Deel 5 - Het kan niet altijd kaviaar zijn
Het maquis croissant.
Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.
Beluister deel 5 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een deel.
De rolverdeling van deel 5.
| Luc Lutz | Thomas Lieven |
| Willy Ruys | Dokter Buhl |
| Hans Veerman | Bastian Fabre |
| Huib Rooymans | Berger |
| Jan Borkus | Overste Simeon |
| Peter Römer | Cousteau |
| Çanci Geraedts | Chantal Tessier |
| Floor Koen | Mayo |
| Wik Jongsma | François |
| Pieter Groenier | Kastelein |
| Guus van der Made | Soldaat |
| Marijke Merckens | Yvonne Dechamps |
| Frans Koppers | Karl Schlumberger |
| Ben Hulsman | Fritz Raddatz |
| Gees Linnebank | Hauptmann Brenner |
| Paul van Gorcum | Sturmbahnfuhrer Eicher |
| Robert Sobels | Overste Werthe |
| Peter Römer | Soldaat |
| Auteur: | Johannes Mario Simmel |
| Bewerking: | Dick van Putten |
| Regie: | Hero Muller |
| Omroep: | AVRO |
| Dit deel is uitgezonden op: | 03-05-1979 |
Het script van deel 5.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
(donderdag 5 december 1940. No. 14, rue d'Aubargne, Dr. René Boule, tandarts)
Bastian: Dit is eh... Pierre Hunebelle en dit is dokter Boule, de tandarts. Hij werkt regelmatig voor ons, hij heeft een speciaal contract met onze cheffin.
Boule: Ja, maar alleen voor vals goud. Als jullie iets aan je gebit mankeert, dan ga je naar een ander.
Bastian: Huh.
Boule: Gek dat wij elkaar nooit eerder ontmoet hebben. Bent u pas bij de bende?
Bastian: Hij eh... komt net uit de petoet. De cheffin is zwaar verkikkerd op 'm. O ja, voor ik het vergeet: dit klusje verloopt via haar privé-rekening.
Boule: Prima!
Bastian: Ja.
Boule: Ah, jullie hebben de cakevormen meegebracht, zie ik. Goed zo. Dan kan ik zeven staven tegelijk gieten en hoef niet iedere keer te wachten tot het zaakje is afgekoeld. 'ns Kijken... Mja, de lengte klopt. En jullie willen staven van een kilo hebben?
Bastian: Ja.
Boule: Als het u interesseert, mag u gerust toekijken, jongeman.
Thomas Lieven: Mm.
Boule: Je weet nooit hoe zoiets je nog van pas kan komen.
Thomas: Daar hebt u gelijk in, ja.
Boule: De moeilijkheid bij het vervaardigen van valse goudstaven schuilt in het feit dat goud en lood zeer uiteenlopende smeltpunten en zeer uiteenlopend soortelijk gewicht hebben. Lood smelt al bij 327 graden Celsius, goud pas bij 1063 graden. En zo'n hoge temperatuur kunnen die cakevormen natuurlijk niet verdragen. Daarom bekleden we ze met vuurklei...
(Keulen, 4 december 1940; rapport van Fritz Loos aan Chef van Berlijn Abwehr: Lieven werd gedood in Lissabon)
(6 December 1940 namiddag, Hotel Bristol)
Bergier: Wat betekent dat, monsieur Hunebelle, ik ken die heer niet. Ik wil allen met u van doen hebben.
Thomas: Deze heer is een vriend van mij, monsieur Bergier. Tenslotte heb ik tamelijk kostbare waar bij me, 'k voel me veiliger zo.
Bergier: Nou, komt u dan maar binnen. Ja, komt u maar binnen. Mijn vriend de Lesseps is helaas niet hier, heel onaangenaam.
Thomas: O nee? Waar is 't ie dan?
Bergier: Naar Bandol. Hij komt daar in de buurt nog aan een grote post goud, begrijpt u wel? Goud en deviezen.
Thomas: Ik begrijp het. Eh... zet jij de koffer even op tafel, Bastian.
Bastian: Ja, natuurlijk.
Thomas: Kijk 'ns. Alstublieft. (opent de koffer) Kijk 'ns, monsieur
Bergier: zeven staven van een kilogram ieder.
Bergier: Juist. Mm. "Essayeer-inrichting Lyon". Heel goed, heel goed.
Bastian: Kan ik misschien m'n handen even wassen?
Bergier: Eh... de badkamer is daar.
Bastian: Dank u.
Bergier: Zo. En wat moet ik nu met u doen?
Thomas: Wat bedoelt u?
