnen heeft behoord, en wie niet meer dan een kleine meeloper is geweest. Jij kunt eraan meewerken dat niet de verkeerden bestraft zullen worden. Wil je dat?

Thomas: Ja!

Debras: Maar in Duitsland moet je 'n uniform dragen.

Thomas: Neeee....!

Debras: Jaaa!! Je krijgt ook een Franse naam, en een rang. Kapitein René Clairmont.

(Omstreeks oktober? 1944) ("End of the war")

Thomas: Met de oprukkende geallieerde troepen keerde ik dus als Capitaine René Clairmont in mijn vaderland terug. Bij het eind van de oorlog was ik in Baden-Baden, en in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo in de Kaiser Wilhelm Strasse richtte ik mijn kantoor in. Ik had zeventien man personeel. Hun taak was zwaar, en daar kwam nog bij dat ze 't om politieke of andere redenen niet al te best met elkaar konden vinden. Zo kreeg ik het onmiddellijk aan de stok met luitenant Pierre Valentine, een jonge knappe vent met ijskoude ogen, die je je zo in een SS-uniform kon voorstellen. Hij gebruikte z'n macht volstrekt willekeurig en gewetenloos. Ik riep hem ter verantwoording. Hij zei...

Pierre Valentine: Ik haat alle Duitsers.

Thomas: Is dat geen stompzinnige generalisering?

Pierre Valentine: Nee. Ze hebben het ernaar gemaakt. Als ze kleine volkeren overvallen, zijn ze heersers bij de gratie Gods, maar als ze een dreun op hun kop hebben gekregen, dan spelen ze Beethoven, verraden elkaar... Hier, kijk naar de cijfers: alleen de laatste maand al hebben ruim zesduizend Duitsers andere Duitsers bij ons aangebracht. Moet ik voor zo'n volk soms achting hebben?

Thomas: Daar moet ik u gelijk in geven. Na de capitulatie is Duitsland overspoeld door een golf van verklikkerij, gemeenheid en laagheid, maar (er wordt geklopt) nogmaals moet ik... Eh... ja?

Stem: (komt binnen) Iemand om u te spreken, kapitein.

Pierre Valentine: Huh. De zoveelste, mon capitaine.

Thomas: Dank u, luitenant. U kunt uw gang gaan.

(2 augustus 45 - 3 december 1945 Werner Hellbricht 11 augustus 45)

Thomas: Op een middag in november verliet luitenant Valentine Baden-Baden in een jeep met twee soldaten. Omdat zijn gedrag mijn argwaan wekte, volgde ik hem in een andere jeep. De rit eindigde bij een grote sombere villa, eigendom van de graaf Von Waldau, een fervente Nazi. Valentine ging met zijn mannen naar binnen, kwam een kwartier later weer naar buiten en reed weg. Ik vroeg de graaf te spreken. Ik had 'm eerder ontmoet, omdat ik 'm al tweemaal een verhoor had afgenomen.

Graaf Von Waldau: U ook nog, kapitein Clairmont? Wat dacht u hier te stelen? Het tafelzilver misschien? Schilderijen? Uw collega's hebben het belangrijkste al meegenomen.

Thomas: Graaf Von Waldau, ik ben gekomen om te informeren wat zich hier zojuist heeft afgespeeld.

Waldau: Dat weet u immers heel goed! Dieven en zwijnen zijn jullie, allemaal.

Thomas: Hou je smoel...

Waldau: Alle familiejuwelen gestolen...

Thomas: Door de mannen die zojuist hier waren?

Waldau: Ja. Ze wisten precies waar ze moesten zoeken.

Thomas: En waar was dat?

Waldau: In die bloempotten daar! 'k Had de juwelen verborgen onder de wortels van de planten. Een nichtje had me dat aangeraden, het loeder. 't Was natuurlijk allemaal doorgestoken kaart, dat begrijp ik nu. Excuseert u mijn optreden van zonet. Ik geloof wel dat u er niet mee te maken hebt.

Thomas: Vertelt u verder.

Waldau: U weet dat ik tot de politiek ernstige gevallen behoor...

Thomas: Mm.

Waldau: 'k Heb een belangrijke positie gehad bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en ik ben lid van de Partij geweest. 'k Was bang voor plunderaars, we wonen hier erg afgelegen. Een maand geleden kwam m'n... kwam dat familielid even aan. Ze heeft de Engelse nationaliteit, zij werkt op het hoofdkwartier van de Secret Service in Hannover. Ze overtuigde mij ervan dat die bloempot een uitermate veilige schuilplaats vormde. Toen die kerels verschenen, liepen ze d'r rechtstreeks naartoe, en trokken de planten d'r uit!

Thomas: U zei dat uw eh... familielid bij de Secret Service werkt? Kunt u mij de naam van de dame in kwestie noemen?

Waldau: Zeker. Vera, prinses von Koshut.

Thomas: Juist!

(2 dagen later, Secret Service hoofdkwartier, Hannover)

(er wordt geklopt)

Vera: Binnen. Hooo!

Thomas: Luitenant von Koshut! Dat uniform staat u bijzonder charmant.

Vera: Nee! Dat-dat kan niet. Tommy...! Jij?

Thomas: Ja, ik!

Vera: Oh! Tommy! Wa-wat heerlijk. Dus, je bent overal goed doorheen gerold? Je bent bij de Fransen...

Thomas: Nee, raak me niet aan, jij gemeen ellendig loeder. Sinds wanneer werk jij samen met dat zwijn van een Valentine?

Vera: O... (lacht), ik weet heus niet waar je 't over hebt, liefje.

Thomas: Zeg nog 'ns liefje en je krijgt een opdonder.

Vera: Ik weet heus niet waar je 't over hebt. (twee klappen op haar gezicht) Aaauw zeg! Durf je wel?

Thomas: Jij bent wel het smerigste lid van de Duitse oeradel, een asociaal loeder, hebzuchtig en gemeen.

Vera: (lacht) Och Tommy, wat een onzin. Kom liever dicht bij je prinses, dan zal ik je weer knuffelen zoals vroeger.

Thomas: Wat jij gedaan hebt, dat is wel het gemeenste dat ik ooit...

Vera: (giechelt)

Thomas: Is graaf von Waldau familie van je, ja of nee?

Vera: O... (lacht), die ouwe Naziknar! Waar maak je je druk om?

Thomas: Bek houden! Twee dagen geleden heeft je mooie vriend Valentine huiszoeking gedaan bij de graaf, bloempotonderzoek, beter gezegd.

Vera: (lacht)

Thomas: Hou op met dat smerige gelach van je. Van wie was dat mooie idee eigenlijk, van jou of van hem?

Vera: Kom nou, zeg, van mij natuurlijk. Pierre is veel te stom om zo'n trucje te bedenken.

Thomas: Jij bent geen haar beter dan één van die smerige Naziwijven.

Vera: Nou moet je ophouden, hè! Je had het daarnet over moraal. Uitgerekend bij dat Nazizwijn van een Waldau? Familiejuwelen... Ja ja, die heeft ie toch zeker net pas in het Derde Rijk bij elkaar gestolen.

Thomas: Best mogelijk, maar als Waldau die sieraden gestolen heeft, behoren ze teruggegeven te worden aan de rechtmatige eigenaars, voor zover die nog te vinden zijn, en anders vervallen ze aan de staat. Maar jullie hebben d'r in geen enkel opzicht recht op.

Vera: (lacht) Ach, hemeltje... Wat ben je toch lief... Zo idealistisch. Weet je wat, Tommy? We gaan naar mijn huis. Ik heb hier een chique tent. Daar heeft vroeger hier ook zo'n ouwe Nazi in gewoond.

Thomas: Je gelooft toch niet dat ik ooit nog een voet bij jou over de drempel zet, hè?

(muziek - Lieven neuriet)

Vera: Drink nog wat, m'n liefje.

Thomas: Mm.

Vera: Je hebt er toch geen spijt van dat je meegegaan bent?

Thomas: Natuurlijk niet.

Vera: (lacht) Laat het tussen ons weer net zo zijn als vroeger.

Thomas: Vroeger, da's verleden. Ik wil met het verleden niks meer te maken hebben. Ik wil alleen naar de toekomst kijken.

Vera: Aaah.

Thomas: Alles vergeten wat er is gebeurd. Eindelijk 'ns leven zoals ik het zelf wil, onbekommerd, en gelukkig, en...

Vera: Heel mooi. Maar daar moet je wel geld voor hebben.

Thomas: Hoho, maar... daar heb ik al voor gezorgd, hoor: ik heb een vette bankrekening in Zürich op naam van Eugen Wälterli.

Vera: (lacht)

Thomas: (lacht)

Vera: Eugen Wälterli! Dus, zo heet je ook al. Kostelijk... En eh... staat er veel geld op die rekening?

Thomas: Zeg, jij bent gewoon ziekelijk op dat punt. Kan je nou aan niks anders denken dan alleen maar aan geld?

Vera: (lacht) Wat zal ik je zeggen, Tommy? Zware neurose.

Thomas: Ooo...

Vera: Jeugdtrauma. Weet je dat ik zelfs al cheques vervalst heb?

Thomas: Nee...

Vera: D'r bestaat geen handtekening die ik niet kan namaken.

Thomas: Ja, gefeliciteerd hoor.

Vera: Bovendien ben ik nog kleptomane ook.

Thomas: Toe maar, toe maar...

Vera: Ja, dat was toen ik nog klein was. De kleurpotloden van mijn vriendinnen waren mijn kleurpotloden.

Thomas: O, loedertje dat je bent.

Vera: De beursjes van mijn vriendinnetjes waren mijn beursjes.

Thomas: Ja, ja...

Vera: Later is het accent verlegd: de mannen van mijn vriendinnen... (lacht) Moet ik nog verder gaan?

Thomas: Niet nodig, niet nodig. Zeg, en dan gaan we nu slapen, hoor, want het is morgen nog een vermoeiende rit naar Baden-Baden.

Vera: Mm, daar heb ik toch niets mee te maken?

Thomas: Jawel, want jij gaat mee.

Vera: Ik? Waarom?

Thomas: Praten, met je vriend Valentine. D'r voor zorgen dat ie de sieraden van Von Waldau afgeeft. En als jullie ook maar iets achterhouden, dan druk ik jullie allebei het schuurtje in.

Vera: Lelijke beroerling! Durf je dat te zeggen na deze avond?

Thomas: Dienst is dienst, m'n charmante prinses.

Pierre Valentine: Ja, luister 'ns even, u kunt wel zoveel beweren, kapitein, maar ik moet u zeggen dat ik niets begrijp van dat verhaal van u. Ik zou dus met anderen...

Vera: Doe geen moeite, Pierre, hij weet alles.

Pierre Valentine: Wat weet ie dan?

Vera: Kan ik 'm vijf minuten alleen spreken, Tommy?

Thomas: Ga je gang.

Thomas: Ik liet ze alleen, en dat was fout. Ik ging in de hal zitten en hield de deur van mijn kantoor goed in het oog. Ik ben tenslotte niet op mijn achterhoofd gevallen. Toen ik m'n sigaret op had, kreeg ik het plotseling gloeiend heet, en wist ik dat ik toch op m'n achterhoofd gevallen was... Mijn kantoor was gelijkvloers, en het venster niet getralied. De kamer was leeg... Het venster stond open...

Stem: "6 november 1945 stop 20 uur 14 -stop- Franse Opsporingsdienst Oorlogsmisdadigers aan alleen eenheden militaire politie -stop- aan alle CIC- en CID-eenheden -stop- opsporing en aanhouding wordt verzocht van..."

Thomas: Een Franse militaire patrouille arresteerde Pierre Valentine in de wachtkamer van het station te Nancy, op het ogenblik dat hij een kaartje kocht naar Basel. De naspeuringen naar Vera, prinses von Koshut, bleven vruchteloos.

Johannes Simmel: Om even op de zaak vooruit te lopen, luitenant Valentine en z'n vrienden stonden in Parijs terecht. De 15de maart 1946 werden ze gedegradeerd en tot langdurige vrijheidsstraffen veroordeeld.

Thomas: Wat is dat? "Opperbevel van de Franse strijdkrachten in Duitsland." (opent de brief) Hé...

"In verband met het vooronderzoek tegen luitenant Valentine en medeverdachten hebben wij bij het Deuxième Bureau uw dossier opgevraagd. Uit dit dossier, waarbij één der leidende beambten van genoemde dienst ons nog enige toelichtingen heeft gegeven, blijkt dat u tijdens de oorlog werkzaam bent geweest als agent van de Duitse Abwehr te Parijs. U zult begrijpen dat iemand met uw verleden in het kader van onze Opsporingsdienst Oorlogsmisdadigers niet geduld kan worden. Overste Debras, die u destijds in deze Organisatie opnam, heeft enkele maanden geleden de dienst verlaten. U wordt hiermede uitgenodigd vóór de 15de december 1945 des middags 12 uur, uw kantoor in Baden-Baden te ontruimen, en uw direct-in-meerdere alle oorkonden, dossiers, stempels en gegevens over te dragen, benevens uw persoonlijke militaire papieren en uw legitimatiebewijzen. U ben met ingang van heden uit de dienst geschorst."

Nou. Dat is dan dat. 't Is weer eens zo ver. Ik haal een kwalijke streek uit, en iedereen is dol op me. Het regent onderscheidingen, geld en zoentjes. Maar als ik iets behoorlijks doe, boem!, dan zit ik meteen weer in de puree. Die "leidende beambte met z'n toelichtingen" is natuurlijk overste Siméon. Nou, dan zullen we maar meteen beginnen de boel op te ruimen. Allereerst de persoonlijk zaken... (opent een lade) Mijn paspoorten, mijn mooie echte valse paspoorten. Eén, twee, drie, ja, ze zijn d'r allem... Nee! Ze zijn d'r niet allemaal! D'r is er één weg! Oh, vervloekt nog aan toe! M'n Zwitserse pas op naam van Eugen Wälterli ontbreekt! Goeie genade... Ik heb zo'n voorgevoel...

(telefoneert)

Wilhelmi: Schweizerische Nationalbank Zürich.

Thomas: Mag ik Herr Wilhelmi van u?

Wilhelmi: Ja, daar spreekt u mee.

Thomas: Herr Wilhelmi, met Wälterli, Eugen Wälterli.

Wilhelmi: Ja, meneer Wälterli, ik weet er alles van. Uw vrouw heeft de zaak al voortreffelijk geregeld.

Thomas: O, juist. Wanneer... wanneer is mijn vrouw bij u geweest?

Wilhelmi: O, zowat veertien dagen geleden. Madame zei dat u wel zou zeggen wat er met de rekening moet gebeuren, als u zelf weer in Zürich komt.

Thomas: Wat er... wat er met de rekening moet gebeuren?

Wilhelmi: Ja. Er staan nog 20 francs op.

Thomas: En verder heeft zij alles opgenomen?

Wilhelmi: Ja, natuurlijk. Madame had uw paspoort bij zich, uw chequeboek, een bankvolmacht, ook voor de kluis.

Thomas: Oooh.

Wilhelmi: Meneer Wälterli, klopt er iets niet?

Thomas: Ach, nou...

Wilhelmi: Maar dat... dat is dan toch niet onze schuld. Madame heeft alle volmachten en documenten getoond, en allemaal door u getekend, dus...

Thomas: Ja, dank u, dank, dank u. (legt de hoorn neer) O, die heeft zichzelf een Zwitserse pas verschaft naar het voorbeeld van de mijne. En ik had het kunnen weten, dat ellendige loeder... 20 Zwitserse frank voor een onbekommerd en gelukkig leven...

Bastian: "Parijs. Hotel Crillon. Beste Bastian, Voor de zoveelste keer zit ik weer 'ns helemaal aan de grond. Een duivelin van een vrouwmens heeft mij financieel een kopje kleiner gemaakt. Ik doe nu een beroep op jouw hulp en vindingrijkheid. Als je me terugschrijft: ik heet nu, volgens mijn pas, Maurice Hauser. Je Pierre."

Thomas: "Marseille. Beste Pierre, Zie je nou hoe verstandig het is geweest dat wij destijds toch een portie van de schore van die de Lesseps achterovergedrukt hebben? Dat kan je nou krijgen. Ik heb hier een maat opgedaan, de zoon van een Russische Baron. Kutusov heet hij. Z'n vader was taxichauffeur in Parijs, maar hij leeft niet meer. Nou rijdt die jonge baron in een knoert van een Amerikaanse slee. Laat me weten hoe ik je de schore op het best kan doen toekomen, en dan zullen we wel zien op welke wijze wij..."

Bastian: "Verwacht jou en baron Kutusov met auto 22 februari - stop - appartement 213 Hotel Crillon - stop Pierre"

(22 februari 1946 Hotel Crillon Place de la Concorde, Parijs)

Bastian: (lacht) Pierre! Ah, beste kerel, wat ben ik blij dat 'k jou weer zie.

Thomas: Nou, anders ik wel.

Bastian: (lacht)

Thomas: Bastian! Anders ik wel. Heel prettig kennis met u te maken, baron Kutusov...

Kutusov: Hoe maakt u het?

Thomas: Maar ik zal zo vrij zijn om u vanaf nu niet langer baron te noemen, maar kameraad. Kameraad commissaris, kameraad commissaris Kutusov.

Kutusov: Ja, maar waarom?

Thomas: Eh... nog-nog even geduld. Alles op z'n beurt. Ik heb jullie heel veel te vertellen, broedertjes. En om dat rustig te kunnen doen, heb ik de maaltijd op de kamer laten brengen. Onder andere borsjt, kameraad commissaris.

Kutusov: Ja! (lacht)

Thomas: Mag ik u uitnodigen? Vrienden, neem plaats. Eh... voor ik het vergeet... Eh... Bastian, waar staat de auto?

Bastian: Eh... voor het hotel.

Thomas: Goed zo, goed zo. De mensen moeten 'm zien.

Bastian: O?

Thomas: M'n beste Bastian, die eerstvolgende tijd speel jij voor chauffeur.

Bastian: Hoho.

Thomas: En, kameraad Kutusov, kameraad commissaris Kutusov zit achterin. Heb je de goudstukken meegebracht?

Bastian: Eh... zitten in m'n koffer.

Kutusov: Ah, dat-dat is voortreffelijke soep! Huh! Net als thuis! Room op tafel...

Thomas: Ja, mag ik u wel verzoeken een tikje volkser te eten, kameraad commissaris. De ellebogen op tafel, bijvoorbeeld. En het zou ook aanbeveling verdienen als u in het vervolg de vingernagels ietwat eh... minder perfect reinigt.

Kutusov: Ja, maar waarom toch?

Thomas: Mijne heren, ik wilde u beide in een grote zakelijke affaire betrekken. Een affaire waarin u, baron, voor commissaris, Bastian voor chauffeur, en ik voor groothandelaar in spiritualiën moet spelen.

Kutusov: (lacht)

Bastian: In wat? Groot... groothandelaar in wat?

Thomas: Ja, Bastian, eet nou toch eerst je mond leeg voor je spreekt. Groothandelaar in alcohol, of sterke dranken als je wilt. Het Franse leger heeft mij diep gekrenkt en bitter teleurgesteld, mijne heren, en ik ben van plan het Franse leger in ruil daarvoor een kunstje te flikken. Wat zeg ik, kunstje? Een kunst!

Bastian: Met... met sterke drank?

Thomas: Juist!

Kutusov: Ja, maar er is in heel Frankrijk geen druppel alcohol te krijgen. Alles is gerantsoeneerd!

Thomas: (lacht) U heb er geen idee van hoeveel alcohol d'r plotseling voor de dag komt als Bastian behoorlijk voor chauffeur en u behoorlijk voor commissaris speelt. Ja (lacht), neemt u toch nog een hapje. Na het eten gaan we inkopen doen.

Bastian: W-w-wat dan?

Thomas: Alles wat we nodig hebben: zwarte leren jassen, pelsmutsen, zwarte schoenen.

Kutusov: Ik begrijp er nog niet veel van.

Thomas: En we hebben papieren nodig, hè? Echte vervalste papieren.

Bastian: 't Is mij ook nog niet duidelijk, Kutusov, maar als Pierre wat van plan is, dan valt er meestal wat aan te verdienen.

Thomas: Nou, luister. Sinds het eind van de oorlog woont hier in het hotel een Sovjetdelegatie, vijf man sterk. Ze hebben tot taak de belangen te behartigen van alle Sovjetburgers in Frankrijk. Weten jullie hoeveel dat er zijn? Ruim vijfduizend. Maar, nou is het zo dat die delegatie meer aandacht besteedt aan eigenbelang en aan eigen plezier.

Bastian: Ja, maar hoe weet jij dat dan?

Thomas: Van Zizi. Zizi is een jong knap vrouwtje dat hier een bordeel adverteert. Ik ken haar nog van uit de oorlog.

Bastian: Mm.

Thomas: Toen heb ik weten te voorkomen dat haar vriend als dwangarbeider naar Duitsland werd vervoerd, en daar is ze mij nog altijd erg dankbaar voor.

Bastian: Jaaa.

Thomas: Ik ontmoette haar weer toevallig toen ik ergens iets zat te drinken.

Zizi: Oh, nee, dat zal ik nooit vergeten, monsieur Lieven. Antoine en ik zijn nog steeds samen.

Thomas: Nou, dat doet me plezier, Zizi, hè? En, 't gaat je goed?

Zizi: Heel goed zelfs.

Thomas: Ja?

Zizi: Ik heb hier 'n gelegenheid met damesbediening en die loopt uitstekend. Zeker sinds die Russen in de stad zijn.

Thomas: Russen? Welke Russen?

Zizi: Eh... een of andere commissie. Eh... ze wonen in hotel Crillon, vijf man. En zo sterk als beren. Ze zijn om zo te zeggen stamgasten bij me.

Thomas: (lacht) Zo. Dus wel profiteren van de decadentieverschijnselen van het kapitalistische Westen, ja.

Zizi: Reken maar! Ze vergeten helemaal waarvoor ze hier eigenlijk zijn.

Thomas: O, en... en wat is dat dan?

Zizi: Eh... ze moeten opkomen voor de belangen van hun landgenoten hier in Frankrijk, en ze proberen over te halen naar Rusland terug te keren.

Thomas: Toe maar.

Zizi: Maar daar trekken ze zich niks van aan! Ze zitten liever bij mijn meisjes. (lacht)

Thomas: Zeg, zijn er hier dan zoveel Russen?

Zizi: Zo'n vijfduizend heb ik gehoord.

Thomas: Oh?

Zizi: Maar zoals ik al zei, ze laten ze gewoon barsten. Ze zorgen d'r nog niet eens voor dat die mensen hun alcoholtoewijzing krijgen.

Thomas: En nou zou jij willen dat ik me daarvoor ga in...

Thomas: Toen ik daar later over nadacht, rijpte d'r al een plannetje in me. En toen jij, Bastian, nog aan kwam zetten met een levensechte Rus, was dat een aanwijzing dat dat plannetje uitgevoerd moest worden.

Bastian: Ja, ik geloof dat ik u begin te begrijpen, hè. Vandaar die-die eh... die zwarte auto, die leren jassen, en die pelsmutsen.

Thomas: (lacht) Natuurlijk. En als-als we nou zover zijn, nietwaar, dan rijden jullie naar het Ministère de Ravitaillement.

Bastian: Ja.

Thomas: Daar is ook het Franse rijksbureau voor alcoholica gevestigd en dat wordt geleid door een zekere monsieur Hippolyte Lassandre.

Bastian: Lassandre.

Thomas: En kameraad commissaris Kutusov, die zal 'm telefonisch van z'n komst op de hoogte stellen.

(twee dagen later)

Hippolyte Lassandre: Hooggeachte monsieur Kutusov, wij hebben elkaar al telefonisch gesproken, gisteren. Doe uw jas uit, en gaat u zitten.

Kutusov: Nee, dank u, monsieur. De houding van uw Department beschouw ik als een vijandige daad die ik zeker niet zal nalaten aan Moskou te rapporteren.

Thomas: Ik bid u, monsieur Kutusov, ik smeek u, geachte commissaris Kutusov, doet u dat toch niet! Ik krijg de grootste ellende met het... met het Centraal Comité!

Kutusov: Wat voor Centraal Comité?

Thomas: Dat van de Franse Communistische Partij, kameraad commissaris. Ik ben partijlid. Ik geef u de verzekering dat het een abuis was,

Kutusov: Huh!

Thomas: Meer niet, gelooft u mij.

Kutusov: Dat men vijfduizend Sovjetburgers al maandenlang bij de toewijzing van de alcoholica overslaat!? (lacht) Noemt u dat een abuis!? De Britse en Amerikaanse staatsburgers in uw land hebben wel regelmatig hun toewijzing gekregen. Maar de brave burgers van mijn land, dat een groter aandeel heeft aan de overwinning op de fascisten dan enig ander...

Thomas: Zegt u alstublieft niets meer, kameraad commissaris, u hebt volkomen gelijk. Het... het is onvergeeflijk. Maar ik eh... ik zal het eh... onmiddellijk weer goedmaken.

Kutusov: Ik eis in naam der Sovjetunie vanzelfsprekend ook naleving van de toewijzingen van de afgelopen maanden.

Thomas: Maar natuurlijk, kameraad commissaris, natuurlijk! Ik zal onmiddellijk maatregelen nemen, en ervoor zorgen dat alle...

Kutusov: (lacht uitbundig) Hij... hij wist niet hoe gauw ie alle papieren moest invullen! (lacht)

Thomas: Voortreffelijk gedaan, Igor. D'r is een echte commissaris aan jou verloren gegaan.

Bastian: Ja, goed, we hebben op papier 3.000 hectoliter chemisch zuivere alcohol van 90%, oftewel 300.000 liter.

Kutusov: Alstublieft

Thomas: En keurig betaald door Kutusov met de goudstukken die ie meegebracht heeft uit Marseille.

Bastian: Maar eh... wat nu?

Thomas: Ha, die voorraad, die wordt, nog steeds onder bezielende leiding van Kutusov, met gehuurde vrachtwagens naar die verlaten brouwerij bij Orly gebracht. Ik heb daar tien vakmensen zitten om de ruwe alcohol geschikt te maken voor consumptie. Flessen en etiketten zijn voorradig.

Kutusov: Tjonge, 't is maar dat ik het zelf meemaak, maar anders zou ik zeggen: dit is onmogelijk, zoiets kan niet gebeuren!

Thomas: Het is ook alleen maar mogelijk omdat het in Frankrijk één grote janboel is. En waarom zouden wij daar niet van profiteren?

Kutusov: Tussen twee haakjes: wat ben je van plan te gaan maken?

Thomas: Eh... de hier zo bekende en terecht geliefde anijsbitter.

Kutusov: Hè, bah! Waarom geen wodka?

Thomas: Nee, nee, nee, anijsbitter, of zoals het in de wandeling wordt genoemd, pastis. Volgens familierecept van een zwarte dame uit het bordeel van Zizi.

Johannes Simmel: Terwijl de productie langzaam op toeren kwam, bracht een zeker monsieur Hauser een bezoekje aan de kolonel Villard, hoofdofficier van de Franse Intendance in de Parijse wijk Latour-Maubourg.

Thomas: Eh... kolonel, ik heb grondstoffen, ik kan pastis vervaardigen. Ik weet dat er in uw officierscasino nauwelijks nog iets te drinken is.

Villard: Dan bent u goed ingelicht. Overigens, net als in alle andere casino's. Wat kunt u leveren?

Thomas: Eh... zoveel als u voorlopig maar wilt. Mijn artikel is van uitstekende kwaliteit, en goedkoop.

Villard: Goedkoop?

Thomas: Zeer zeker in deze wilde en alcoholarme tijd. Ik kan u leveren voor 7500 francs per fles.

Villard: En dat noemt u goedkoop?

Thomas: (lacht) Kolonel, op de zwarte markt brengt zo'n fles 10.000 francs op.

Villard: Hmm. Ja, ja... dat is zo. Goed, monsieur Hauser, na keuring van uw artikel wil ik graag zaken met u doen.

Thomas: En de zaken liepen uitstekend. Want de hoofdofficier der Intendance Villard voorzag niet alleen zijn eigen casino, nee, hij bracht ook z'n vrienden op de hoogte. En dus reden al spoedig legervrachtwagens vol pastis Hauser naar alle officierscasino's in het land. In feite kan men zeggen: monsieur Hauser ravitailleerde het Franse leger. En het Franse leger betaalde prompt. Zo verliep alles vlot tot op de 7de mei 1946. Toen gebeurde d'r een klein ongelukje...

(er wordt geklopt)

Kutusov: Ja?

Stem: Sjenkov!

Kutusov: Juist? En?

Sjenkov: Andrejev S. Sjenkov.

Kutusov: Juist? En?

Sjenkov: Ik ben leider van de Sovjetrussische delegatie die de belangen van de Sovjetburgers in Frankrijk behartigt.

Kutusov: En?

Sjenkov: En? Ik ben hier gekomen om een verklaring van u te eisen, meneer. Ik heb mij vanmorgen gewend tot het Franse Ministerie van Voedselvoorziening, met het verzoek een alcoholtoewijzing ter beschikking te stellen voor de ruim 5.000 Sovjetburgers die in Frankrijk verblijven.

Kutusov: Hebt u dat werkelijk gedaan? Interessant.

Sjenkov: En wat moest ik vernemen van monsieur Lassandre?

Kutusov: Ik ben benieuwd.

Sjenkov: Ik moest vernemen dat de alcohol voor onze 5.000 Sovjetburgers al is afgehaald door een zekere commissaris Kutusov, die hier in Hotel Crillon verblijf houdt.

Kutusov: Volkomen juist.

Sjenkov: Ik eis een verklaring. Wie bent u eigenlijk? Ik ken u niet. Ik heb u zelfs nog nooit gezien. Ik verzeker u dat ik u laat arresteren!

Kutusov: En nou je bek dichthouden, Sjenkov. Jij gaat te ver. En ga in de houding staan als je tot een meerdere spreekt!

Sjenkov: Een... een meerdere?

Kutusov: Jij wilt een verklaring, hè? Die zal ik je geven. Jij wil weten wie ik ben, hè? Dat zal ik vertellen, maar eerst zal ik jou vertellen wat jij bent! Een schurk die zijn plicht verzuimt. Een vadsige ellendeling die profiteert van de decadentie van het verfoeide kapitalistische Westen. Vertel op, Sjenkov!! Hoeveel malen per week kom jij en je rotgenoten in het bordeel van Zizi?

Sjenkov: Ik...

Kutusov: Bij Zizi, ja! Ik weet alles van jullie! Moskou heeft mij hierheen gezonden om een oogje op jullie te houden. Ik bezit volledige volmacht om naar eigen inzicht op te treden. Wat, denk je, zal de reactie van het Kremlin zijn als ik jou rapporteer? Nou?

Sjenkov: Alstublieft, kameraad commissaris, ik... ik smeek u: geeft u ons nog één kans. Geen rapport alstublieft. We zullen van nu af aan hard werken. Geen... geen pleziertjes meer. Kameraad commissaris, alstublieft, laat nog éénmaal genade voor recht gelden.

Thomas: De heer Andrejev S. Sjenkov vertrok met aanmerkelijk minder zelfvertrouwen dan hij was gekomen. Commissaris Kutusov had precies gehandeld zoals ik het 'm had ingeprent, want natuurlijk had ik een dergelijk ongeluk van het begin af ingecalculeerd. Na dit kleine intermezzo kon de grote Affaire Pastis rustig worden afgewikkeld. De 29ste mei bracht een zeer gelukkige en relatief welgestelde ex-kameraad commissaris en taxi-aristocraat baron Kutusov ons met de wagen naar Straatsburg. Daar kende ik uit vroegere gelukkiger tijden een paar vriendelijke Franse grensbeambten en een paar vriendelijke Duitse grensbeambten. Met hun medewerking zou het niet moeilijk zijn de koffers met de opbrengst van het pastis-avontuur van het ene land naar het andere over te brengen.

Thomas: Nu gaan we naar Engeland, Bastian!... Naar het land der vrijheid! Ach! Ha! Mijn club, m'n mooie huis, m'n kleine bank... Jij zult veel van Engeland gaan houden, ouwe jongen.

Bastian: Eh... ja, maar eh... hebben de Engelsen jou in '39 niet uitgewezen?

Thomas: Zeker. Daarom moeten we nu ook nog eerst even eerst naar München. Daar zit een jeugdvriend van me. Die moet me helpen Engeland weer binnen te komen.

Bastian: En wat is dat voor een jeugdvriend?

Thomas: Een Berlijner, nu majoor in het Amerikaanse leger, redacteur van een dagblad. Kurt Westenhoff heet ie. Ach, da's een fijne kerel. O, Bastian, ik-ik ben toch zo blij, hè. Met al dat achterbakse gedoe is het nou afgelopen.

Bastian: Ja.

Thomas: D'r breekt een nieuw tijdperk voor ons aan, een nieuw leven.

(München, 30 mei 1946, kantoor van Kurt Westenhoff, Schelling Strasse)

Kurt: Thomas! Beste kerel. Wat ben ik blij je terug te zien.

Thomas: Anders ik wel, Kurt. Hoe is het ermee?

Kurt: Naar omstandigheden goed, dank je. D'r is heel wat gebeurd in die tijd.

Thomas: Nou nou, zeg dat wel, ja.

Kurt: Zoals je weet zijn we in '33 gedwongen geëmigreerd naar Amerika.

Thomas: Ja, en nou ben jij als Amerikaan teruggekomen naar het land dat jou eens heeft uitgestoten.

Kurt: Ja ja, dertien jaar, een lange tijd. Maar ik herkende je weer onmiddellijk. Als ik iets voor je kan doen, zeg het dan, beste kerel.

Thomas: Dank je. Dank je, dank je, Kurt.

Kurt: Onzin. We kennen elkaar van de schoolbanken. 'k Heb je vader gekend.

Thomas: Ja.

Kurt: Ik hoef jou geen vragen te stellen, behalve die ene: hoe kan ik je helpen?

Thomas: Wel, je weet, hè, dat ik voor de oorlog in Londen bankier ben geweest, Marlock and Lieven, Dominion Agency, Lombard Street.

Kurt: Ja ja, herinner ik me.

Thomas: Nou, kijk, Kurt, ik heb een wilde tijd achter de rug. En jullie CIC zal ongetwijfeld een uitgebreid dossier over mij hebben. Maar ik spreek de zuivere waarheid als ik zeg dat ik alleen en uitsluitend door m'n compagnon Marlock in al die ellende verzeild ben geraakt. Hij heeft de bank ingepikt. Sinds '39 heb ik maar één wens, één gedachte, en dat is: dat zwijn te pakken te krijgen.

Kurt: 'k Begrijp het: je wil naar Engeland.

Thomas: Ja, om af te rekenen met Marlock. Zou jij me kunnen helpen?

Kurt: Natuurlijk. Geef me een dag of veertien de tijd, want ik moet natuurlijk wel even m'n voelhorens uitsteken.

(14 juni 1946, in de villa van Kurt Westenhoff)

Thomas: Ik dank je voor je uitnodiging Kurt.

Kurt: Ga zitten, m'n beste Thomas, ga zitten.

Thomas: Graag, dank je.

Kurt: Je moest maar een whisky'tje nemen.

Thomas: Hé, dat klinkt onheilspellend. Ik ben op alles voorbereid. Zeg het maar, Kurt.

Kurt: 't Spijt me, Thomas, jouw Robert E. Marlock is verdwenen.

Thomas: Wat?

Kurt: Mm. Ik heb m'n vrienden bij het CIC te hulp geroepen, en zij hebben zich met de Engelsen in verbinding gesteld. 't Ziet er beroerd voor je uit. Heel beroerd.

Thomas: Hoezo?

Kurt: Die bank van je bestaat ook niet meer. Wat dacht je van een dubbele whisky?

Thomas: Je kunt beter de fles bij me neerzetten. Ik kom mezelf zo langzamerhand voor als Job. Job op de mestvaalt, maar wel met whisky. Sinds wanneer bestaat die bank niet meer?

Kurt: Sinds eh... '42. Ja, ik heb het opgeschreven, wacht 'ns even. Ja... Om nauwkeurig te zijn, sinds 14 augustus '42. Toen heeft Marlock de betalingen gestaakt. Wissels werden niet gehonoreerd.

Thomas: 't Is niet te geloven...

Kurt: Marlock is op die dag verdwenen, als... als door de aarde verzwolgen. En hij is tot op heden niet meer boven water gekomen. Tot zover m'n vrienden van het CIC, die hier overigens graag met je kennis willen maken.

Thomas: Oohoo, maar ik niet met hen. Nou, 't ziet er dan allemaal niet zo best uit.

Kurt: Mm. Heb je plannen?

Thomas: Ach, voorlopig blijf ik maar hier. 'k Heb in Frankrijk genoeg geld verdiend. Ik ga aan het werk, maar nooit meer voor een geheime dienst. Van mijn leven niet meer.

Kurt: (lacht)

Thomas: Ja, ja lach jij maar, maar 'k heb van die troep m'n buik meer dan vol. Nee, ik ga proberen hier in de omgeving van München een huis te kopen, dan zal ik wel zien wat er gaat gebeuren.

(Een dag in juli 1946 Grünwald (voorstadje van München) - leeft daar met Bastian)

Bastian: Zal ik nog 'ns eh... inschenken?

Thomas: Ah, da's een goeie gedachte, Bastian... Heerlijk!

Bastian: Alstublieft.

Thomas: (zucht) Rustig hè, hier, op ons terras?

Bastian: Ja.

Thomas: Vind je niet dat we d'r in geslaagd zijn een aardig huis op de kop te tikken?

Bastian: Heh, en alles betaald met het geld van het Franse leger.

Thomas: (lacht) Ik heb 'ns uitgerekend hoeveel wij aan de hand van onze omzet schuldig zijn aan het Franse Ministerie van Financiën.

Bastian: Nou?

Thomas: Ongeveer 30 miljoen francs.

Bastian: (lacht) Vive la grande armée! Maar ze zullen er geen centiem van zien. (de telefoon gaat) Oh, telefoon.

Thomas: (gaat er naartoe en neemt op) Hallo?

Kurt: Thomas? Met Kurt Westenhoff.

Thomas: Hallo, Kurt.

Kurt: Zeg heb jij zin om vanavond op een feestje bij Eva Braun te komen?

Thomas: Bij wie?

Kurt: Nou ja, in d'r villa... Maria, Prinzregentenstrasse.

Thomas: Maar wacht 'ns, daar zit toch de CIC?

Kurt: Ja, dat klopt.

Thomas: Ik heb je toch al eerder verteld dat ik niet van plan ben om ooit nog te werken als geheim agent, hè, ook niet voor jullie.

Kurt: Maar dat wordt ook helemaal niet van je verlangd. Je moet alleen maar optreden als kok.

Thomas: Ah, die vrienden van jou zullen toch zelf wel een kok hebben?

Kurt: Die hebben ze ook, een heel goeie zelfs, maar vandaag kan ie niet koken, omdat ie last van z'n ingewanden heeft. Zeg, help me uit de penarie, Thomas, om mij een plezier te doen. Ze hebben een eh... reebokje. Kom je?

Thomas: Nou goed, maar... alleen om jou een plezier te doen!

Het recept is niet uitgeschreven.