Deel 3 - Het kan niet altijd kaviaar zijn
De schone consul en de valse passen.
Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.
Beluister deel 3 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een deel.
De rolverdeling van deel 3.
| Luc Lutz | Thomas Lieven |
| Wim de Meijer | Lovejoy |
| Peter Aryans | Majoor Loos |
| Maarten Kapteyn | Barkeeper |
| Franck van Erven | Croupier |
| Paul Deen | Lius Tamiro |
| Corry van der Linden | Estrella Rodrigues |
| Ad van Kempen | Stem |
| Dries Krijn | Reynaldo Pereira |
| Donald de Marcas | Stem |
| Lou Landré | Admiraal Canaris |
| Ad van Kempen | Een agent |
| Peter Römer | Een agent |
| Hans Karsenbarg | Mr. Roger |
| Frans Somers | De chef |
| Franck van Erven | Williams |
| Carol van Herwijnen | Walter Lindner |
| Auteur: | Johannes Mario Simmel |
| Bewerking: | Dick van Putten |
| Regie: | Hero Muller |
| Omroep: | AVRO |
| Dit deel is uitgezonden op: | 19-04-1979 |
Het script van deel 3.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
(30 augustus 1940, Cascais, Portugal)
Lovejoy: Au! M'n hoofd...
Thomas Lieven: Ja, wie het onderste uit de kan wil hebben, die krijgt het deksel op de neus, en wie aan telefooncellen luistert, krijgt de deur tegen z'n schedel. Hoe maakt u het overigens, meneer Lovejoy?
Lovejoy: Nou, slechter dan u, meneer Lieven. Of dacht u dat het een genoegen was u door heel Lissabon achterna te rennen? En nu ook nog dat grapje met die deur.
Thomas: Hoe komt u eigenlijk in Lissabon verzeild, meneer Lovejoy?
Lovejoy: Ik zou u dankbaar zijn als u mij Ellington zou willen noemen. Zo heet ik namelijk in Portugal.
Thomas: De ene hand moet de andere wassen, noemt u mij dus Leblanc. Zo heet ik namelijk in Portugal. Maar u hebt mijn vraag nog niet beantwoord.
Lovejoy: U schijnt ons van de Secret Service nog steeds als idioten te beschouwen, hè?
Thomas: Ik verzoek u vriendelijk mij het antwoord op deze suggestieve vraag te willen kwijtschelden.
Lovejoy: Dacht u nu heus dat wij niet wisten dat admiraal Canaris persoonlijk achter u aan zit?
Thomas: Aaah!...
Lovejoy: Dacht u dat wij in Londen geen radioberichten afluisteren?
Thomas: Maar die worden toch in code geseind?
Lovejoy: Van die code hebben wij de sleutel.
Thomas: En de Duitsers hebben de sleutel van jullie code. Waarom gaan jullie eigenlijk niet gezellig aan één tafel zitten om te zwartepieten?
Lovejoy: Ik weet het: u bent een harteloze cynicus. Ik weet het: niets is u heilig. Ik heb u onmiddellijk doorzien, destijds op het vliegveld al. U bent een individu zonder eergevoel, zonder moraal, zonder vaderlandsliefde, zonder karakter.
Thomas: Vleier!...
Lovejoy: En daarom heb ik onmiddellijk gezegd: laat mij met die kerel onderhandelen. Die verstaat maar één taal: geld!
Thomas: Een ogenblikje. Laten we de zaak nu in de juiste volgorde afhandelen. Vertel me eindelijk 'ns hoe u hier komt.
Lovejoy: Toen wij vernamen dat major Loos u zou volgen naar Lissabon, ben ik onmiddellijk vertrokken met een koeriermachine.
Thomas: Aaah!...
Lovejoy: Ik ben twee uur eerder aangekomen dan u. Ik ben u vanaf de luchthaven gevolgd, u en die andere heer, die nu daarginds op het terras voor het restaurant zit. Ik neem aan dat dat majoor Loos is.
Thomas: Welk een scherpzinnigheid. U-u kent de majoor nog niet persoonlijk?
Lovejoy: Nee.
Thomas: Maar lieve hemel, gaat u dan toch mee naar het restaurant! Dan zal ik u beiden aan elkaar voorstellen. We kunnen gedrieën eten. Mosselen natuurlijk, hè! In Cascais behoort men mosselen te eten.
Lovejoy: Hou nou maar op met die onzin. We weten dat u een dubbelspel speelt.
Thomas: Aha!
Lovejoy: U bent in het bezit van een tas met de lijsten van de belangrijkste Franse agenten in Frankrijk en Duitsland. Ik zal niet toelaten dat u die versjachert aan die fameuze majoor Loos. Hij zal u natuurlijk veel geld bieden, heel veel geld zelfs...
Thomas: Mogen uw goede wensen verhoord worden...
Lovejoy: Maar ik bied evenveel, nee, ik bied meer! Huh, want ik weet: u stelt alleen belang in geld. Eer en geloof, geweten en berouw, idealisme en fatsoen zijn voor u niet meer dan holle klanken!
Thomas: Zo, nu is 't wel voldoende, hè? Wie heeft me eigenlijk belet naar Engeland terug te keren en als een vreedzaam burger verder te leven, hè? Wie heeft eraan meegewerkt m'n bestaan volkomen te vernietigen? U met uw driewerf vervloekte Secret Service! Had u werkelijk gedacht daarmee mijn sympathie te verwerven, meneer Ellington? En nu heb ik de eer u te groeten. (gaat terug naar het terras) Ziezo, daar zijn we weer. Excuseer de onderbreking.
Loos: U hebt een kennis ontmoet, is 't niet? Ik zag u daarginds bij een telefooncel staan praten.
Thomas: Een ouwe kennis. O, ja! En een concurrent van u, meneer Lehmann.
Loos: Een concurrent?
Thomas: Die meneer werkt voor de Secret Service.
Loos: Wel verdomd!
Thomas: Lehmann, Lehmann! Als u zich niet beter kunt of wilt gedragen, moet ik u heus alleen laten.
Loos: U bent Duitser. Ik appelleer aan uw vaderlandsliefde.
Thomas: Lehmann, voor de laatste maal: gedraag u fatsoenlijk.
Loos: Ga met mij terug naar het vaderland. U hebt mijn erewoord als officier van de Abwehr dat u niets zal overkomen.
Thomas: (kucht)
Loos: Aan het erewoord van de officier van Abwehr behoeft men niet te twijfelen!
Thomas: Vooral niet als men er niet de minste waarde aan hecht.
Loos: Verkoopt u mij dan die zwarte tas. Ik bied u 3.000 dollar.
Thomas: Die meneer uit Londen heeft mij reeds het dubbele geboden.
Loos: En... hoeveel verlangt u?
Thomas: Dat is ook een vraag! Zoveel als ik maar krijgen kan.
Loos: Je bent een schoft. Een karakterloze schoft.