Bergier: Kijk, ik moet mijn opdrachtgevers natuurlijk over iedere aankoop rekening en verantwoording afleggen, wij houden lijsten bij van onze zakenrelaties. Tja, wij dwingen natuurlijk niemand om ons gegevens te verstrekken, maar als u in de toekomst zaken met ons wilt blijven doen, dan zou het misschien toch wel 'n nut hebben als ik een paar gegevens...
Thomas: Zoals u wenst, ja ja. Ik hoop u nog vaker een en ander te kunnen leveren, ook deviezen.
Bergier: Excuseert u mij dan een ogenblik?
Thomas: (lacht) Goed. (Bergier verlaat de kamer) Heb jij een afdruk van 't slot?
Bastian: Allicht. Zeg, is die vent misschien... eh... eh...? (De Duitsers noemen Bergier "tante Bergier")
Thomas: O, jij merkt ook alles.
Bergier: (komt weer binnen) Als ik dan even mag noteren?
Thomas: Eh... Pierre Hunebelle. Rue Pont Rose, nummer 7.
Bergier: Mooi zo.
Thomas: En nu, het geld?
Bergier: (lacht) Dat komt, dat komt, ik heb het, weest u maar niet bang, ik heb het hier bij me. Laat 'ns zien. 360.000 francs per staaf, en dat zevenmaal. Dat wordt 2.520.000 francs. Ik zal het u maar in zo groot mogelijke coupures geven, monsieur Hunebelle, anders gaat het vervoer moeilijkheden opgeven. Zo, kijk 'ns aan. En vertel 'ns: wanneer zien wij elkaar weer, mon ami?
Thomas: Hoezo? Gaat u niet terug naar Parijs?
Bergier: O nee, de Lesseps gaat alleen terug. Hij komt morgenmiddag met de express om 15:30 hier door.
Thomas: Hier... door?
Bergier: Ja, hij gaat met de deviezen die hij in Bandol heeft ingekocht door naar Parijs. Ik geef 'm dan meteen uw goud mee, maar als ik 'm dat op het station heb overgedragen, we zouden misschien gezellig samen ergens kunnen dineren.
(7 december 1940, 16:30, Bibliotheek van een groot oud huis in de Boulevard de la Corderie, van Jacques Cousteau (die vele jaren later beroemd zal worden als diepzeeduiker en voor zijn boek en film "De Stille Wereld"))
Siméon: Dit is monsieur Cousteau van onze dienst. 'k Geloof niet dat jullie elkaar al ontmoet hebben?
Thomas: Asjeblieft, Siméon! De lijsten. De lijsten met de namen en adressen van verklikkers, aanbrengers, collaborateurs en zielverkopers.
Siméon: O, mooi. Leg maar neer!
Thomas: Wat is er aan de hand? Hebben jullie die twee niet te pakken gekregen?
Cousteau: O ja, we hebben ze. Ze zitten op het hoofdbureau van politie.
Thomas: En de zeven goudstaven?
Cousteau: Die hebben we ook.
Thomas: Nou, en?
Cousteau: Maar voor de rest hebben we niets, monsieur Hunebelle.
Thomas: Voor de rest... hebt u niks? Terwijl de Lesseps een vermogen aan goud en deviezen bij zich moet hebben gehad.
Cousteau: Ja, dat zou men wel denken, nietwaar?
Thomas: En u wilt beweren dat ie niks bij zich had?
Cousteau: Geen gram goud, monsieur Hunebelle. Geen dollar, geen enkel sieraad. Is dat niet wonderlijk?
Thomas: Ja, maar.... Maar dan heeft ie het natuurlijk verstopt in de wagon, of ergens anders. Misschien is het spoorwegpersoneel mee in 't complot. U moet de trein laten doorzoeken, alle passagiers laten fouilleren.
Siméon: Hebben we gedaan, we hebben zelfs de kolen uit de tender laten scheppen, maar d'r is niets tevoorschijn gekomen.
Thomas: Waar is de trein nu?
Cousteau: Ja, weg. We konden 'm onmogelijk langer vasthouden.
Siméon: En, Lieven, heb jij misschien een idee waar dat goud zo kunnen zijn? Mm?
Thomas: Ja. Ja, ik geloof dat ik daar inderdaad een idee van heb.
(7 december 1940, vooravond, rue de Paradis, Marseille, restaurant Chez Papa, eigenaar "Olive" - kamers van Bastian)
Chantal: Ja, natuurlijk, lieveling! Wat dacht je dan? Ik heb tegen de jongens gezegd: Dit kunstje moeten we alleen flikken. Daar is mijn lieveling te netjes voor. Daarvoor heeft ie te veel scrupules. We vallen 'm d'r gewoon niet mee lastig! Als we hem die schore voor de neus knallen, dan is ie daar net zo blij mee als wij!"
Thomas: Hoe eh... hebben jullie die schore, eh... dat spul in handen gekregen?
Bastian: Nou eh... toen (lacht) toen ik gisteren met jou bij die Bergier was, hè, toen vertelde hij toch dat z'n gabber in Bandol zat met een reuzepartij handel?
Thomas: Ja.
Bastian: Nou eh... ik met drie kameraden als de gesmeerde bliksem naar Bandol. Ik heb daar relatie, begrijp je wel?
Thomas: Tuurlijk. Ja.
Bastian: Eh... ik zie die de Lesseps met een paar mensen van het spoor smoezen. Nou, die vent wil de schore wegmoffelen onder de kolen van de locomotief die hem naar Parijs brengt. In de tender, begrijp je? Nou, eh... (lacht) we hebben 'm rustig z'n gang laten gaan, maar 's nachts... (lacht)
Thomas: Zeg, je wilt toch niet beweren dat ie die tender niet heeft laten bewaken?
Bastian: Eh... ja, heeft ie gedaan, door twee spoorwegmensen. Hij had ze allebei een staaf goud gegeven. Toen hebben wij d'r eh... nog gauw aan elk twee bij gegeven, hè, we hadden tenslotte genoeg. En 't zaakje was voor mekaar.
Chantal: De macht van het goud!
Bastian: Ja, precies.
Chantal: Vind je 't geen prachtige verrassing, lieveling?
Thomas: Chantal, het breekt me 't hart dat ik roet in het eten moet gooien en jullie verrassing kapot maak, maar dit gaat natuurlijk niet.
Chantal: Hè?
Bastian: Wat gaat natuurlijk niet?
Thomas: We kunnen die spullen niet houden. We moeten ze overdragen aan Siméon.
Bastian: Chantal! Hij is krankzinnig geworden!!
Thomas: Ik kom zojuist bij Siméon vandaan. Wij hebben een afspraak gemaakt: hij de lijsten van de verraders en collaborateurs, plus alles wat Bergier en de Lesseps door afpersing, bedrog en plundering bij elkaar hebben gebracht, wij het geld in drie kaskoffers die we gelijk met de lijsten uit Bergiers slaapkamer hebben gehaald. Dat is tenslotte ook nog altijd een 68 miljoen.
Bastian: Ja, 68 miljoen die van dag tot dag verder kelderen.
Chantal: En-en-en-en daarvoor geef je dit hier af? Weet je wel dat op dat bed voor minstens 150 miljoen aan goud en juwelen ligt? Idioot!!
Thomas: Frans goud, Franse juwelen, aan Frankrijk ontstolen. Mon dieu, moet ik als buitenlander jullie aan je patriottische plicht herinneren?
Bastian: Het is onze schore die we eerlijk gejat hebben, en de Gestapo hebben wij het nakijken gegeven, en ik vind dat we daarmee genoeg voor ons vaderland hebben gedaan.
Chantal: Wind je niet op, Bastian!
Bastian: Ja, maar zo is 't toch.
Chantal: Wind je niet op. Dit is jouw woning. En die kleine idioot, die zal eerst maar 'ns moeten kijken hoe die d'r uit komt, wil ie die Siméon waarschuwen. (Lieven zet een paar stappen)
Bastian: Waar wil jij heen?
Thomas: Telefoneren.
Bastian: Nog één stap en ik schiet je overhoop. Jongen, jongen, wees nou toch verstandig! Hé? Ik schiet je waarachtig neer, hoor.
Thomas: Laat me door, Bastian.
Bastian: Ja, wacht nou even! Hè, wat gaan die zwijnen dan doen met die heerlijke schore? Verpatsen en verkwanselen. Hè, politie, geheime diensten, staat, vaderland, dat zijn toch allemaal boeven.
Thomas: Laat me door, Bastian.
Bastian: Chantal, doe jij dan iets. Help me dan toch. Ik-ik kan 'm toch niet neerschieten?
Chantal: Laat 'm gaan! De idioot! Laat 'm maar gaan. Ga!! Roep Siméon maar. Hij kan alles komen halen, alles! Ho, ellendeling... Had ik je maar nooit ontmoet, nooit. Ik had me d'r al zo verschrikkelijk op verheugd.
Thomas: Chantal...
Chantal: Ik wilde schoon schip maken, weggaan met jou! Ver weg. Naar Zwitserland. Ik heb alleen aan jou gedacht. En nou...
Thomas: Chantal, lieveling...
Chantal: Je hoeft geen lieveling tegen me te zeggen, jij rotvent. Rotvent!! Rotvent!!
Thomas: Ja, dat was Chantal ten voeten uit. De ene moment in m'n armen zo mak als een lam, en het andere moment een furie gelijk. Een wonderlijke betoverende vrouw. Met ijzeren vuist regeerde ze over het stelletje desperado's in haar deel van Marseille. Soms, wat afgunstig op haar successen, nauwlettend gadegeslagen door een zekere Dantes Villeforte, een Corsicaan die om een voor de hand liggende reden "De kaalkop" werd genoemd en in een andere wijk van Marseille aan de touwtjes trok. We zouden nog van 'm horen. Aanvankelijk leek de breuk met Chantal onoverbrugbaar, maar langzaam draaide ze weer bij. Gelukkig... Het werd 17 september 1942.
(telefoon rinkelt)
Bastian: Huh... wie haalt het nou in z'n hersens om me uit mijn bed te bellen. Hallo?
Chantal: Bas... Bastian!
Bastian: Ja.
Chantal: Haaa, gelukkig.
Bastian: Hallo?
Chantal: Gelukkig dat ik je eindelijk te pakken heb. Ik kan niet meer, ik ben kapot. Ik heb uren door de stad gezworven. Bastian..., Pierre is weg.
Bastian: W-weg? Wat bedoel je, wat is er dan gebeurd, Chantal? Vertel op, en-en rustig aan.
Chantal: Pierre is om acht uur de deur uit gegaan om wat druiven te kopen.
Bastian: Ja.
Chantal: Hij zou binnen twintig minuten terug zijn. Het is nou drie uur. Ik ben naar 't station geweest, de haven, de kroegen. Ik dacht dat hij misschien één van jullie had ontmoet, maar nergens.
Bastian: Zeg, waar ben je nou?
Chantal: In de "Bruleur de Loup".
Bastian: Nou, blijf daar dan, ik zal de Paardenpoot en de anderen waarschuwen, binnen een half uurtje zijn we bij je.
Chantal: Bastian, als 'm iets overkomen is, dan wil ik ook niet meer langer leven.
Bastian: Ja, nee, nee... onzin, Chantal, onzin, d'r kan 'm niks overkomen zijn. We vinden 'm in ieder geval.
Bastian: Vijftien ervaren garven (?) kamden die nacht Marseille uit. Geen bar, geen hotel, geen kroeg werd er overgeslagen. Maar geen spoor van onze gabber Pierre Hunebelle. Om acht uur braken we de speurtocht af. Ik bracht Chantal naar huis. Huh, ze liet zich willoos leiden. De volgende dag hervatten we de nasporingen, maar Pierre bleef zoek. Pas de 28ste oktober kwam er verandering in de situatie. Ik zat met François in het Cintra, één van de bekendste cafés aan de Oude Haven.
Émile Maillot: Hunebelle? Ah, daar zou ik je nodig over kunnen vertellen!
Bastian: Hé, hoor je dat, François?
Maillot: (?) natuurlijk
Bastian: Hoe ziet die vent er uit?
Maillot: Maar ik wil niet. (lacht)
François: Een jonge kerel nog, niet iemand uit de buurt van de Ouwe Haven. Ik heb 'm hier tenminste nog nooit gezien.
Bastian: Ah...
Maillot: Hé! Geef mij nog een... Pernod. Een dubbele. waard: Ik zou zo zeggen dat jij al meer als genoeg gehad hebt, makker.
Maillot: (lacht)
François: Ach, geef die man toch een borrel, voor mijn rekening.
Maillot: Nee nee nee nee, jij neemt d'r een van mij.
François: Nou nou nou, betaal jij dan de volgende.
Maillot: Ik betaal de volgende, en... deze betaal ik ook.
Bastian: Ja, ja, ja, ik weet het goed gemaakt: we knobbelen d'r om.
Maillot: Ja! ja, dat-dat-dat is een reuze idee.
Bastian: Dat doen we, ja.
François: Ja.
Maillot: Ja, wacht effe, dan kom ik bij jullie zitten.
Bastian: Ja, da's prima. (lacht)
Maillot: Zo. Hè hè! En nou drinken jullie eerst 'ns een borrel van mij, want émile Maillot heeft centen genoeg om zeggen, hoor, al heeft die smerige ellendeling ons dan ook nog zo belazerd.
Bastian: Ah, maar jij lijkt mij anders helemaal geen jongen die zich makkelijk in de heupzwaai laat nemen, hè?
Maillot: Ben ik ook niet!
Bastian: Nee. hoor!
Maillot: Maar... maar toch heeft ie me te pakken gehad!
Bastian: Tjonge
Maillot: 20.000 had ie ons beloofd! Huh!
François: Kijk 'ns, maat, laat je borrel niet koud worden.
Maillot: Nee... nee... hè, 20.000 zouden we krijgen, hè, als we die Hunebelle te grazen zouden nemen. Nou, dat hebben we gedaan, maar we hebben maar 10.000 gekregen.
Bastian: Ja, zeg, en wie is die vent die jou die smerige streek geleverd heeft, maat?
Maillot: Eh... wat gaat jou dat eigenlijk aan?
Bastian: O nee... niks, niks.
Maillot: Oo.
Bastian: Nee jongen, helemaal niks. 't Was zomaar een vraagje. 't Interesseert mij eigenlijk geen streek. Maar kom, we nemen d'r nog een.
Bastian: We goten de man volkomen vol. Toen ie op het punt stond onder de tafel te glijden, tilden we 'm op, sloegen allebei een arm om z'n schouders en sleepten hem mee, naar Chantal. Telefonisch ontboden we dokter Boule, de tandarts, die de man een spuitje gaf waardoor ie een uur later weer bij kennis was.
Chantal: Je kunt kiezen,
Maillot: je praat, of je praat. Als jij vrijwillig praat, dan betaal ik je de 10.000 die ze je door de neus hebben geboord. Maar moet ik je tot praten laten dwingen, dan... dan zul jij nooit meer behoefte hebben aan geld. Begrijpen wij elkaar?
Maillot: Huh, ze hebben-ze hebben 'm naar het noorden gebracht, de-de-dezelfde nacht nog. Naar Châlons-sur-Saone, dat-dat ligt op de... de demarcatielijn. Daar heeft de Gestapo 'm toen overgenomen.
Bastian: Vuile vervloekte vent!
Chantal: Laat 'm met rust, Bastian!!
Bastian: Verdomme!
Chantal: Ik moet weten wie achter deze smeerlapperij schuilt. Zeg op, Maillot, wie is de man op de achtergrond?
Maillot: Eh... de-de Kaalkop!
Chantal: Dantes Villeforte...
Maillot: Ja, hij heeft ons opdracht gegeven, Hunebelle werd 'm te gevaarlijk, zei die, hij-hij wilde 'm kwijt. Jullie hebben de Kaalkop de laatste tijd voortdurend vliegen afgevangen. Dit is zijn wraak.
Chantal: Ik zal mijn belofte houden, Maillot. Pak de poen en rot op. Maar je kunt uit mijn naam tegen de Kaalkop zeggen dat dit zijn einde betekent. Hiervoor maak ik 'm koud, eigenhandig. Hij kan zich verstoppen waar die wil, vinden zal ik 'm. En als ik 'm gevonden heb, dan maak ik 'm koud! Dat zweer ik, Bastian. Bastian! Smijt die ellendeling de straat op.
Bastian: Kom op ...
Chantal: 'k Kan niet langer tegen 'm aan kijken
Bastian: Vuile rotzak, d'r uit!
Chantal: Schenk me een cognac ik, François. Een cognac, wil je. Pierre... Pierre, de Gestapo...!
(Fresnes, Central Prison (12 mijl buiten Parijs))
(12 november, ochtenduren --Lieven wordt vervoerd naar de Avenue Foch in Parijs - Security Service. Sturmbannführer Walter Eicher / zijn adjudant Fritz Winter)v
Winter: De gevangene Hunebelle, Sturmbannführer.
Eicher: Mooi. Ga je gang maar. (Winter verlaat de kamer) Zo, Hunebelle. En wat zou je zeggen van een cognacje?
Thomas: Da's heel vriendelijk van u, maar daar heb ik helaas niet voldoende voor in mijn maag.
Eicher: Jammer... Hebben ze je die zeven weken in de gevangenis in Fresnes zo laten versukkelen? Waarom heb je geen klacht ingediend, mm? Kijk 'ns hier, Herr Hunebelle, of hoe je dan ook heten mag, u denkt misschien dat we het leuk vinden u op te sluiten en te verhoren. Men zal u wel gruwelsprookjes over de SD verteld hebben? Waar of niet? Maar onze dienst valt ons man voor man zeer zwaar, dat kan ik u wel vertellen. Wij, Duitsers, zijn voor dergelijke dingen in feite te fijn gebouwd, Herr Hunebelle. Maar wij hebben onze plichten tegenover de natie te vervullen, wij hebben de eed afgelegd op de Führer. Na de overwinning zal ons volk de leiding over alle andere volkeren ter wereld op zich moeten nemen. Daar heeft het iedere man voor nodig, ook u.
Thomas: Pardon?
Eicher: Ach wat. Je hebt ons toch te grazen genomen, Hunebelle, met dat goud, die sieraden en die deviezen. Huh. Nee nee nee, spreek het maar niet tegen, want we zijn volledig op de hoogte. En ik kan niet anders zeggen dan dat je het knap gedaan hebt. Je ben een handige jongen. Alle eer.
Thomas: Oh, eh... dank u wel.
Eicher: En omdat je niet alleen een handige maar ook een verstandige jongen bent, ga je ons nu vertellen hoe je in werkelijkheid heet, en waar die spullen van de Lesseps en Bergier gebleven zijn. En natuurlijk ook met wie je samengewerkt hebt. We hebben Marseille inmiddels bezet, dus we kunnen je collega's gemakkelijk in hun nek pakken. Nou?
Thomas: Nee...
Eicher: Dus je praat niet?
Thomas: Nee...
Eicher: O ja, toch wel. Wij krijgen iedereen aan het praten. (belt) Ik heb al veel te veel tijd aan je besteed. (Winter komt binnen)
Winter: Sturmbannführer?
Eicher: Neem die beroerling mee naar de kelder en snij 'm op maat...
Thomas: Ik werd naar een oververhitte kelder gebracht, tegen de ketel van de centrale verwarming gebonden, en op maat gesneden. Zo ging het drie dagen achtereen. Per autobus van Fresnes naar Parijs, verhoor, bijsnijden op maat in de kelder, terug naar de onverwarmde cel. De eerste keer maakten zij de fout me al te stevig af te ranselen, en raakte ik buiten westen. De tweede maal maakten zij die fout niet meer. De derde keer ook niet. Na de tweede keer miste ik een paar tanden en had vrijwel overal op m'n lijf kneuzingen en kwetsuren. Na de derde keer verzeilde ik voor twee weken in het ziekenhuis van Fresnes. En toen begon het allemaal van voren af aan. Zodoende was het vrijwel met mij gebeurd toen de bus me de 12de december wederom naar Parijs bracht.
(In de bus naar Parijs, 12 december.)
Thomas: Ik spring gewoon door het raam naar buiten. Eicher verhoort mij tenslotte altijd op de derde verdieping. Ja, ik spring uit het raam. Als ik mazzel heb, ben ik meteen dood. Ach, Chantal..., Bastian..., 'k had jullie zo graag teruggezien...
Eicher: Dit is de kerel, Herr Oberst... Hunebelle.
kolonelWerthe: Mooi. Dan zal ik 'm meteen maar meenemen, meneer Eicher.
Eicher: Aangezien het "Geheime Kommandosache" betreft, kan ik u dat niet verhinderen, Herr Oberst. Weest u zo goed dit ontvangstbewijs te tekenen.
Werthe: Natuurlijk... (ondertekent) Ziet u 'ns, meneer Eicher. Gaat u mee, monsieur Hunebelle? Mijn wagen wacht buiten.
(Naar een villa in de voorstad St. Cloud met kolonel Werthe van de Parijse branche van de Militaire Abwehr.)
Werthe: Ik hoop dat de maaltijd u goed heeft gesmaakt, monsieur Hunebelle.
Thomas: Uitstekend, overste, dank u.
Werthe: Ik heb uit vertrouwde bron vernomen dat u zelf ook graag en uitstekend kookt, meneer Lieven.
Thomas: Ik eh... ik begrijp u niet.
Werthe: O ja, u begrijpt mij wel degelijk. Ik ben overste Werthe van de Militaire Abwehr Parijs. Ik weet een en ander van u. Ik kan uw leven redden, indien... Maar dat hangt volledig van u af. Ik heb eveneens gehoord dat u een principieel man bent, meneer Lieven. U laat u liever doodslaan dan dat u iemand aan de SD verraadt. Laat staan dat u voor die schoft..., eh... voor die organisatie wilt werken.
Thomas: Inderdaad.
Werthe: En voor de organisatie Canaris?
Thomas: Hoe hebt u mij eigenlijk los gekregen bij Eicher, overste?
Werthe: O, dat was heel eenvoudig. We hebben hier bij de Abwehr een uitstekende man zitten, een zekere Hauptmann Brenner.
Thomas: Ach.
Werthe: Die volgt uw loopbaan al geruime tijd op de voet.
Thomas: Mm.
Werthe: Ik moet zeggen, u hebt zich wel de nodige vrijheden veroorloofd, meneer Lieven.
Thomas: Och ja...
Werthe: O, geen valse bescheidenheid, alstublieft. Enfin, toen Brenner ontdekte dat de SD u gearresteerd had en naar Fresnes gebracht, was het een koud kunstje voor ons om eveneens een zaak tegen u te construeren.
Thomas: U? Een zaak? Tegen mij?
Werthe: U hebt Eicher de uitdrukking "Geheime Kommandosache" horen gebruiken, vermoed ik?
Thomas: Inderdaad, ja.
Werthe: Wel, daarop berust onze methode om de SD gevangenen afhandig te maken. Wij combineren een paar oude spionagegevallen tot een nieuw niet-bestaand geval, en tikken een aantal keurige getuigenverklaringen die er betrekking op hebben, en die van handtekeningen en zoveel mogelijk stempels worden voorzien. Ja, stempels maken altijd indruk.
Thomas: (lacht)
Werthe: In die nieuwe getuigenverklaringen beweren dan bijvoorbeeld een paar mensen dat een zeker Pierre Hunebelle van doen heeft gehad met een reeks bomaanslagen in de omgeving van Nantes. Enfin, toen ons dossier gereed was, ben ik naar Eicher toegegaan, en heb hem volkomen langs mijn neus weg gevraagd of de SD wellicht een zekere Pierre Hunebelle had gearresteerd. "Jazeker", zei hij prompt, "die zit in Fresnes." Toen kwam ik met mijn dossier voor de dag, Geheime Kommandosache. Ik legde hem met de nodige dikdoenerij geheimhouding op en liet 'm de stukken doorbladeren. Uiteraard moest hij toen de belangrijke spion Hunebelle wel aan mij uitleveren.
Thomas: Maar waarom hebt u al die moeite gedaan, overste, wat wilt u van mij?
Werthe: Ik zal volkomen eerlijk zijn, meneer Lieven. Wij hebben u nodig. Wij zitten met een probleem dat alleen door een man als u opgelost kan worden.
Thomas: Ik haat geheime diensten, allemaal, en ik veracht ze, allemaal.
Werthe: Het is nu bijna half twee, om vier uur heb ik een afspraak met admiraal Canaris in Hotel Lutetia. Ik moet hem uw besluit meedelen. Als u bereid bent voor ons te werken, kunnen we u met behulp van het zogenaamde dossier uit de klauwen van de Gestapo houden. Wilt u niet voor ons werken, dan kan ik niets meer voor u doen, moet ik u weer overdragen aan Eicher. Nu?
Thomas: Wat verlangt de admiraal van mij?
Werthe: Dat zal ik u zeggen. Het gaat om de bestrijding van gevaarlijke partizanengroepen. Eén van onze mensen heeft gemeld dat een pas gevormde sterke verzetsgroep in contact probeert te komen met Londen. Zoals u bekend is, ondersteunt het Engelse War Office het Franse verzet.
Thomas: Mm.
Werthe: De afdeling in kwestie heeft behoefte aan een zender en een codesleutel. Zowel zender als codesleutel zult u hun leveren, meneer Lieven.
Thomas: Aha.
Werthe: U spreekt vloeiend Engels en Frans, u hebt jarenlang in Engeland gewoon, u wordt als Brits officier gedropt boven het partizanengebied en brengt een zender mee. Een bijzondere zender.
Thomas: Aha, aha.
Werthe: Een Duitse bemanning brengt u weg met een buitgemaakte Britse machine.
Thomas: Juist.
Werthe: Wel? Wat is uw antwoord?
Thomas: Eh... goed, overste, ik zal voor u werken, omdat er mij geen andere mogelijkheid overblijft.
Werthe: Uitstekend. U zult uiteraard eerst een opleiding tot parachutist moeten volgen.
(3 februari 1943 nabij het dorp Wittstock aan de rivier Dosse (60 mijl NW van Berlijn)
Thomas: De opleiding tot parachutist ontving ik in een kamp in Wittstock aan de Dosse waar ook de valschermjagers der geregelde troepen werden opgeleid. Ofschoon ze beiden tot de Luftwaffe behoorden, was ieder contact tussen de valschermjagers en de mannen van de Abwehr streng verboden. Maar ja, wat zou een verbod voor nut hebben wanneer het nooit overtreden werd? Het was op de avond van de 27ste februari...
Stem: (fluit tweemaal) Hé!
Thomas: Wat is er?
Stem: Heet jij Pierre Hunebelle?
Thomas: Ja, zo heet ik.
Stem: Ja, de beschrijving die Bastian me gegeven heeft, past op jou.
Thomas: Bastian? Weet jij... weet jij dan misschien iets van eh... Chantal Tessier?
Stem: Tessier? Nee. Ik ken alleen die Bastian Fabre. Hij heeft me drie goudstukken gegeven om je een brief te bezorgen. O, maar ik moet als de bliksem maken dat ik wegkom, want daarginds, daar komt onze sergeant-majoor. Nou, hier... pak aan. (loopt snel weg)
Thomas: Een brief... van Bastian... (opent de brief)
"Marseille 5 februari 1943. Beste ouwe Pierre. Ik weet eigenlijk helemaal niet hoe ik deze brief moet beginnen. Misschien lig jij, terwijl ik schrijf, de viooltjes al van onderen te bekijken. In de laatste weken heb ik zo'n beetje rondgescharreld en een vent ontmoet de van twee walletjes eet. Hij werkt voor de Résistance en voor de Duitsers. Die wist me te vertellen wat er in Parijs allemaal met je gebeurd is, en nu word je ergens in de buurt van Berlijn opgeleid tot parachutist. In Montpellier heb ik een Duitse soldaat leren kennen die te vertrouwen is. Bovendien heb ik hem gestiekt. Hij moet naar Berlijn, en ik geef hem deze brief mee.
Chantal heeft twee brieven van je ontvangen, maar we konden je niet terugschrijven, want we hadden niemand om een brief over te brengen. Pierre, je weet hoe graag ik jou mag. Daarom valt het mij erg moeilijk om je te schrijven wat er hier allemaal gebeurd is. De 24ste januari gaf de Duitse Kommandantur bevel de Oude Havenwijk te ontruimen. Die dag hebben ze in onze buurt om en nabij de 6000 mensen gearresteerd. Je kent er heel wat van. En over de 1.000 kroegen en bordelen gesloten. Man, man, wat hebben die meiden gevochten! De Duitsers gaven ons maar vier uren de tijd om onze huizen te ontruimen. Daarna verschenen onmiddellijk hun demolitieploegen.
Chantal, de Paardenpoot en ik zijn tot het laatste toe bij elkaar gebleven. Chantal leek wel bezopen! Af en toe dacht ik dat ze cocaïne had gesnoven. Ze had maar één idee: de Kaalkop afmaken. Je herinnert je toch Dantes Villeforte? Dat vervloekte zwijn is degene die jou aan de Gestapo verraden heeft.
Bastian: Die avond wachtten we hem dus op in een poort in de rue Mazenod, tegenover het huis waar die woonde. We wisten dat ie zich verborgen had in de kelder. Chantal zei: "Nu de Duitsers de huizen gaan opblazen, moet ie er wel uit komen." De Duitsers dreven een troep meisjes voor zich uit. Ze verzetten zich en beten en krabden waar ze maar konden. De meisjes van madame Yvonne. En ja, daar kwam hij ook, de Kaalkop. Hij zag ons staan en wist wat dat betekende. Chantal nam haar machinepistool, maar aarzelde omdat er meisjes in het schootsveld stonden. En, Pierre, dit aarzelen kostte haar het leven. Beschut door de meisjes schoot de Kaalkop z'n pistool op d'r leeg. Zonder geluid zakte Chantal in elkaar en sloeg tegen de grond.
De Paardenpoot en ik slaagden erin om via het riool de Ouwe Wijk te ontvluchten. Ik ben nou ondergedoken in Montpellier. Als je ooit hierheen komt, vraag dan naar mij bij Mademoiselle Duval, Boulevard Napoléon, 12. Ja, Pierre, onze lieve Chantal is dood. Ik weet wat jullie voor mekaar betekenden. Je weet ook dat ik je vriend ben, en daardoor even wanhopig als jij. Zullen we mekaar ooit nog terugzien? Het ga je goed, ouwe jongen. Ik voel me beroerd. Ik kan niet verder schrijven. Bastian." Bastian.
Thomas: Chantal... Lieve, lieve Chantal... Als ik deze waanzin overleef, en als ik die Dantes Villeforte ooit tegenkom, dan zal ik je wreken, Chantal, dan zal ik je wreken!
(4 april 1943, 00:28 uur, in een vliegtuig tussen Limoges en Clermont-Ferrand)
Stem: Nog 30 seconden, dan gaat de container met de zender. 5 - 4 - 4 - 2 - 1... Nu! 30 seconden voor de sprong. