Home / Index K. / Het kan niet altijd kaviaar zijn / Deel 2 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Deel 2 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

De zwarte tas.

Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.

Beluister deel 2 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van deel 2.

Luc Lutz Thomas Lieven
Jan Borkus Overste Simeon
Barbara Hoffman Mimi Chambert
Hans Hoekman Luitenant Zumbusch
Con Meijer Adjudant
Johan Sirag Generaal Von Felseneck
Irene Poorter Jeanne Perrier
Trudy Libosan Josephine Baker
Johan Schmitz Maurice Debras
Franck van Erven Generaal Von Stuhlupnagel
Lou Landré Admiraal Canaris
Rob Fruithof Telefonist
Peter Aryans Majoor Loos
Carol van Herwijnen Walter Lindner
Donald de Marcas Beamte
Rob Fruithof Mannenstem
Paula Majoor Stewardess Mabel
Con Meijer Telefonist
Wim de Meijer Lovejoy
Donald de Marcas Stem
Auteur: Johannes Mario Simmel
Bewerking: Dick van Putten
Regie: Hero Muller
Omroep: AVRO
Dit deel is uitgezonden op: 12-04-1979

Het script van deel 2.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Thomas Lieven: Na mijn succesvolle geheime agentenopleiding keerde ik op de 16de juli 1939 terug naar Parijs. Ik had de charmante Mimi niets verteld, omdat ik haar wilde verrassen. En inderdaad verraste ik haar... in de armen van de charmante overste Jules Siméon.

Siméon: Oh, monsieur, ik... neem alle schuld op mij, ik heb Mimi verleid, ik heb uw vertrouwen beschaamd. De keus van de wapens is aan u.

Thomas: Verlaat u ogenblikkelijk mijn huis, monsieur, en laat u hier nooit meer zien!

Siméon: Zoals u wenst, monsieur.

Mimi: Huh, dat is toch wel erg onhebbelijk van je!

Thomas: Jij houdt van hem, is het niet?

Mimi: Ik-ik hou van jullie allebei! Hij is zo-zo dapper, en zo-zo romantisch, en jij-jij-jij bent zo pienter en gezellig.

Thomas: Mimi, Mimi... wat moet ik toch met jou beginnen?

Thomas: Op de 10de mei 1940 werd het Duitse offensief geopend en het debacle kwam met adembenemende snelheid. Terwijl in Parijs het doffe gerommel van de kanonnen al hoorbaar was, regelde ik in alle rust mijn vertrek. Mimi was me daarbij behulpzaam. Ik was vriendelijk tegen haar, maar uiterst koel. De periode met de overste kon ik nog niet vergeten.

Mimi: Wat ben je nu van plan?

Thomas: Volgens de laatste berichten naderen de Duitsers Parijs vanuit het noordoosten. Wij vertrekken dus in zuidwestelijke richting. Benzine hebben we genoeg, geld ook, zowel francs als dollars en ponden. We rijden via Le Mans naar Bordeaux.

Mimi: (schrikt)

Thomas: En vervolgens... Wat is er?

Mimi: Neem je mij dan mee?

Thomas: Ik kan je moeilijk hier achterlaten.

Mimi: Maar ik heb je toch bedrogen?

Thomas: Beste kind, om mij te bedriegen had je 't minstens aan moeten leggen met Winston Churchill.

Mimi: O, Thomas, je bent geweldig. En... vergeef je 't hem ook?

Thomas: Gemakkelijker dan jou. Dat hij van jou houdt, dat kan ik me nog indenken.

Mimi: Eh... Thomas...

Thomas: Ja?

Mimi: Hij is in de tuin.

Thomas: Wat zeg je!? Hoe haalt ie het in z'n hoofd, terwijl ik 'm de deur heb gewezen?

Mimi: Ach, Thomas, hij is zo wanhopig. Hij weet niet wat ie moet beginnen. Hij is net terug van een dienstreis, en hij kwam tot de ontdekking dat al z'n mensen al verdwenen zijn. Nu is 't ie helemaal alleen, zonder auto, zonder benzine.

Thomas: Hoe weet jij dat?

Mimi: Dat-dat-dat heeft ie me verteld. Een-een uur geleden kwam ie hier, ik-ik heb 'm gezegd dat ik met jou zou praten.

Thomas: (lachend) Dit is eenvoudig niet te geloven!!

Thomas: En zo reden we in de middag van de 13de juli in een grote zwarte Amerikaanse wagen in zuidwestelijke richting. We kwamen maar langzaam vooruit want met ons ratelden en rammelden talloze andere voertuigen in dezelfde richting. Op het rechter spatbord van de wagen glansde een standaard van de Verenigde Staten, en het dak ging schuil onder een enorme "Stars and Stripes". Op de bumpers: glanzend gepoetste borden met de letters CD. Naast me zat Mimi Chambert, en achterin hokte tussen koffers en hoedendozen de overste Jules Siméon, in een ietwat versleten blauw pak.

(in de auto)

Thomas: Ons goed gesternte op het spatbord zal ons ongetwijfeld beschermen. 't Bestaat tenslotte maar liefst uit 48 sterren.

Siméon: Vluchten... Vluchten als een... als een lafaard, in plaats van te blijven waar ik was, om te vechten tot-tot-tot het einde!

Mimi: Ach, Jules, de oorlog is immers al lang verloren. Als ze je te pakken krijgen, zetten ze je tegen de muur.

Siméon: Dat zou in ieder geval eervoller geweest zijn.

Thomas: Ja, en stommer ook. 'k Ben benieuwd hoe deze krankzinnige geschiedenis verder zal aflopen.

Siméon: Als de Duitsers u te pakken krijgen, zetten ze u ook tegen de muur!

Thomas: Ze hebben de ring om Parijs nu voor driekwart gesloten. Het open kwart ligt tussen Versailles en Corbeil, en in dat kwart zitten wij nu.

Siméon: Zo zo, en als de Duitsers dan ook al in dat kwart zijn doorgedrongen, hè?

Thomas: Vertrouw maar op mij: in deze buurt en op deze onbelangrijke zijwegen zijn geen Duitsers, maar dan ook niet ééntje.

Mimi: Och, kijk nou!

Siméon: Duitse gepantserde verkenningswagens! De hakenkruisen zijn duidelijk te onderscheiden!

Thomas: Wat voeren die hier nou uit? Zeker verdwaald?

Siméon: Alles is verloren...!

Thomas: Begin nou asjeblief niet weer! Je maakt me doodzenuwachtig.

Siméon: In m'n aktentas bevinden zich geheime dossiers met de naam- en adreslijsten van alle Franse agenten.

Thomas: Bent u nou helemaal krankzinnig geworden? Waarom sleept u die rotzooi in 's hemelsnaam mee?

Siméon: Omdat ik bevel heb gekregen van generaal Eiffel om die lijsten tot iedere prijs naar Toulouse te brengen, en ze daar over te dragen aan de daartoe aangewezen persoon.

Thomas: Had u me dat niet eerder kunnen vertellen?

Siméon: Zou u me meegenomen hebben als ik u dat eerder had verteld?

Thomas: (lacht)

Siméon: Hè?

Thomas: U hebt alweer gelijk.

Siméon: Oh!

Thomas: Enfin. We zullen om te beginnen maar 'ns stoppen, want die colonne verspert ons volkomen de weg.

Siméon: Ik... ik heb een pistool. Niet dan over m'n lijk krijgt iemand deze tas in handen.

Thomas: Ach, die paar minuten zullen die jongens wel geduld hebben. Kijk eens aan! Daar komt een levensgrote eerste luitenant op ons af.

Eerste luitenant Zumbusch: Guten Tag. Papiere, alstublieft.

Thomas: It's okay. We are Americans, see.

Zumbusch: I can see the flags. And now I want to see your papers.

Thomas: Here you are. It's my diplomatical passport.

Zumbusch: Uw naam is William S. Murphy?

Thomas: Yeaaah.

Zumbusch: Alstublieft. En nu de pas van de dame.

Mimi: Voilà.

Thomas: My secretary.

Zumbusch: Alstublieft, madame, uw pas is in orde. And now the gentleman in the back.

Siméon: Blijf van m'n tas af!

Zumbusch: Wat kan daar wel in zitten? Laat u maar 'ns kijken. (Siméon stribbelt tegen) Hier met die tas!

Mimi: Oh!

Siméon: Handen eraf, of-of ik schiet!

Thomas: Ezel die je bent! (schot - gegil van Mimi) In het dak van de wagen! Hier met dat pistool!

Zumbusch: En u meneer, d'r uit.

Thomas: Met alle genoegen, meneer. Ziezo, waarde heer, en nou moet u 'ns even heel goed naar me luisteren. Deze heer en dame staan onder mijn bescherming, mijn wagen voert de vlag van de Verenigde Staten.

Zumbusch: De andere ook uitstappen, of d'r wordt geschoten!

Thomas: U blijft zitten!! Deze wagen zijn extraterritoriaal. Wie in deze wagen zitten zijn op grondgebied van Verenigde Staten.

Zumbusch: Daar heb ik lak aan.

Thomas: Okay! okay... U willen dus provoceren een internationale incident...? Door zulk ene incident wij zijn gaan deelnemen aan Eerste Wereldoorlog.

Zumbusch: Ik provoceer niets, ik doe alleen m'n plicht. Die man kan wel een Franse agent zijn.

Thomas: Gelooft u dat hij zich dan zo zou aanstellen?

Zumbusch: Vooruit, geef die tas hier! Ik wil weten wat er in zit.

Thomas: Dat zijn diplomatieke bagage, internationaal beschermd. Ik zal mij beklagen bij uw meerdere.

Zumbusch: Daar wil ik u met alle genoegen de gelegenheid toe geven.

Thomas: Wat betekenen dat?

Zumbusch: U gaat mee.

Thomas: Waarheen?

Zumbusch: Naar de commandopost van ons korps. Dat er hier iets niet klopt, dat kan zelfs een blinde zien. Gaat u maar achter het stuur zitten. Keren, en bij de eerste de beste poging tot vluchten wordt er geschoten.

(Hotel George V, 24 uren later)

Adjudant Kogge: Generaal von Felzeneck laat u verzoeken, meneer Murphy.

Thomas: General, het spijten mij u te storen bij het eten.

Generaal Von Felseneck: Het is eerder aan mij een betuiging van spijt te laten horen, mijnheer Murphy. Ik betreur het ten zeerste dat u door dit misverstand 24 uur bent opgehouden.

Thomas: Mm.

Von Felseneck: Maar laat ik u om te beginnen uw pas en die van uw reisgenoten teruggeven. Uw papieren zijn in orde. Neemt u het de luitenant z'n optreden maar niet kwalijk. Het gedrag van uw reisgenoot maakte 'm begrijpelijkerwijs wantrouwig. Maar, hij heeft niettemin zijn bevoegdheid ver overschreden.

Thomas: Generaal, eh... zoiets kunnen voorkomen.

Von Felseneck: Zoiets mag niet voorkomen, meneer Murphy. De Duitse Wehrmacht is correct. Wij respecteren de diplomatieke gebruiken. Wij zijn geen roofridders.

Thomas: Certainly not.

Von Felseneck: Heb u al eh... gegeten, meneer Murphy?

Thomas: Eh... nee.

Von Felseneck: Mag ik u dan voor u vertrekt een maaltijd aanbieden? Ja, eenvoudige soldatenkost, hoor. De hotelkeuken is nog niet in bedrijf, en Prunier zal vandaag nog wel niet open zijn. (beiden lachen) Dus eh... u eet mee uit de keukenwagen?

Thomas: Eh... als ik u niet ophoud.

Von Felseneck: Oh nee, integendeel, u doet er mij een genoegen mee. Kogge, zou je even willen dekken voor meneer? En laat de reisgenoten van meneer ook iets brengen.

Adjudant Kogge: Jawel, General.

Von Felseneck: Tja, het is natuurlijk een beetje eentonige kost, meneer Murphy.

Thomas: O nee, nee, de omstandigheden in aanmerking genomen ziet het er uitstekend uit.

Von Felseneck: Ja, ik weet niet wat het is, maar die kerels kunnen hier geen van allen behoorlijk stamppot maken. En eh... van aar'pelgoulash brengen ze nog minder terecht.

Thomas: Eh... generaal, ik willen u graag geven een kleine tip om mij te revancheren voor uw vriendelijkheid.

Von Felseneck: Donnerwetter, meneer Murphy, u spreekt voor een Amerikaan fantastisch Duits.

Thomas: Eh... thank you, general. Mijn kindermeisje zijn geweest een Mecklenburgse min. Haar speciality waren Mecklenburgse stamppot.

Von Felseneck: Interessant! Vind je niet, Kogge?

Adjudant Kogge: Interessant. Bijzonder, General.

Thomas: Zeer ten onrechte staan de stamppot in een slechte reuk. Graag wil ik u vertellen hoe men samenstelt ene originele Mecklenburgse stamppot. Maar ook aardappelgoulash zijn te maken als een delicatesse. Het alfa en omega bij deze gerecht zijn uien, generaal. De truc zijn heel eenvoudig: men nemen evenveel pond uien als rundvlees, marjolein, fijngehakte zoetzure augurken...

Von Felseneck: Een ogenblikje, alstublieft, meneer Murphy. Kogge, wil jij dat recept misschien even opschrijven, zodat we 't aan de generaal-kwartiermeester kunnen doen toekomen?

Adjudant Kogge: Natuurlijk, Herr General. Herr Murphy, alstublieft?

Thomas: Goed. Dus we laten de goed gezouten en met paprika... (er wordt geklopt)

Von Felseneck: Binnen?

Zumbusch: Kunt u even komen, generaal?

Von Felseneck: Excuseert u me een ogenblik, meneer Murphy. (verlaat de kamer)

Thomas: ...de goed gezouten en met paprika gekruide uien in vet smoren tot ze glazig zijn. Dan voegen we er hetzelfde gewicht aan in dobbelsteentjes gesneden rundvlees bij. Even voor het vlees gaar is, worden er eveneens in dobbelsteentjes gesneden aardappelen...

Von Felseneck: (komt weer binnen) Ik had de eerste luitenant Zumbusch een geduchte uitbrander gegeven. Die liet 'm niet met rust. Hij heeft het Amerikaanse gezantschap opgebeld. Daar bleek men geen meneer Murphy te kennen... Hebt u daar een verklaring voor, meneer Murphy? Ik verwacht een verklaring van u, meneer Murphy!

Thomas: Om u die te kunnen geven, generaal, moet ik in strijd handelen met mijn zeer strenge instructies. Maar enfin, ik verzoek u om een onderhoud onder vier ogen.

Von Felseneck: Hoort u eens, meneer Murphy, of hoe u dan ook heten mag, ik moet u wel zeggen dat een standgerecht snel is samengesteld.

Thomas: Vijf minuten onder vier ogen, generaal.

Von Felseneck: Goed dan. Kogge, laat ons vijf minuten alleen. (Kogge verlaat de kamer) Nou, meneer Murphy?

Thomas: Generaal, ik ben gedwongen u een geheim toe te vertrouwen. Zodra ik vertrokken ben, dient u onmiddellijk te vergeten dat u mij ooit ontmoet hebt.

Von Felseneck: Hebt u nou helemaal uw verstand verloren?

Thomas: Ik bent verplicht u een geheime operatieve aangelegenheid mee te delen. U geeft mij uw woord van officier dat geen woord daaromtrent over uw lippen zal komen.

Von Felseneck: Een dergelijke brutaliteit heb ik nog nooit...

Thomas: Ik had strikt bevel van Admiraal Canaris...

Von Felseneck: Ca-Canaris?...

Thomas: Canaris, persoonlijk, ...om tot iedere prijs mijn identiteit als Amerikaans diplomaat te handhaven. De omstandigheden dwingen mij thans in strijd met dit bevel te handelen. Alstublieft, weest u gerust, generaal, hier hebt u mijn legitimatie als lid van de Abwehr.

Von Felseneck: U-u bent bij de Abwehr??

Thomas: Zoals u ziet. Mocht u aan mijn woorden twijfelen, generaal, dan verzoek ik u onmiddellijk een ijlgesprek met Keulen aan te vragen.

Von Felseneck: Maar... u kunt toch wel begrijpen...

Thomas: Weet u wie die twee mensen zijn die hiernaast wachten? Mensen die op de hoogte zijn van uiterst belangrijke Franse geheimen. Mensen die bereid zijn voor ons te werken! En hierin (klopt op de aktentas) bevinden zich dossiers en lijsten met de namen van alle leden van het Deuxième Bureau. Begrijpt u nu misschien wat er allemaal op het spel staat?

Von Felseneck: Maar eh..., ja, houdt u mij ten goede, als die mensen voor ons willen werken, waar is dan dat geheimzinnige gedoe voor nodig?

Thomas: Generaal, begrijpt u dat werkelijk niet? De Franse contraspionage zit achter ons aan! Iedere minuut kan er een aanslag worden gepleegd. Daarom is de Admiraal op de gedachte gekomen die twee onder de diplomatieke bescherming van een neutrale macht naar een kasteel bij Bordeaux te transporteren, en hen daar te verbergen tot er een wapenstilstand is gesloten. Huh, helaas hadden we niet de mogelijkheid gecalculeerd dat een overdreven plichtsgetrouwe Duitse luitenant een streep door onze rekening zou halen, dat er op die wijze kostbare tijd verloren zou gaan. Generaal, wanneer die beide mensen de Fransen in handen vallen, zijn de gevolgen, de internationale gevolgen eenvoudig niet te overzien! En vraag u nu alstublieft onmiddellijk Keulen aan!

Von Felseneck: Maar ik geloof u immers!

Thomas: Gelooft u mij? Ach, wat is dat vriendelijk van u. Staat u mij dan toe dat ik Keulen bel, en dit debacle meld?

Von Felseneck: Maar luistert u dan toch 'ns, i-is dat nou werkelijk noodzakelijk?

Thomas: Of dat noodzakelijk is? Ik zie er geen gat meer in, want als ik nu vertrekken kan, loop ik het risico dat we op de volgende straathoek opnieuw gearresteerd worden door de een of andere dienstklopper.

Von Felseneck: Ik zal u een vrijgeleide geven, dan wordt u beslist niet meer aangehouden.

Thomas: Vooruit dan maar. Nog één ding, generaal: maakt u de luitenant Zumbusch geen verdere verwijten. Hij heeft alleen maar z'n plicht gedaan. Stel u voor dat ik een Franse agent was geweest, en hij had me laten passeren... De ergste dingen hadden kunnen gebeuren.

(in de auto)

Thomas: Wij hebben een oponthoud van 46 uur gehad, en dat allemaal door uw stommiteiten, Siméon!

Siméon: Het-het-het-het spijt me.

Thomas: Wie moet die zwarte tas eigenlijk in ontvangst nemen?

Siméon: Majoor Debras.

Thomas: Wie is dat?

Siméon: Op één na de belangrijkste man van het Deuxième Bureau. Hij moet de papieren naar Engeland of naar Afrika brengen.

Thomas: En die majoor zit in Toulouse?

Siméon: Ik-ik-ik heb er geen flauw idee van waar hij op het ogenblik is. Ik eh... ik heb allereerst opdracht om onze brievenbussen in Toulouse op te zoeken.

Mimi: W-wat voor een brievenbus?

Siméon: Eh... brievenbussen, dat zijn mensen die boodschappen in ontvangst nemen en dan die doorgeven.

Mimi: Oh!

Thomas: En wie is die brievenbus?

Siméon: Een zekere Mme Jeanne Perrier. Ze heeft een eh... klein restaurant in de Rue des Bergères.

Thomas: Dan gaan we daarheen. Maar eerst zal ik de Amerikaanse standaard en die vlag van de wagen halen, en er Franse nummerborden op schroeven. En denk er wel aan: vanaf dit ogenblik heet ik niet langer Murphy, maar Jean Leblanc.

Siméon: Ik heb Mme Perrier laten waarschuwen.

Man: Zij komt direct. Als mevrouw en de heren alvast in de salon willen plaats nemen?

Thomas: (snuift) Parfum? Drank? Kouwe sigarettenrook?

Mimi: Och hemeltje, zeg, wat denken jullie? Zou dat hier een eh...

Thomas: Mm...

Siméon: We blijven hier uiteraard niet langer dan strikt noodzakelijk is.

Mme Jeanne Perrier: Aha, welkom hier! O, u bent met z'n drieën. Ik ben Jeanne Perrier. Mag ik u een paar van m'n vriendinnetjes voorstellen? (klapt in haar handen) Mag ik u even voorstellen, van links naar rechts: Sonia, Bébé en Jeannette.

Siméon: Eh... eh... pardon, madame...

Perrier: Jeannette kom uit Zanzibar, ze heeft...

Siméon: Eh... Madame, Madame, Madame...

Perrier: Monsieur?

Siméon: Er is hier sprake van een misverstand. We willen u alleen maar even spreken, madame. Wat zei de mier tot de krekel?

Perrier: Hè? Eh... dans maar, dans, in de winter zal je gruwelijk honger lijden. Eh... (klapt in haar handen) meisjes, jullie kunnen gaan. Ho, neem me niet kwalijk, ik had er geen idee van!

Siméon: Ah, natuurlijk niet.

Perrier: Maar... u bent dus de brenger van de tas. Maar de man die 'm zou afhalen heeft nog niets van zich laten horen.

Siméon: Dan zal ik op 'm moeten wachten, madame.

Thomas: Wacht jij maar. Maar die tas zal hij niet krijgen. Ik zal verhinderen dat er nog meer onheil geschiedt. Jullie hadden me met rust moeten laten. Nu is het te laat. Nu speel ik mee. Maar op mijn manier...)

Thomas: Madame, Toulouse is overstroomd met vluchtelingen. Kunt u ons niet twee kamers verhuren?

Perrier: Wat, hier??

Thomas: Ik zie geen andere mogelijkheid. Alstublieft... Madame...

Perrier: Ja, ik... eh... ik verhuur mijn kamers eigenlijk alleen per uur.

Thomas: Madame, staat u mij toe een beroep te doen op uw vaderlandslievende hart.

Perrier: U wint, monsieur.

Thomas: Majoor Debras liet op zich wachten, twee weken al. Wat zou het heerlijk zijn als hij nooit meer boven water kwam. Ik begon me bij Jeanne echt thuis te voelen. Als ik maar even tijd had, dan hielp ik de appetijtelijke gastvrouw een handje.

Perrier: Ach, mijn kok heeft de benen genomen, Jean.

Thomas: Mmm!

Perrier: En de levensmiddelen worden steeds schaarser. Wat zou ik niet kunnen verdienen als ik het restaurant open kon houden?

Thomas: Jeanne, ik doe jou een voorstel: ik kook, ik zorg voor levensmiddelen, en de verdiensten delen we fifty-fifty. Voel je d'r voor?

Perrier: Oh, ben jij altijd zo onstuimig?

Thomas: Hindert het je?

Perrier: Mm, integendeel Jean, integendeel. Ik brand van verlangen om je andere verborgen talenten te leren kennen.

Thomas: Aaah...

Thomas: Al gauw was ik met de kleine Franse wagen die ik mij had aangeschaft een bekende verschijning op de hobbelige landwegen van Toulouse. De boeren waren hartelijk en hielden hun mond. Ten eerste betaalde ik goede prijzen, en ten tweede verschafte ik hen schaarse artikelen uit de stad. Thuis kon ik koken en braden dat het een lust was. De charmante Jeanne assisteerde mij daarbij. In de keuken was het heet en daarom stelde zij zich tevreden met het uiterst toelaatbare minimum aan kleding. 't Bleek een heel plezierig compagnonschap. Mimi maakte lange wandelingen met Siméon, dus van die kant geen enkel probleem. Juni ging voorbij. En juli. Bijna twee maanden waren we al in Toulouse en nog steeds geen majoor Debras. Op een warme ochtend belegden Siméon, Jeanne en ik een kleine krijgsraad.

Siméon: Wij zijn gedwongen onze voedselactieradius te vergroten, beste vriend. Madame heeft een nieuw adres voor je. Kijk, hier: ongeveer 150 km ten noordwesten van Toulouse, in de omgeving van Sarlat.

Perrier: Mm. Daar ligt een kasteeltje aan de rand van het gehucht Castelnau-Fayrac. Het heet Les Milandes. D'r hoort een boerderij bij met een massa koeien en varkens en, nou ja, alles wat...

(19 augustus 1940)

Thomas: Dat is het: Les Milandes. Mm, 't ziet er nogal verlaten uit... Nou ja. laten we maar 'ns gaan kijken... De deur staat wel open, maar niemand te zien. Hallo? Is daar iemand? Hallo? Hallo!!

Vrouw: Bonjour monsieur.

Thomas: Bonjour mad... Grote hemel!

Vrouw: Pardon?

Thomas: U bent... u-u bent Joséphine Baker! Woont u hier?

Joséphine: Ja, ik heb dit kasteeltje gehuurd. Wat kan ik voor u doen?

Thomas: Mijn naam is Jean Leblanc. Ik geloof dat ik eigenlijk hierheen ben gekomen om levensmiddelen te kopen, maar... bij uw aanblik, madame, kan ik mij dat niet precies meer herinneren. Sta mij toe... dat ik u de hand kus. Het is ook volkomen onbelangrijk waarvoor ik gekomen ben. Ik ben heel gelukkig tegenover u te mogen staan, tegenover een van de grootste kunstenaressen van onze tijd.

Joséphine: Dat is heel vriendelijk van u, monsieur Leblanc.

Thomas: 'k Heb al uw grammofoonplaten. "J'ai deux amours" driemaal.

Joséphine: Ah.

Thomas: En ik heb zoveel revues van u gezien.

Joséphine: Eh... komt u misschien uit Parijs, monsieur?

Thomas: Ja. Ik ben gevlucht.

Joséphine: Ach, u moet mij alles vertellen. Ik hou zo van Parijs! Is eh... dat uw auto daarginds?

Thomas: Ja.

Joséphine: Bent u alleen?

Thomas: Eh... ja. Hoezo?

Joséphine: Ah, zomaar. Gaat u mee, monsieur Leblanc? (ze gaan binnen) Monsieur Leblanc, vergeeft u mij deze verrassing, maar ik moet erg voorzichtig zijn. Maurice, mag ik je voorstellen aan een vriend?

Majoor Maurice Debras: Ik verheug mij oprecht kennis met u te kunnen maken, Thomas Lieven.

Thomas: Wat! Ik-ik eh...

Joséphine: (lacht) Wat dom van mij. Dit is Maurice Debras, monsieur Lieven. Majoor Debras van het Deuxième Bureau. De majoor is een vriend van mij.

Thomas: En daarmee een gelukkig en benijdenswaardig man, madame. Majoor, overste Siméon wacht in Toulouse al wekenlang op u.

Debras: Ik ben pas gisteren hier aangekomen. Ik heb een uiterst moeilijke vlucht achter de rug, monsieur Lieven.

Joséphine: Eh... Maurice kan zich in Toulouse niet vertonen. Zijn gezicht is te bekend, en het wemelt in de stad van Duitse agenten en Franse verklikkers.

Thomas: Madame, u overstelpt mij met verheugende berichten.

Debras: Ik weet wat u daarmee wilt zeggen, monsieur Lieven. Weinigen hebben ter wille van de Franse zaak grotere gevaren getrotseerd dan u. Als ik in Londen kom, zal ik generaal de Gaulle zeker meedelen met welk een doldriestheid u de zwarte tas hebt verdedigd tegenover een Duitse generaal.

Thomas: Hoe dan ook, die tas ligt op u te wachten in Toulouse, bij overste Siméon.

Debras: Nee, de tas ligt in de kofferruimte van uw wagen. Onder het gereedschap.

Thomas: In mijn ko...

Debras: Ja. We zullen 'm er straks uithalen.

Thomas: Ja. maar hoe eh..., wa-waarom?

Debras: Ik heb gisteren met Siméon getelefoneerd. Hij zei dat ik onder geen voorwaarde zelf naar Toulouse mocht komen. Maar die fantastische Thomas Lieven rijdt al sinds weken kriskras door de omgeving om levensmiddelen te kopen. Zijn verschijnen zal nergens opzien baren. Hij zal de tas wel even brengen, zei die.

Thomas: Dan ben ik er mooi ingelopen. Maar... waarom dat geheimzinnig gedoe, majoor? Siméon had mij toch behoorlijk op de hoogte kunnen brengen?

Debras: Dat heeft hij op mijn bevel nagelaten. Tenslotte kende ik u niet.

Joséphine: Gelooft u, monsieur Lieven, het was beter zo. De tas is nu behouden aangekomen.

Thomas: Ja.

Joséphine: En weest u alstublieft niet boos. Daar is 't een veel te mooie avond voor.

Thomas: Ja, zonder politiek, zonder geheime diensten, geweld en dood... had het een mooie avond kunnen zijn. Enfin... U wilt dus naar Engeland, majoor?

Debras: Mm.

Thomas: Welke weg dacht u te nemen?

Debras: Via Madrid en Lissabon.

Thomas: Is dat niet erg gevaarlijk?

Debras: Ik heb nog een valse pas.

Thomas: Goed, maar toch... Madame zei het zojuist al: het wemelt hier van verklikkers. Als men de tas bij u zou vinden...

Debras: Dat moet ik riskeren. Siméon is nodig in Parijs. Hij moet dus terug. Ik heb niemand anders.

Thomas: Toch wel.

Debras: Wie dan?

Thomas: Mij.

Debras: U?

Thomas: Ja, ik. De wetenschap dat de Duitsers die tas in handen zouden krijgen, vind ik eenvoudig onverdraaglijk. ('k Vind het heel onverdraaglijk te weten dat jij 'm hebt.) U kent mij nu, en u weet dat ik betrouwbaar ben. (Je moest 'ns weten hoe onbetrouwbaar ik kan zijn als er mensenlevens op het spel staan...) Bovendien heb ik er zin in. Noem het voor mijn part: uit sportieve eerzucht. (Oh, was ik maar weer een vreedzaam burger!)

Joséphine: Monsieur Lieven heeft gelijk, Maurice: jij bent voor de Duitsers en hun verklikkers als een rode lap voor een stier.

Debras: Ja, maar hoe kunnen we de tas voor de Duitse Abwehr in veiligheid brengen?

Thomas: In het hotel van Jeanne Perrier in Toulouse heb ik een zekere Walter Lindner ontmoet, een bankier. Hij wacht daar op z'n vrouw die hij tijdens de vlucht is kwijtgeraakt. Zodra ze daar aankomt, vertrekt hij naar Zuid-Amerika. Hij heeft mij gevraagd met 'm mee te gaan en z'n compagnon te worden. Wij emigreren via Lissabon.

Joséphine: Dan zouden jullie elkaar dus in Lissabon kunnen ontmoeten.

Debras: En waarom wilt u al die risico's op u nemen, monsieur Lieven?

Thomas: Uit overtuiging.

Debras: Mmm. Ik zou u oneindig dankbaar zijn.

Thomas: Afwachten, meneer, afwachten)

Debras: En bovendien biedt deze dubbele reis ons ook nog andere mogelijkheden.

Thomas: Mij in ieder geval!)

Debras: Ik zal de achtervolgers afleiden. Als hun aandacht op mij is gericht, reist U met de zwarte tas veilig.

Thomas: Volkomen juist.

Debras: Afgesproken dus. Ik ga per trein via Madrid naar Lissabon. U zult op grond van uw doorreisvisum in Marseille nog wel een vliegtuig kunnen krijgen.

Thomas: Dit is inderdaad de verstandigste oplossing, monsieur Debras. U wordt door iedereen op de hielen gezeten, maar ik ben, althans tot dusverre, voor de Duitse Abwehr een onbeschreven blad papier. Laten we dus zo afspreken...

(Op diezelfde avond van 19 augustus in Hotel Majestic, hoofdkwartier in Parijs van Generaal Otto von Stulpnagel, opperbevelhebber van het Duitse leger in Frankrijk)

Generaal von Stulpnagel: Admiraal Canaris! Op de prestaties van de onzichtbare, de onbekende helden van uw organisatie!

Admiraal Wilhelm Canaris: Op de veel grotere van uw soldaten, mijne heren. Generaal Erich

Von Felseneck: (lacht) Wees nou maar niet zo bescheiden, admiraal, die kerels van u zijn vervloekt geslepen. (lacht) Ik mag het u helaas niet vertellen, Stulpnagel. Men heeft mij strikte geheimhouding opgelegd, maar het is een handige jongen, onze Canaris.

Stulpnagel: O, ongetwijfeld, ongetwijfeld. Als de heren mij willen verontschuldigen, ik zie daar von Kleist en Reichenau. (verlaat het gezelschap)

Canaris: Vertelt u eens, meneer von Felseneck, waarop doelde u zojuist eigenlijk?

Von Felseneck: (lacht) Nee, men heeft mij geheimhouding opgelegd, meneer Canaris, uit mij krijgt u geen woord!

Canaris: En wie heeft u dan wel tot dat volstrekte stilzwijgen verplicht?

Von Felseneck: Eén van uw mensen. Een fantastische kerel overigens, hoor. Nee, werkelijk, mijn compliment.

Canaris: Kom kom, iets zult u allicht kunnen vertellen.

Von Felseneck: Nou goed, het zou tenslotte ook te gek als ik er zelfs tegenover u niet over mocht spreken. Maar ik zeg niet meer dan: de zwarte tas.

Canaris: Ah, die zwarte tas... Ja ja ja ja...

Von Felseneck: Dat is me 'n een kerel, meneer Canaris. Zoals die z'n rol als Amerikaans diplomaat weet te spelen. (lacht) Die-die zekerheid, die rust... terwijl ie toch door één van mijn mensen gearresteerd was. (lacht) Brengt twee Franse agenten plus de volledige dossiers van het Deuxième Bureau voor ons in veiligheid, en gunt zich nog de tijd om mij uit te leggen hoe je 't beste aardappelgoulash kunt koken. Nou, ik moet telkens weer aan die knaap denken. Had ik er maar zo eentje bij m'n staf!

Canaris: Hm hm. Tja... ja, een paar flinke jongens hebben we wel in de branche. Ik herinner me die geschiedenis. Hoe heette die man toch maar weer?

Von Felseneck: Lieven. Thomas Lieven. Van de afdeling Keulen. Op het allerlaatste ogenblik, toen ie werkelijk niet anders meer kon, toen heeft ie mij z'n legitimatie laten zien. Thomas Lieven! Die naam vergeet ik nooit.

Canaris: Ach ja, natuurlijk, Lieven. Tja, dat is inderdaad een naam die het onthouden waard is. Kijk 'ns, generaal, daar is een tafel vrij. Laten wij daar even gaan zitten en nog een glas champagne drinken. Onderwijl kunt u mij dan wat meer vertellen over uw ontmoeting met vriend Lieven. Ik ben graag trots op mijn mensen en op de door hen behaalde successen. Tja, ja, die Thomas Lieven, dat is me d'r eentje.

(telefoon rinkelt in Keulen)

Majoor Fritz Loos: Huh? Wat? (neemt op) Loos.

Telefonist in Parijs: Majoor Loos? Hier Parijs. Ik verbind u door met admiraal Canaris.

Canaris: Majoor Loos?

Loos: Jawel, admiraal.

Canaris: Luistert u 'ns goed: er heeft hier een ongehoorde zwijnerij plaatsgevonden.

Loos: Een zwijnerij, admiraal?

Canaris: Kent u een zekere Thomas Lieven?

Loos: U-u... jawel, admiraal, die naam die-die ken ik... Dat wil zeggen, ik...

Canaris: U kent Lieven dus. Hebt u hem een legitimatie van de Abwehr gegeven?

Loos: Ik? Jawel, admiraal.

Canaris: Waarom?

Loos: Omdat ie... Ik heb 'm destijds aangeworven voor onze eh... organisatie, die Lieven, maar e-ergens klopte het niet. Hij is ondergedoken. Ik maakte me al zorgen.

Canaris: Ah! En zeer terecht, majoor Loos, zeer terecht. U neemt de eerste trein, het eerste vliegtuig, ik verwacht u hier in Parijs in Hotel Lutetia binnen de kortst mogelijke tijd, maar dan ook inderdaad binnen de kortst mogelijke tijd. Goed begrepen?

Loos: Jawel, admiraal, natuurlijk admiraal, ik-ik kom zo snel mogelijk. Als ik u vragen mag, admiraal, wat heeft die kerel eigenlijk uitgevreten?

Canaris: Huh! Die kerel heeft in z'n bezit: dossiers en lijsten met de namen en adressen, herkenningstekens en wachtwoorden van alle Franse geheime agenten! U weet waarschijnlijk wel wat dat betekent? De man kan levensgevaarlijk voor ons worden, of andersom. We moeten 'm in handen krijgen, koste wat kost.

Loos: Tot uw orders, admiraal. Ik zal m'n bekwaamste mensen aan het werk zetten. Die lijsten krijgen we in handen, en de man wordt onschadelijk gemaakt, al zou ik hem eigenhandig moeten neerschieten.

Canaris: Majoor Loos... ik geloof dat u volslagen krankzinnig bent geworden. Die man moet ik levend hebben. Die is veel te goed alsdat wij ons de weelde kunnen veroorloven hem neer te schieten. Houdt u daar dus wel rekening mee!

(20 augustus 1940, 02:30 rue des Bergères, Toulouse)

Thomas: (komt binnen) Goeienavond samen!

Siméon: Hallo.

Thomas: Of moet ik zeggen: goeienacht?

Mimi: (zucht) Goddank dat je d'r bent. We hebben ons zo ongerust gemaakt.

Thomas: O ja? Nu pas, of al van het ogenblik af dat jullie er mij op uit stuurden?

Siméon: Dat is gebeurd op bevel van Majoor Debras. Ja, overigens, ik begrijp er totaal niets meer van: hoe komt het nou dat jij die zwarte tas weer bij je hebt?

Thomas: Dat moet op rekening worden gesteld van het feit dat ik voor de Duitse Abwehr een onbeschreven blad papier ben. O, wat ziet mijn lodderig oog? Warempel, een fles Rémy Martin! Halfvol nog wel. (schenkt zich in) Ah, proost lieve lieden, ik drink op ons aller toekomst. Het ogenblik van scheiden is namelijk aangebroken. Ik heb er Majoor Debras van weten te overtuigen dat het veel veiliger is als ik de papieren naar Lissabon breng. En u, overste, dient onverwijld terug te keren naar Parijs en u daar te melden bij Lotusbloem Vier. Wie dat dan ook zijn mag...

Siméon: Dat betekent dus: onderduiken.

Thomas: Wat het ook betekent, ik hoop van harte dat u er veel pret bij mag beleven.

Siméon: Ik ga onmiddellijk de nodige maatregelen treffen. (verlaat te kamer)

Thomas: Ja ja, Mimi, partir c'est mourrir un peu.

Mimi: (huilt) O...

Thomas: Maar meisje! Wat krijgen we nou?

Mimi: Ach, ik-ik stel me aan, neem me maar niet kwalijk. Ik was helemaal niet van plan om te huilen.

Thomas: Dit uur verloopt dus niet overeenkomstig de plannen. Tja, Mimi, dat wil wel es meer gebeuren. Vraag het maar aan de diverse legerleidingen.

Mimi: Ik heb er zo vaak over nagedacht, zo vaak. Ik heb er me zelf mee afgemarteld tot ik niet meer kon.

Thomas: Ik begrijp het wel. Je doelt natuurlijk op Siméon.

Mimi: Ja, ik.. ik...

Thomas: Heb ik gelijk of niet?

Mimi: O, mon amour, ik hou van je, ik hou werkelijk verschrikkelijk veel van je, maar... juist die laatste weken hebben me bewezen dat jij geen man bent om te trouwen.

Thomas: Mon p'tit chou... Je hoeft je heus niet te verontschuldigen. 'k Had dit al lang verwacht. Jullie zijn allebei Fransen, jullie houdt van je land, van het land waar je geboren bent. En ik, ik heb voorlopig geen vaderland meer. Daarom wil ik weg, tot iedere prijs. En jullie wilt hier blijven, eveneens tot iedere prijs.

Mimi: Kun je mij vergeven?

Thomas: Mm, d'r valt niks te vergeven, Mimi.

Mimi: O, 'k wilde eigenlijk maar dat je niet zo lief was. Je maakt me aan 't huilen. Gemeen eigenlijk dat een vrouw geen twee mannen mag trouwen... O, Thomas, liefste, ik ben je zo dankbaar.

(telefoon rinkelt)

Thomas: (neemt op) Hallo? Met Leblanc.

Walter Lindner: Thomas. Met Walter Lindner. Hé, Thomas, m'n vrouw, ik heb m'n vrouw gevonden.

Thomas: Meen je dat nou Walter? Waar?

Lindner: Hier in Toulouse.

Thomas: Dan in looppas naar het consulaat, Walter.

Lindner: Ja, natuurlijk, wat dacht je dan? Oh, we kunnen nu vertrekken. M'n hemel nog toe, wat verheug ik me op ons nieuwe leven.

Thomas: Anders weet ik wel... Zeg Walter, ik bel nu af, ik moet als de gesmeerde bliksem nog een paar telefoongesprekken voeren. Tot ziens. (legt neer - neemt weer op en draait een nummer)

Joséphine: U spreekt met Carlas 5-31.

Thomas: Met eh... met Jean. Jean Leblanc. Is eh... monsieur Maurice daar?

Joséphine: Een ogenblik, ik zal 'm roepen.

Thomas: Mm. (neuriet)

Debras: Hier Maurice.

Thomas: Eh... met Jean, Jean Leblanc.

Debras: Ja, meneer Leblanc.

Thomas: 'k Wilde u even meedelen dat ik op 28 augustus met het echtpaar Lindner naar Marseille vertrek.

Debras: Zo! Is mevrouw terecht?

Thomas: Ja, ze zijn gelukkig herenigd. We vertrekken dus de 28ste van hier naar Marseille, vandaar brengt een vliegtuig ons de 30ste naar Lissabon.

Debras: En... daar kan niets meer tussenkomen?

Thomas: Menselijkerwijze gesproken kan er niets meer tussenkomen. De papieren zijn in orde, de plaatsen in 't vliegtuig voor die datum gereserveerd, en zulk slecht weer dat de vlucht moet vervallen komt in deze tijd van het jaar nooit voor.

Debras: Mooi... mooi. Nou, laten we 't daar dan maar op houden, hè, dat ik de 29ste vertrek, op de afgesproken wijze, langs de afgesproken route.

Thomas: Per trein.

Debras: Per trein, ja.

Thomas: Via Perpignan?

Debras: Juist. En dan verder via Barcelona en Madrid.

Thomas: Goed. En waar zien wij elkaar?

Debras: Eh... ja..., daar heb ik eigenlijk nog niet over nagedacht. Hebt u een voorstel?

Thomas: Laten we zeggen dat u mij van de 3de september af iedere avond na elf uur 's avonds in het casino van Estoril kunt aantreffen.

Debras: Het juiste trefpunt voor gokkers.

Thomas: Zeg dat wel... We hebben dus alles goed afgesproken?

Debras: Nou, me dunkt van wel. 'k Geloof niet dat we iets aan het toeval hebben overgelaten.

Thomas: Nee, dat geloof ik ook niet. Tot ziens dan maar.

Debras: Tot ziens.

Thomas: (legt neer) Nee, we hebben niets aan het toeval overgelaten. Daar ben ik zeker van. En toch, en toch... 'k Geloof niet dat ik ooit van m'n leven zo nerveus ben geweest. Pas als we in Marseille in het vliegtuig zitten, zal ik me wat geruster voelen.

(29 augustus 1940, 11:30, Marseille, rue de Rome, kantoor van Rainbow Airways, een private Amerikaanse chartercompagnie)

Beambte: Bonjour monsieur, wat mag ik voor u doen?

Thomas: Bonjour, mijn naam is Leblanc. Ik kom de tickets halen voor de heer en mevrouw Lindner en mijzelf. We hebben plaatsen gereserveerd voor de vlucht van morgen, Marseille-Lissabon.

Beambte: Eens even zien. Lindner... Leblanc... Ja! Hier heb ik ze. Uw vliegtuig vertrekt morgen om 15:45, monsieur Leblanc.

Thomas: 15:45. Geen kans op vertraging?

Beambte: Nee, heel beslist niet, monsieur, uw vliegtuig is namelijk vanmorgen al binnengekomen. Hé, dat is toevallig, daar komen juist de beide piloten en de stewardess aan!

Thomas: Zo zo! Is dat de stewardess? Bijzonder bekoorlijk meisje, mag ik wel zeggen.

Beambte: Huh, we bieden onze passagiers graag het beste op ieder gebied, monsieur! (lacht)

Piloot: Ik heb een eh... heleboel paperassen voor je. Moet je 'ns even kijken!

Mabel Hastings, stewardess: Mij hebben jullie niet meer nodig, hè?

Piloot: Nee hoor, Mabel, ga jij maar lekker winkelen. Of teaen. We zien elkaar morgen wel op het vliegveld.

Thomas: Neemt u me niet kwalijk, maar eh...

Mabel: Pardon?

Thomas: U hebt uw zakdoekje op de balie laten liggen.

Piloot: O, dank u zeer.

Thomas: En waar zullen we nu eens heen gaan?

Mabel: U bedoelt?

Thomas: U hebt tot morgenmiddag de tijd aan uzelf, nietwaar?

Mabel: Mm.

Thomas: Ik dacht zo: wij moesten eerst maar naar het Grand Hotel gaan. Daar logeer ik namelijk. We drinken dan in het hotel een aperitief en vervolgens gaan wij eten bij Guido in Rue de la Paix. En na het eten nemen we een bad...

Mabel: Ja, hoort u es even...

Thomas: Ja, geen bad? Nou goed, dan blijven we rustig in het hotel.

Mabel: Ha, zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!

Thomas: Mademoiselle, ik zal mijn uiterste best doen om u in staat te stellen dat morgen ook nog te zeggen.

Mabel: Ho!

Thomas: Ik maak u nerveus, zie ik. Ja, ik weet dat ik op vrouwen een ietwat overdonderende uitwerking heb. 't Is nu half twaalf... Voilà, ik wacht op u in de bar van het Grand Hotel. Zullen we zeggen: twaalf uur?

Mabel: Ja, maar dat is toch het toppunt! Meneer, ik heb voor uw optreden eenvoudig geen woorden! (ze rent weg)

Thomas: En toch komt ze. Daar ben ik van overtuigd.

(30 augustus 1940, vlieghaven)

Walter: Is dat ons vliegtuig? Ja, dat moet wel, want d'r staat er maar één.

Thomas: Dit is ons vliegtuig. En Mabel staat ons al op te wachten bij de ingang van de cabine.

Walter: Mabel?

Thomas: De stewardess.

Walter: Hoe weet jij dat ze Mabel heet?

Thomas: Ik ben helderziende, wist je dat niet?

Walter: Ooo. (ze gaan de trap op)

Thomas: Hello, Mabel!

Mabel: Hallo.

Thomas: Ik heb je koffer meegebracht.

Mabel: O, dat is heel vriendelijk... van u. Eh... neemt u vlug uw plaatsen in. We staan op het punt naar de startbaan te vertrekken. (ze gaan het vliegtuig in)

Thomas: Hèhè! 'k Ben blij dat het eindelijk zover is.

Walter: Zeg dat wel. (lacht) Hé, kijk daar 'ns!

Thomas: Waar?

Walter: Daar. Een verlate passagier. O god, de arme kerel heeft het nakijken.

Thomas: Ja. Pech gehad. Wat!?

Walter: Wat is er?

Thomas: O, niks... niks bijzonders. 'k Dacht een ogenblik dat ik die man kende. Onzin natuurlijk. Hij lijkt wat op een kennis van me uit Keulen. (Ze zitten dus achter me aan, want natuurlijk is het Loos. Maar mijn beschermengel is vandaag uitstekend op dreef, en de brave majoor heeft het nakijken. Ons vliegtuig staat op het punt om op te stijgen.)

Walter: Wat zit jij toch te mompelen?

Thomas: Ik? Mompelen, ik? Ik weet van niks.

Mabel: Dames en heren, wij vragen u nog een ogenblik geduld te hebben. Wij hebben zojuist via de boordradio vernomen dat er een verlate passagier gearriveerd is, die tot iedere prijs verlangt in te stappen. Wij nemen hem aan boord en zullen dan zo snel mogelijk de vlucht aanvangen. Dank u!

Thomas: Over een stoorzender beschikt mijn beschermengel dus niet.)

Walter: Zei je wat?

Thomas: Ik? Welnee...

(Een restaurant in het vissersdorpje Cascais nabij Lissabon)

Thomas: Zo, majoor Loos. We moesten hier maar 'ns een poosje uitrusten, hè. Dat achter me aan sjouwen met taxi's is zeer vermoeiend. De laatste dagen moeten voor u wel bijzonder inspannend zijn geweest.

Loos: Dat mag men wel zeggen, maar al reist u naar het einde van de wereld, mij ontkomt u niet meer, meneer Lieven.

Thomas: Ach, kom nou toch, ouwetje. We zijn hier niet in Keulen, hè? Hier weegt een Duitse majoor heus niet zo zwaar, mijn beste Loos.

Loos: Misschien wilt u zo goed zijn mij Lehmann te noemen, meneer Lieven. Zo heet ik hier namelijk.

Thomas: Op voorwaarde dat u zo goed wilt zijn mij Leblanc te noemen. Zo heet ik namelijk hier.

Loos: Met alle genoegen, monsieur Leblanc.

Thomas: Kijk 'ns aan, die toon bevalt mij veel beter. Neemt u toch plaats, meneer Lehmann, en kijkt u 'ns naar het binnenlopen van de visservloot. Is 't geen heerlijk schouwspel?

Loos: Ik ben hier niet gekomen om het uitzicht te bewonderen, meneer Leblanc.

Thomas: O nee? 'k Weet heel goed waarvoor u hier gekomen bent, meneer Lehmann. Maar bedenk wel dat Portugal een neutraal land is. Ik moet u waarschuwen dat ik mij weren zal.

Loos: Maar mijn beste meneer Lieven...

Thomas: Hè?

Loos: Pardon, Leblanc. U ziet de zaak helemaal verkeerd. Ik heb opdracht van admiraal Canaris u volledige straffeloosheid te garanderen als u naar Duitsland wil terugkeren. En voorts heb ik opdracht de zwarte tas van u te kopen.

Thomas: Aangezien uw handlangers bij de Portugese douane er niet in geslaagd zijn hem te vinden, ondanks al hun inspanningen.

Loos: Nee.

Thomas: Mm?

Loos: Nee. Ik bedoel... Enfin, wat vraagt u voor de tas? Ik weet dat u de lijsten nog hebt.

Thomas: Ik moet even telefoneren. (verlaat Loos en stapt een telefooncel binnen - draait een nummer)

Receptionist: Hier Hotel Palacio do Estoril-Parque.

Thomas: Miss Hastings, alstublieft, kamer 241.

Receptionist: Een ogenblikje alstublieft. (schakelt door)

Mabel: Hallo?

Thomas: Met Jean.

Mabel: Oooh, Jean. Waar blijf je toch? Ik verlang zo verschrikkelijk naar je.

Thomas: Tja eh... 't zal wel laat worden. Ik heb een zakelijke bespreking.

Mabel: Oo...

Thomas: Mabel, toen ik je vanmorgen in Marseille hielp met pakken, heb ik bij vergissing een zwarte leren tas in je koffer gelegd. Wees 'ns erg lief en breng die naar de portier. Zeg maar dat ie 'm voor me in de kluis legt.

Mabel: Met alle plezier, darling. En zorg er alsjeblief voor dat het niet al te laat wordt. Je weet dat ik morgen doorga naar Dakar.

Thomas: Ik weet het, kindje. Tot straks dus.

Mabel: Mm.

Thomas: (legt neer en opent de deur van de telefooncel, maar stoot daarbij tegen iemands hoofd)

Stem: Au! Au! Au, m'n hoofd!

Thomas: Kijk nou toch 'ns aan, zeg! Meneer Lovejoy van de Britse Geheime Dienst in hoogsteigen persoon!

Het recept is niet uitgeschreven.