Thomas: Ja, dat heeft uw collega ook al geconstateerd.
Loos: Manlief, we zouden je toch zo graag bij onze dienst hebben.
Thomas: Hoeveel, Lehmann. Hoeveel?
Loos: Ja, ik-ik moet eerst ruggespraak houden met Berlijn en nieuwe richtlijnen vragen.
Thomas: Vraagt u dan, Lehmann, maar haast u. Mijn schip vertrekt binnen enkele dagen.
Loos: Vertelt u me één ding: hoe hebt u die tas hier in Portugal binnengesmokkeld. De douane heeft u tot op uw naakte huid uitgekleed.
Thomas: Ik had me tijdig verzekerd van vreemde hulp. Voor dergelijke trucjes heeft men een voor u en uws gelijken onbetaalbare kleinigheden nodig.
Loos: En dat is?
Thomas: Charme.
Loos: Jij hebt een grote hekel aan mij, is 't niet?
Thomas: Meneer Lehmann, ik leidde vroeger een gelukkig leven. Ik was een tevreden burger. U en uw Engelse en Franse collega's zijn de schuld dat ik op het ogenblik hier zit. Moet ik u daarom sympathiek vinden? Ik wilde niets met u vandoen hebben. U hebt mij gedwongen. Nou moet u maar zien hoe u het met me klaarspeelt. Waar logeert u?
Loos: In de Casa Senhora de Fatima.
Thomas: Mooi, ik in Hotel Palacio do Estoril-Parque. Die meneer uit Londen overigens ook. Vraagt u maar aan uw chef wat die zwarte tas 'm waard is. Uw collega heeft het vannacht al aan zijn chef gevraagd. Ziezo! (lacht) En nou zou ik eindelijk wel 'ns een hapje willen eten.
(31 augustus 1940)
Thomas: In de grootste boekhandel van de stad kocht ik een aantal plattegronden van Franse en Duitse steden. Op het hoofdpostkantoor, dat een complete bibliotheek van alle Europese telefoonboeken bezat, kreeg ik een uur lang de beschikking over de gidsen van vijf Duitse en veertien Franse plaatsen waaruit ik in totaal 120 namen en adressen overschreef. In de Rua Augusta kocht ik een schrijfmachine en papier. Vervolgens keerde ik terug naar m'n hotel, haalde de zwarte tas uit de brandkast, en begaf mij daarmee naar mijn heerlijke koele kamers op de eerste verdieping. Daar deed ik de zwarte tas open. Deze bevatte m'n gehele vermogen aan baar geld, zes dicht beschreven lijsten, alsmede een aantal constructietekeningen van zware tanks, vlammenwerpers en een jachtbommenwerper.
Thomas: 't Liefst zou ik die smerige troep meteen in de WC gooien, maar Debras is ongetwijfeld van het bestaan van die constructietekeningen op de hoogte, en zou ze dus missen. De heren Lovejoy en Loos aan de andere kant weten d'r niks van af. Die zijn alleen op de lijsten uit... Enfin, lijsten kunnen ze krijgen. Zes velletjes met namen van Franse agenten in Duitsland en vertrouwenspersonen in Duitsland en Frankrijk, 117 totaal. Achter iedere naam een adres, en achter ieder adres twee zinnetjes. Met het eerste moet de agent worden aangesproken, met het tweede moet ie antwoorden. "Willibald Lohr, Düsseldorf, Sedanstrasse 43. Vraag: Hebt u misschien een grijs dwergpoedeltje gezien met een rode halsband? Antwoord: Nee, maar in Lichtenbroich kun je ook honing kopen." (lacht) Wat een waanzin. Tja, ik moet dus andere lijsten maken. Achter de namen die ik telefoonboeken moeten straatnamen uit andere plaatsen komen. De echte lijsten moeten verdwijnen. Die stichten alleen maar onheil, of ze nu in handen komen van de Fransen, de Duitsers of de Engelsen. 'k Wil niet dat er door die lijsten nog meer slachtoffers vallen. En bovendien wil ik me wreken op al die idioten die m'n leven ondersteboven hebben gegooid. Ja, 'k zal die troep drie keer uit moeten tikken: voor Debras, voor Loos en voor Lovejoy. Gezellig karweitje... Hoewel..., 't wordt goed betaald. (telefoon - neemt op) Hallo?
Loos: Met Lehmann. Ik heb met de persoon in kwestie gebeld. 6.000 dollar.
Thomas: Neee...
Loos: Nee? Waarom niet? Hebt u al verkocht?
Thomas: Nee.
Loos: Wat dan?!
Thomas: 'k Ben nog in onderhandeling. Ik neem uw bod voorlopig voor kennisgeving aan. Belt u morgen nog maar 'ns. Bonjour! (legt neer - lacht) Eigenlijk moet ik één van die kerels op de lijst Fritz Loos noemen, met z'n juiste adres d'r bij. O, wat zal ie een moeite hebben om een aanvaardbare verklaring te geven. Nou, zal ik maar 'ns beginnen. (typt)
Thomas: De tweede september kocht ik in een lederhandel twee zwarte tassen, en in de vroege middag ging ik met één van die tassen naar de chique zaak van de heer Gomez Dos Santos, één der beste kleermakers van Lissabon. En in een paskamer met zachtroze tapijt ontmoette ik de majoor Loos, gekleed in een uitermate elegant donker flanellen kostuum.
Loos: Gelukkig dat u er bent!
Thomas: Hoezo?
Loos: In de afgelopen drie dagen hebt u me zo ongeveer tot een... een zenuwpatiënt gemaakt.
Thomas: Waarde heer, dat hebt u volledig aan uzelf te wijten. Als u niet had geprobeerd te sjacheren, maar direct met een bod van 10.000 dollar over de brug was gekomen, hadden we dit zaakje onmiddellijk kunnen afwikkelen. Overigens wil ik herhalen wat ik al eerder heb gezegd: dat ik u de tas verkocht heb, moet een volstrekt geheim blijven. Anders bent u uw leven hier in Portugal niet zeker.
Loos: Huh, daarom heb ik voor de overdracht ook zo'n onopvallende plaats gekozen als deze paskamer...
Thomas: ...en meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om u een nieuw pak te laten aanmeten.
Loos: Inderdaad. O, die Dos Santos is een fantastische kleermaker.
Thomas: Ja, dat zie ik.
Loos: Binnen drie dagen maakt ie een maatpak van de beste Engelse stof. Eh... voelt u maar 'ns. Een kwaliteit!
Thomas: Ja, da's inderdaad een prachtig pak, zeg! Da's een feit.
Loos: We laten ons allemaal door 'm kleden.
Thomas: Wie zijn "wij allemaal"?
Loos: Alle geheime agenten die in Lissabon wonen.
Thomas: Aaah! En dan-dan noemt u dit een onopvallende plaats...
Loos: Natuurlijk! Juist! Begrijpt u dat dan niet? Geen enkele collega zal ook maar een ogenblik veronderstellen dat ik ambtshalve hier ben.
Thomas: Aha.
Loos: Bovendien heb ik de coupeur 100 escudo's gegeven, en dan zwijgt ie.
Thomas: Tot iemand hem 200 escudo's geeft, ja. Hebt u 't geld?
Loos: Natuurlijk. In dit couvert. En de lijsten?
Thomas: Zitten in deze tas.
Loos: Dan zullen we maar gelijk oversteken.
Thomas: Uiteraard.
Loos: Mijn vliegtuig vertrekt over een uur. Veel geluk, ouwe schurk. 'k Ben echt op je gesteld geraakt. Misschien komen we mekaar nog wel 'ns tegen.
Thomas: Ik hoop van niet.
Loos: Enfin, dat zien we wel. Heil Schicki.
Thomas: Heil eh... wie?
Loos: O, (lacht) da's een grapje van onze mensen hier. De vent heette vroeger immers Schickelgruber.
Thomas: O.
Loos: (lacht) Eigenlijk moet je 'ns kennis maken met de lui van ons gezantschap.
Thomas: Nee, dank u.
Loos: Daar is geen enkele Nazi onder.
Thomas: Natuurlijk niet... Goeie reis, meneer Lehmann. En doe uw admiraal de hartelijke groeten van me, al ken ik hem dan ook niet persoonlijk.
(cinema Odeon, Lissabon - filmgeluiden tijdens het hele gesprek)
Lovejoy: Ik heb speciaal deze bioscoop uitgezocht. Zo kunnen we rustig praten. Intelligent, niet?
Thomas: Ja, da's... bijzonder intelligent.
Lovejoy: Die Nazi krijgt een beroerte van woede, wil ik wedden.
Thomas: Eh... wanneer vliegt u terug naar Londen?
Lovejoy: Vanavond nog.
Thomas: Heel verstandig! Overigens wil nog even ik herhalen wat ik al eerder gezegd heb, hè: laat het... (kucht) laat het een volstrekt geheim blijven dat ik u de tas verkocht heb. Anders bent u hier in Portugal uw leven niet zeker.
Lovejoy: Ik begrijp het.
Thomas: Mm?
Lovejoy: Dat begrijp ik. Maar ik ga vanavond nog terug.
Thomas: Ja, dan wens ik u een goeie reis.
Lovejoy: Wat zegt u?
Thomas: Ik zeg: goeie reis.
Lovejoy: O!... Dank u.
(avond van 3 september, in de casino te Estoril)
Thomas: Mag ik een dubbele whisky?
Barman: Natuurlijk, meneer. Met water of met sodawater?
Thomas: Sodawater? Ik ben geen Amerikaan!
Croupier: Mesdames, messieurs, faites vos jeux... Rien ne va plus.
Thomas: Tjonge tjonge, wat een pech.
Barman: Die dame in het rood, bedoelt u?
Thomas: Ja ja, die bedoelde ik inderdaad. Eh... wie is dat eigenlijk?
Barman: Een waanzinnige gokster. U hebt er geen idee van wat die al verloren heeft.
Croupier: Vingt-sept, rouge, impair et passe!
Thomas: Wie is dat?
Barman: Estrella Rodriguez.
Thomas: Getrouwd?
Barman: Weduwe. Haar man is advocaat. "De consul" noemen we d'r.
Thomas: Waarom?
Barman: Waarom? Omdat ze dat is. Ze is consul van de een of andere bananenrepubliek.
Thomas: Aha!
Croupier: Cinq, rouge, impair et manque!
Thomas: Ze heeft weer verloren.
Barman: Ja. Er liggen nog maar zeven fiches voor d'r.
Luis Tamiro: Monsieur Leblanc?
Thomas: Hallo?
Tamiro: Eh... u bent toch monsieur Leblanc, nietwaar?
Thomas: Ja.
Tamiro: Gaat u even mee naar de toiletten.
Croupier: Mesdames, messieurs, faites vos jeux.
Thomas: Waarom?
Tamiro: Omdat ik u iets te zeggen heb.
Thomas: Zeg u 't maar hier.
Croupier: Rien na va plus.
Tamiro: Majoor Debras is in Madrid in moeilijkheden geraakt. Z'n pas is afgenomen. Hij kan dit land niet uit. Hij vraagt of u 'm zo spoedig mogelijk een Franse pas wil bezorgen.
Thomas: Wat!
Tamiro: Ik eh... heb een envelop in uw zak gestopt. Daarin vindt u pasfoto's van Debras, en mijn adres in Lissabon. Breng die pas zo spoedig mogelijk bij me.
Thomas: Ja, eerst moet ik er een hebben.
Tamiro: Ja ik eh... ik moet weg. Doe wat je kunt. Bel mij op.
Thomas: Franse pas... Makkelijk praten, zeg! Hoe kom ik daar zo gauw aan? Ik kan toch moeilijk naar een of ander consulaat stappen? Consulaat... Wacht 'ns even...
(10 minuten later, in het restaurant van de casino)
Thomas: Uitstekend, die paprikasaus. Vindt u ook niet Madame Rodriguez?
Rodriguez: Zeker.
Thomas: Dat is dankzij het tomatensap. Is eh... is er iets niet in orde, madame?
Rodriguez: Mm? Hoezo?
Thomas: U keek me zo eigenaardig aan, zo... zo streng.
Rodriguez: Monsieur, ik zou het zeer onaangenaam vinden indien u zich ten aanzien van mij vergiste. Het is niet mijn gewoonte mij door vreemde heren te laten uitnodigen voor een souper.
Thomas: Madame, deze verklaring is volstrekt overbodig. Een gentleman weet wanneer hij met een dame te doen heeft. Vergeet niet dat ik u dit avondlijk hapje wel haast heb opgedrongen.
Rodriguez: Mmm.
Thomas: In ogenblikken van grote spanning en verdriet moet men altijd iets nuttigen dat rijk is aan calorieën. Hebt u eh... veel verloren?
Rodriguez: Heel, heel veel.
Thomas: U moest eigenlijk niet spelen, Madame.
Rodriguez: Uh!...
Thomas: Nog wat olijven? Een vrouw die er uit ziet als u, kan alleen maar verliezen. En dat is dan ook niet meer dan billijk.
Rodriguez: Mmm. U speelt in het geheel niet, monsieur Leblanc?
Thomas: Geen roulette althans.
Rodriguez: U bent een gelukkig mens.
Thomas: Ach, ik ben bankier. Een spel waarop ik geen invloed kan uitoefenen met mijn intelligentie verveelt me.
Rodriguez: Ik haat de roulette. Ik haat het. En als ik speel, haat ik ook mijzelf. Ik haat op deze wereld twee dingen, monsieur.
Thomas: Tiens? Twee maar?
Rodriguez: De roulette, en de Duitsers.
Thomas: Aha!
Rodriguez: U bent Fransman, monsieur. Ik weet dat u mij, althans wat dit tweede punt betreft, zult kunnen begrijpen.
Thomas: Volkomen, madame, volkomen. Eh... waarom haat u de Duitsers eigenlijk?
Rodriguez: Mijn eerste man was een Duitser...
Thomas: Ik begrijp het.
Rodriguez: ...en directeur van een speelbank. Meer hoef ik wel niet te zeggen?
Thomas: O nee, zeker niet. Maar u zou me een groot genoegen kunnen doen.
Rodriguez: Waarmee?
Thomas: Door mij in de gelegenheid te stellen een avond lang uw spel te financieren.
Rodriguez: Monsieur!
Thomas: Als u wint, delen we.
Rodriguez: Nee... Nee dat gaat niet, dat is uitgesloten. Ik zie u immers vanavond voor het eerst van m'n leven. Stel u voor dat-dat ik verlies?
Thomas: Ik heb het gevoel dat u zult winnen.
Rodriguez: Meent u dat?
Thomas: Sterker, ik ben ervan overtuigd dat u zult winnen.
Rodriguez: Ah... Nou ja, goed! Mijnentwege dan. Maar alleen onder voorwaarde dat we delen als ik win.
Thomas: Dat spreekt vanzelf.
Rodriguez: Ha! Waar blijft het dessert nou toch? Goh, hemel, ik ben zo opgewonden. Ik voel dat ik nu zal winnen.
(in de villa van de consul)
Thomas: Wacht even... Even het kussen opzij ...
Estrella: Jean... Oh, 'k ben zo gelukkig.
Thomas: Ik niet minder, Estrella, ik zeker niet minder. Aaah... Sigaret?
Estrella: Mmm... Geef me maar een trekje van de jouwe... (trekt) Eerst was ik doodongelukkig.
Thomas: Ja?
Estrella: Ja. 'k Schaamde me zo. 'k Wist niet hoe ik ooit al dat geld dat ik verloren had, zou moeten teruggeven.
Thomas: Estrella, lieveling...
Estrella: Ja, m'n hart?
Thomas: Heb jij erg veel schulden?
Estrella: Onvoorstelbaar veel. Op het huis drukken maar liefst drie hypotheken.
Thomas: Oooo.
Estrella: 'k Heb zelfs al sierraden moeten verkopen. (lacht) 'k Hoop nog steeds op een gegeven moment alles te kunnen terugwinnen.
Thomas: Had je man je veel nagelaten?
Estrella: Een klein vermogen. Die duivelse roulette, ik haat dat ding.
Thomas: En de Duitsers.
Estrella: Ja, de Duitsers ook, mm.
Thomas: Ah, chéri... Vertel 'ns, lieveling, van welk land ben jij eigenlijk consul?
Estrella: Van Costa Rica. Waarom?
Thomas: Heb jij wel eens een Costaricaanse pas afgegeven?
Estrella: Nee, nooit.
Thomas: Maar je man toch zeker wel?
Estrella: Oh ja, (lacht) die WEL. Maar weet je, sinds de oorlog uitbrak, is hier nooit meer iemand geweest. Ik geloof dat er geen Costaricanen meer in Portugal zijn.
Thomas: Ja , maar je hebt toch zeker nog wel een paar... blanco passen in huis, lieveling?
Estrella: O, dat... dat weet ik niet. Na Pedro's dood heb ik alle paperassen en stempels in een koffer gepakt en naar de zolder laten brengen... Waarom vraag je daar eigenlijk naar?
Thomas: Omdat ik graag een pas zou willen uitschrijven, liefje.
Estrella: Een pas?
Thomas: Liever nog, een paar.
Estrella: Hoezo? Is dat een grapje?
Thomas: Neen....
Estrella: Wat ben jij eigenlijk voor een man?
Thomas: De kern is goed.
Estrella: Maar... wat wil jij met die passen doen?
Thomas: We zouden ze kunnen verkopen, lieveling. Kopers zijn hier in Lissabon gemakkelijk te vinden. Kopers die graag een hoge prijs zullen betalen, en met dat geld zou jij... Moet ik nog meer zeggen?
Estrella: (lacht) Een prachtig idee! Kom gauw mee naar de zolder.
Thomas: Au!
Estrella: Stoot je hoofd niet!
Thomas: Heb ik al gedaan. Welke koffer is het?
Estrella: Ja, wacht... Die! (opent hem) Kijk 'ns: passen! Tientallen passen! Oh, verlopen... Ook verlopen... Verlopen. Ach Jean, het zijn allemaal ouwe passen, d'r is niet één nieuwe bij, hier kunnen we niets mee beginnen.
Thomas: Integendeel, liefje. Ouwe verlopen passen zijn de beste.
Estrella: Dat begrijp ik niet.
Thomas: Hoeft ook niet. Straks begrijp je 't wel. En als je 't straks nog niet begrijpt, is 't ook niet erg...
(4 september 1940, 's middags; de Alfama, de oude wijk van Lissabon; 16, Rua do Poco des Negros)
Thomas: Woont hier Reynaldo Pereira, de schilder?
Medebewoner: Ja. Trap op, eerste deur links.
Thomas: Die trap daar zeker, hè? Ja.
Medebewoner: Ja, ja, dat is het.
Thomas: Is er geen licht op de trap, meneer?
Medebewoner: Ja, dat kan ik wel even voor u maken, hoor. Ogenblikje.
Thomas: Ja, nee, als u wilt, ja.
Medebewoner: (knipt het licht aan) Zo.
Thomas: Dank u wel. Eh..., alstublieft, kijk 'ns hier: een kleinigheid, da's voor u.
Medebewoner: Dank u wel. Dank u wel, vais favor!
Thomas: Tot uw dienst. Een mooie hond heeft u daar trouwens.
Medebewoner: Ja.
Thomas: Multo obligado, hè!
Medebewoner: Vais favor.
Thomas: (gaat de trap op en klopt aan) Pereira? Hallo? Nou, dan zo maar naar binnen. (gaat binnen - gesnurk) Pereira? Hé! Wakker worden! D'r is werk te doen. Hallooo! Word wakker! Geen beweging in te krijgen, zeg. Nou, daar zal die lege cognacfles niet vreemd aan zijn. Goed, vriend, ik gun je een uurtje tijd. Ga ik 'ns even een kijkje nemen in de keuken. (maakt lawaai met de vaat)
Pereira: (schrikt wakker) Wat is... wat is dat? Wat? Iemand in m'n keuken? (Lieven neuriet) Zou ze...? Juanita! Juanita, m'n hart, m'n leven, ben je teruggekomen?
Thomas: Bom dia! Uitgeslapen?
Pereira: Hè!? Goh, die vervloekte drank! Het is zo ver: nou begint het.
Thomas: Wind je maar niet op, Reynaldo, 't is geen delirium tremens. Ik ben een man van vlees en bloed. Jean Leblanc is mijn naam. Hier, kijk 'ns, neem 'ns een slok wijn, da's goed voor je bloedspiegel. Dan gaan we daarna behoorlijk eten.
Pereira: Wat-wat doet u in mijn keuken?
Thomas: Uiensoep met een korstje maken. Kalfsmedaillons in madeirasaus braden.
Pereira: Bent u krankzinnig geworden?
Thomas: En als dessert had ik omelet gedacht. Ik weet namelijk dat je honger hebt, en een hongerig mens mist de vastheid van de hand die jij straks nodig zult hebben.
Pereira: Huh? Waarvoor?
Thomas: Om een pas voor me te vervalsen.
Pereira: D'r uit! Verrader! D'r uit of... of ik... ik sla je hersens in!
Thomas: Zet die pan nou neer! Asjeblieft, die heb ik straks nodig. Overigens heb ik hier een brief voor je.
Pereira: (opent de brief) Hoe kent u Luis Tamiro?
Thomas: Onze levenswegen hebben elkaar gisteravond in de speelzaal van Estoril gekruist. Luis bracht mij het bericht dat een oude vriend van mij in Madrid in het nauw was geraakt. Men heeft 'm z'n pas afgenomen. Dus heeft ie een nieuwe nodig, en wel zo vlug mogelijk. Luis Tamiro is van mening dat jij de juiste man bent om dat karweitje op te knappen. 'n Werkelijke kunstenaar, met jarenlange ervaring.
Pereira: Het spijt me, maar ik begin er niet meer aan. Dat heb ik ook tegen Juanita gezegd. Juanita is mijn vrouw.
Thomas: Die je verlaten heeft omdat het je zo slecht gaat. Luis heeft me d'r alles van verteld. Ik zou d'r maar niet om huilen, een vrouw die een man in de steek laat omdat het 'm slecht gaat is waardeloos. Let op hoe gauw ze terugkomt als je weer geld hebt!
Pereira: (lacht) Geld? Wie zou mij geld geven?
Thomas: Ik, onder andere.
Pereira: Nou moet jij 'ns goed luisteren...
Thomas: Met alle genoegen, maar laten we dan ondertussen een bord uiensoep nemen, hè? Zo. Eet smakelijk.
Pereira: Smakelijk eten. (slurpt de soep op)
Thomas: Hè? (lacht)
Pereira: Mmm! Da's een best soepie, zeg.
Thomas: Ik zal je 't recept verklappen. Je snijdt een flinke hoeveelheid uien in dunne ringen, en laat die in boter of olie lichtbruin bakken. Vervolgens giet je d'r heet water over, iets meer dan je soep wilt hebben - hete vleesbouillon is natuurlijk nog beter - en laat het vijftien minuten koken. Zout toevoegen naar smaak. Intussen snijd je dunne plakken wittebrood, legt die op de soep die je van 't vuur genomen hebt, en bestrooi het geheel dik met geraspte kaas. En vervolgens zet je de pan in de hete oven, tot de kaas een lichtbruin korstje heeft. Eenvoudig, hè? En je proeft het resultaat. Enfin, 'k zou naar je luisteren, had ik beloofd. Goed luisteren zelfs.
Pereira: Nou, kijk 'ns hier...
Thomas: Mm?
Pereira: Wij hebben oorlog op het ogenblik. 'n Pas namaken kan ik alleen als ik er het watermerkpapier van heb. Maar dat moet je altijd gappen, of laten gappen in het land waarvoor de pas bestemd is.
Thomas: Ja, dat weet ik.
Pereira: Dan zal je ook wel weten dat in de oorlog dergelijk papier niet meer binnenkomt. Dus, d'r kunnen geen passen meer gemaakt worden. Ze kunnen alleen nog maar eh... vervalst worden. En hoe gebeurt dat?
Thomas: Die kalfsmedaillons in madeirasaus, die zijn uitstekend geslaagd, zeg, al zeg ik het zelf.
Pereira: Mmmm! Mijn oprecht gemeende complimenten.
Thomas: Je vroeg op welke wijze de meeste pasvervalsingen tot stand komen. Nou kijk, in het merendeel der gevallen voert men mensen dronken, of slaat ze neer om ze vervolgens van hun pas te beroven en die te veranderen.
Pereira: Hè, ja. En kijk, dat vertik ik nou. Daar voel ik niks voor. (Lieven lacht) Als je niet eerlijk vervalsen kan, dan doe 'k het helemaal niet. Ik ben pacifist.
Thomas: Ik ook. Kijk 'ns op de vensterbank. Daar ligt een cadeautje voor je.
Pereira: (gaat er naartoe) Wat is dat?
Thomas: Grammaticaal zou de vraag kunnen behoren te luiden: wat zijn dat. 't Zijn vier verlopen, volgestempelde passen van Costa Rica. Als je d'r eentje voor me vervalst, zijn de andere drie voor jou.
Pereira: Hoe kom jij daar aan?
Thomas: Gevonden, vannacht.
Pereira: (lacht) Heb jij vannacht vier Costaricaanse passen gevonden?
Thomas: Neee...
Pereira: Aha!
Thomas: 'k Heb vannacht niet vier, maar 47 Costaricaanse passen gevonden.
Pereira: Gevonden? 47 passen? (lacht uitbundig)
Thomas: Naar je zin, Tamiro?
Tamiro: Fantastisch knap gedaan!
Thomas: Wanneer vertrekt je vliegtuig?
Tamiro: Over twee uur.
Thomas: Doe Debras de groeten van me. Hij moet vlug maken dat ie hier komt. Over vijf dagen vertrekt m'n boot.
Tamiro: 'k Geloof niet dat het 'm voor die tijd zal lukken.
Thomas: Hoe bedoel je?
Tamiro: De Spanjaarden doen zich naar buiten toe natuurlijk voor als neutraal, maar ze laten Duitse agenten de handen volkomen vrij. Drie Duitse "toeristen" bewaken majoor Debras dag en nacht. Ze volgen 'm waar ie gaat en staat, en ze lossen elkaar om de acht uur af. Hij weet het, maar eh.. afschudden kan ie die kerels niet. Ze heten Löffler, Weise en Hart, en ze logeren in hetzelfde hotel als hij, in het Palace hotel.
Thomas: Wat is de bedoeling van die komedie?
Tamiro: Sinds men de majoor z'n pas heeft afgenomen, mag hij Madrid niet verlaten.
Thomas: Haha.
Tamiro: De drie Duitsers weten natuurlijk in feite wie hij is, maar bewijzen kunnen ze dat tot dusver niet. Als hij de stad zou verlaten heeft de Spaanse politie een aanleiding om 'm op te sluiten. Zit hij eenmaal in de een of andere gevangenis, dan kan men hem zonder veel opzien te baren ontvoeren en overbrengen naar Duitsland.
Thomas: Dan zal hij die drie dus moeten afschudden?
Tamiro: Ja, maar hoe? Ze wachten als bloedhonden op het ogenblik dat ie een poging tot ontvluchten zal wagen. Dan hebben ze meteen een aanleiding om 'm gevangen te laten nemen.
Thomas: Vertel mij 'ns,
Tamiro: wat ben jij eigenlijk van je beroep?
Tamiro: Hm... Juffers toejagen (?) voor alles wat verboden is: mensensmokkel, wapensmokkel, sluikhandel. Alles tegen betaling. Vroeger ben ik eh.. juwelier geweest in Madrid.
Thomas: En?
Tamiro: De Burgeroorlog heeft me de nekslag gegeven. M'n zaak door een bom getroffen, m'n voorraad gestolen. Toen kreeg ik er ook nog politieke moeilijkheden bij. Nee, 't woord idealisme heb ik uit mijn woordenboek geschrapt.
Thomas: Mm.
Tamiro: Tegenwoordig heeft bij mij alles zijn vaste prijs. Voor de rest kunnen ze 't me doen.
Thomas: Tamiro, ken jij in Madrid nog een paar mensen die er net zo over denken?
Tamiro: Een paar?
Thomas: Mm.
Tamiro: Een massa. Waarom vraag je me dat?
Thomas: Nou... Nou, ik krijg een ideetje, door een krantenartikel dat ik vanmorgen heb gelezen. Dat sprak over anti-Britse demonstraties in Barcelona en Sevilla.
Tamiro: Wat zou dat?
Thomas: Jij bent de overtuiging toegedaan dat alles z'n vaste prijzen heeft.
Tamiro: Natuurlijk.
Thomas: Vertel mij dan 'ns, Luis: wat zou, onder vrienden, een spontane uitbarsting van volksverontwaardiging in Madrid moeten kosten?
Tamiro: Wat?
Thomas: Nou, luister. 'k Zal het je uitleggen...
(5 september, 1940 te Madrid)
Vertrouwelijk rapport van Commissaris Filippo Aliados van de Geheime Spaanse Staatspolitie aan zijn Chef.
Zeer dringend.
Heden, om 14:03, werd ik opgebeld door de dienstdoende postcommandant van het 14de politiedistrict. Hij deelde mij mede dat voor het gebouw van de Britse Legatie op de Calle Fernando el Santo ongeveer vijftig personen samenschoolden en demonstreerden tegen Engeland.
Ik begaf mij zonder verwijl met vijf man naar de Legatie, en stelde vast dat de demonstranten tot de lagere volksklasse behoorden. Zij hadden spreekkoren gevormd en riepen voor Engeland beledigende woorden en uitdrukkingen. Er waren vier vensterruiten ingeworpen en drie bloembakken gelijkvloers afgerukt.
Bij mijn komst deelde de Britse Handelsattaché mij opgewonden mede: "Die mannen geven toe dat zij door Duitse agenten betaald zijn voor dit relletje."
Het grootste deel der demonstranten had bij onze komst overhaast de vlucht genomen, maar het gelukte ons desalniettemin drie personen te arresteren. Zij zijn genaamd Luis Tamiro, Juan Moreira en Manuel Passos.
De arrestanten herhaalden ten overstaan van mij de bewering dat zij door Duitse agenten betaald waren. Zij noemden ook de namen van deze agenten:
(1) Hellmut Löffler,
(2) Thomas Weise,
(3) Jakob Hart,
alle drie verblijf houdende in het Palace Hotel.
De Britse Handelsattaché drong aan op een onmiddellijk en diepgaand onderzoek, en kondigde een diplomatiek protest van z'n regering aan.
Gezien mijn opdracht bij te dragen tot de handhaving van een strikte neutraliteit, begaf ik mij onmiddellijk naar het Palace Hotel en arresteerde de bovengenoemde Duitse toeristen, die zich tegen hun arrestatie verzetten en ten slotte geboeid moesten worden. Bij hun verhoor betwistten zij verontwaardigd...
(6 sep 1940, 15:00. Een huis aan het Tirpitz Embankment te Berlijn. Admiraal Canaris/majoor Fritz Loos)
Canaris: Nu vind ik het toch wel voldoende, majoor! Drie van onze mensen door Spanje uitgewezen. De vijandelijke pers heeft weer een heerlijk kluifje. En die mooie meneer Lieven van u lacht zich in Lissabon een aap.
Loos: Ja, ik begrijp werkelijk niet wat die kerel hier nu weer mee te maken heeft.
Canaris: Terwijl onze mensen urenlang in Madrid werden vastgehouden, is majoor Debras het land uitgeglipt, met een valse pas ongetwijfeld. Behouden kwam hij in Lissabon aan. En weet u wie hij in de speelzaal van Estoril publiekelijk omarmde en op beide wangen zoende? Hè? Uw vriend Lieven. En weet u met wie hij vervolgens een geweldig diner naar binnen heeft gewerkt? Hè? Met uw vriend Lieven.
Loos: Nee nee nee, dat kan niet waar zijn!
Canaris: Het is onomstotelijk waar! Onze vrienden hebben het roerende weerzien met hun eigen ogen aanschouwd. Wat konden ze doen? Niets.
Loos: Ja, ik...
Canaris: Majoor! Weet u hoe u tegenwoordig genoemd wordt? Pech-Loos!
Loos: Admiraal, neem me niet kwalijk, maar... dat vind ik heel onrechtvaardig.
Canaris: Onrechtvaardig! Als u die kerel 10.000 dollar betaalt voor lijsten met de namen van de belangrijkste Franse geheime agenten, en we moeten vervolgens constateren dat die lijsten vervalst zijn! U had trouwens de opdracht de man mee te brengen!
Loos: Portugal is een neutraal land, admiraal.
Canaris: Dat doet er niet toe!! Ik heb er genoeg van! Ik wil meneer Lieven hier hebben, hier, in deze kamer, en levend. Begrepen?
Loos: Jawel, admiraal.
(6 sep 1940 te 22:30
Thomas: Op het hoogste niveau werden er door de Duitse Abwehr maatregelen uitgewerkt om mij, Thomas Lieven, in handen te krijgen en naar Berlijn over te brengen. Nog in zalige onwetendheid van dat alles bracht ik 's avonds majoor Debras naar het vliegveld voor zijn reis naar Dakar. Na z'n vertrek dronk ik nog een whisky en voelde me plotseling erg eenzaam. Ik liep de vertrekhal uit. Buiten was het al donker en verlaten. Een taxi kwam mij achterop.
Chauffeur: (vertraagt en houdt halt) Taxi, meneer?
Thomas: Mm? Eh.. ja, da's goed, ja. (geluid van een worsteling)
Stem: Mooi!! Die is buiten westen. (portier dicht) Nou, snel naar de haven. (auto vertrekt)
(op een Portugese vissersboot)
Thomas: (kreunt) O zeg, m'n hoofd. Wat hebben jullie met me uitgevoerd?
Man 2: We moesten helaas een beetje chloroform gebruiken, maar 't wordt straks wel beter. Mm?
Thomas: Waar ben ik?
Man 1: Op een kotter op zee. En ik waarschuw je,
Thomas: geen geintjes, want d'r wordt meteen geschoten.
Man 2: Het spel is uit, meneer Lieven. U bent op weg naar het lieve vaderland.
Thomas: Neem me niet kwalijk, ik wil niks zeggen ten nadele van dit scheepje, maar over zee is het naar Duitsland nog een aardig eindje. Halen we dat wel, dacht u?
Man 1: Nog altijd een brutale bek, maar maak je maar geen zorgen: met dit kottertje brengen we je alleen maar buiten de driemijlszone.
Man 2: Naar kwadraat 135-Zuid.
Thomas: En wat gaat daar gebeuren? Vooropgesteld dat we d'r heelhuids aankomen. U voert geen navigatielicht.
Man 1: Nou, maak je daar maar geen zorgen over. Onze roerganger kent hier de weg als in z'n broekzak. En in kwadraat 135-Zuid duikt over een kwartier een U-boot op. Geen centje pijn.
Thomas: Dankzij je Duitse organisatietalent.
Man 2: Zo is het. (scheepshoorn)
Thomas: Daar heb ik geen moment aan getwijfeld.
(verward geroep - de kotter wordt aangevaren door een Amerikaanse yacht - Thomas valt in het ijskoude water)
(15 minuten later, op het Amerikaanse yacht "Baby Ruth")
Roger: Whisky? Of rum?
Thomas: Ah, whisky graag, meneer Roger. Doe het glas gerust halfvol, hoor, want ik wordt ontzettend gauw verkouden.
Roger: We hadden u anders in een oogwenk aan boord.
Thomas: Ja, maar toch... Ah, merci. Meneer Roger, eh... hoe is het eh... met m'n twee sympathieke begeleiders? Wat is er van ze geworden?
Roger: Ze zijn benedendeks. En met uw volle instemming, naar ik aanneem. Cheers.
Thomas: Cheers. Ik ben u uiterst dankbaar dat u mij hebt bewaard voor de dood, en daarmee bedoel ik niet de verdrinkingsdood.
Roger: Nogmaals cheers, koopman Jonas.
Thomas: Huh, hoe zeg u?
Roger: Nou, voor ons bent u koopman Jonas.
Thomas: Ah.
Roger: Wij weten nog niet hoe u in werkelijkheid heet, en dat zult u mij ook wel niet willen vertellen, denk ik.
Thomas: Nee.
Roger: Nee, ik begrijp dat volkomen. Het is mij duidelijk dat u alleen op het allerhoogste niveau kunt spreken, een belangrijk persoon als u.
Thomas: Ben ik een belangrijk persoon?
Roger: Nou ja, hoort u 'ns, koopman Jonas, als nou de Duitse Abwehr speciaal een duikboot stuurt om u uit Portugal weg te halen en over te brengen naar Duitsland... U heb er geen idee van wat er om uwentwil allemaal gebeurd is in de afgelopen 48 uur. Die voorbereidingen..., eenvoudig monsterlijk! Abwehr Berlin, Abwehr Lissabon, onderzeeboot naar kwadraat 135-Zuid... Een dergelijk krankzinnig radioverkeer hadden de Duitsers in geen maanden gehad. Koopman Jonas...! Koopman Jonas...! Koopman Jonas moet tot iedere prijs worden overgebracht naar Berlijn. Ha, en dan vraagt u mij nog of u een belangrijk persoon bent. Kostelijk!
Thomas: Mag ik eh.. misschien nog een whisky?
Roger: Natuurlijk, natuurlijk. (schenkt in) Kijkt u 'ns, alstublieft.
Thomas: Ja. Dank je.
Roger: Enfin, wij brachten natuurlijk M-15 in Londen op de hoogte.
Thomas: Wie is M-15?
Roger: De chef van onze contraspionage.
Thomas: Ah!
Roger: En M-15 seinde terug: "Vuur!"
Thomas: Begrijpelijk.
Roger: Wij reageerden bliksemsnel...
Thomas: Dat spreek vanzelf.
Roger: ...want die belangrijke koopman Jonas mocht de Nazi's niet in handen vallen. Wij leenden een yacht van een bevriende relatie, en daarmee was alles voor elkaar. Geen centje pijn.
Thomas: Dankzij het Britse organisatietalent.
Roger: Mm. Wij volgden u stap voor stap, koopman Jonas. Onafgebroken hebben wij u in het oog gehouden. Ik lag hier op de loer in kwadraat 135-Zuid. Per radio kreeg ik bericht dat de Duitsers u bij de luchthaven hadden overvallen en ontvoerd. Per radio kreeg ik bericht dat de viskotter uitvoer. (lacht)
Thomas: En wat gaat er nu verder gebeuren?
Roger: Wel, tegen die Portugese schipper dienen wij natuurlijk een aanklacht in wegens grove nalatigheid. Hij draagt volledig de schuld van de aanvaring, daar valt niet aan te twijfelen. Dat hebben trouwens ook al radiografisch gemeld naar de wal. En er kan ieder ogenblik een patrouillevaartuig komen opdagen, om de roerganger en uw beide Duitse vrienden van ons over te nemen.
Thomas: Wat gebeurt er met die twee Duitsers?
Roger: Niets. Ze hebben verklaard dat ze alleen maar een pleziertochtje maakten.
Thomas: En wat gebeurt er met mij?
Roger: Ik heb opdracht u tot iedere prijs over te brengen naar de chef van de Britse Inlichtingendienst in Portugal. Of gaat u liever met uw Duitse vrienden mee?
Thomas: Geenszins, meneer Roger, geenszins.
(9 september 1940, villa Casa do Sul gehuurd door de chef van de Britse Intelligence)
Roger: Opdracht uitgevoerd, chef. Hier is koopman Jonas.
Chef: Goed gedaan, Roger! Goedemorgen, koopman Jonas. Welkom op Britse bodem.
Thomas: Dank u, meneer eh..
Chef: Noemt u mij maar Shakespeare.
Thomas: Zo u wenst, meneer Shakespeare.
Chef: Eh... Roger, laat Charley contact opnemen met M-15, Londen. Code Cicero. Bericht: "De zon gaat onder in het westen."
Roger: Tot uw orders, sir. (verlaat de kamer)
Chef: U bent Fransman, is het niet, koopman Jonas?
Thomas: Eh... ja.
Chef: Dat dacht ik al. Feilloze mensenkennis. Vive la France, monsieur.
Thomas: Eh... eh... dank u, meneer Shakespeare.
Chef: Monsieur Jonas, hoe is uw werkelijke naam.
Thomas: Het... eh... het spijt me, meneer Shakespeare, maar de situatie waarin ik verkeer is zeer ernstig. Ik moet u mijn ware identiteit helaas verzwijgen.
Chef: Monsieur, ik geef u mijn woord dat wij u veilig naar Londen zullen brengen als u zich bereid verklaart voor ons te werken. Vergeet niet dat wij u uit de klauwen van de Nazi's hebben gered.
Thomas: Meneer Shakespeare, ik... ik ben uitgeput, ik kan niet meer. Alvorens enige beslissing te nemen moet ik eerst wat slapen.
Chef: Volkomen begrijpelijk, monsieur. Er is een kamer voor u in gereedheid gebracht. Beschouwt u zich als mijn gast.
Thomas: Dank u.
Thomas: Even later lag ik in een zacht bed in een stille, gezellige kamer, maar op de gang voor m'n deur stond een gorilla van een vent, in een soort butlerkostuum. Een wat overdreven zorg voor mijn rust van meneer Shakespeare, die ik niet kon delen. Want één ding stond vast: ik moest hier zo spoedig mogelijk vandaan. Als ze mij naar Engeland zouden slepen, kon ik Zuid-Amerika wel vergeten! En de tijd drong: 't was de 9de september, en morgen zou mijn boot vertrekken. In plaats van te gaan slapen, dacht ik koortsachtig na.
Roger: U hebt mij laten roepen, sir?
Chef: Ja, ik ben te weten gekomen wie koopman Jonas in werkelijkheid is.
Roger: En?
Chef: Hij is Fransman, maar dat dacht ik al, en ie heet Jean Leblanc.
Roger: Jean Leblanc?
Chef: Ja. 'k Heb inmiddels Charley opdracht gegeven contact op te nemen met Londen voor informatie en instructies.
Roger: Hoe bent u daar achter gekomen, sir?
Chef: Toeval . Woodhouse, de eigenaar van het yacht dat jij gebruikt hebt, belde mij op. Leblanc heeft een vriendin, een zekere Estrella Rodriguez. Hij was vannacht niet thuisgekomen en zij maakte zich ernstig ongerust. Vanmorgen luisterde zij naar nieuwsberichten en hoorde van de aanvaring waarbij een Portugees, twee Duitsers en een Fransman werden gered. Het was voor haar duidelijk dat die Fransman haar vriend moest zijn. In de uitzending werd de naam genoemd van Woodhouse, de eigenaar van het yacht. Zij belde hem op en gaf een beschrijving van haar vriend, en die komt als twee druppels water overeen met onze gast.
Roger: Zo. Wat bent u nu van plan?
Chef: Als monsieur Leblanc is uitgerust zal ik 'm met onze wetenschap confronteren, en dan zien we water er verder gebeurt. Ik zal natuu... (er wordt geklopt) Ja? (deur open) Wat is er Charley? Charley: Antwoord uit Londen, Sir. Eh... leest u maar.
Chef: Mm. "M-15 aan Shakespeare, Lissabon. Zogenaamde Jean Leblanc heet in werkelijkheid Thomas Lieven, en is een agent van... de Duitse Abwehr! Heeft ons onder andere bedrogen met valse lijsten van Franse Geheime Dienst! Tot iedere prijs vasthouden. Speciale agent per koeriervliegtuig onderweg. Zijn instructies moeten naar de letter worden uitgevoerd. Einde bericht." Wat? Kom mee, jullie! (ze lopen buiten) Waar is Williams? Waarom is ie niet op z'n post?
Roger: Weg! Verdwenen door het raam!
Williams: (probeert te roepen, maar heeft een prop in de mond)
Roger: Williams! Daar... daar... achter het bed. Maak 'm los. Vlug wat.
Chef: Zeg op, Williams, wat is er gebeurd?
Williams: Die vent is een meester in jiujitsu. Hij riep, ik ging naar binnen, en voor ik het wist, vloog ik door de lucht en kwam op m'n kop terecht! Met repen laken heeft ie me vastgebonden, met een prop in m'n mond!
Chef: Hij is er dus vandoor.
Roger: Dat ziet er wel naar uit.
(Estrella's slaapkamer - de telefoon gaat - Lieven neemt op)
Lindner: Hallo, met Walter Lindner.
Thomas: Goddank dat ik je eindelijk te pakken heb. 'k Heb je een paar uur lang om het kwartier opgebeld. 'k Heb een onaangename geschiedenis achter de rug. Diverse onaangename geschiedenissen. Lindner, je moet me helpen: ik zal moeten onderduiken tot ons schip vertrekt.
Lindner: Leblanc...
Thomas: Men mag mij voordien niet meer zien!
Lindner: Leblanc, laat me nu eindelijk 'ns even aan het woord.
Thomas: Ga je gang.
Lindner: Ik stond op het punt jou te bellen toen de telefoon ging. Ons schip vertrekt niet.
Thomas: Wat zeg je?
Lindner: Ons schip vertrekt niet.
Thomas: Hoe is dat mogelijk?
Lindner: Omdat het door de Duitsers gekaapt is.
Thomas: En... en... en een ander schip?
Lindner: Valt zelfs niet aan te denken. Alles is voor maanden en maanden volgeboekt. Wij mogen onszelf niets wijsmaken, Leblanc. We zitten in Lissabon vast.... Hallo? Hallo, Leblanc? Leblanc, heb je me verstaan?
Thomas: Woord voor woord, Lindner. Je hoort nog van me. 't Ga je zo goed als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is. (legt neer) Ooo..., nou ruik ik plotseling die chloroform weer. Enfin, ik zit in de val. Nu hoef ik er niet langer op te rekenen dat ik ze zal kunnen ontkomen. Allemaal loeren ze op me: de Fransen, de Engelsen, en de Duitsers. (de deur wordt geopend) Allemaal heb ik ze in de luren gelegd.
Estrella: Jean!
Thomas: Maar nou is het spel uit...
Estrella: Jean. Goddank ben je d'r. (ze loopt op hem toe) Wat is er gebeurd? Je ziet zo wit als een doek. Nou, zeg toch iets. Vertel je arme Estrella wat er gebeurd is. Waarom zeg je niets. Jean?
Thomas: Omdat ik nadenk, mijn hart.
Estrella: Jean, wil je je niet aan mij toevertrouwen, wil je mij niet de waarheid vertellen? Waarom voel je je van alle kanten bedreigd? Waarom ben je ook bang voor de mensen?
Thomas: De waarheid is zo ontzettend dat ik 'm niet eens aan jou kan toevertrouwen.
Estrella: Jean! Maar ik wil je toch helpen, ik wil je toch beschermen. Vertrouw mij, Jean. Ik wil alles, alles voor je doen.
Thomas: Alles? Werkelijk alles?
Estrella: Letterlijk alles, m'n leven.
Thomas: Goed. Dan gaan we nu eerst eten. Vervolgens rusten we nog een uurtje, en daarna ga jij naar het hoofdbureau van politie om mij aan te geven.
Het recept is niet uitgeschreven.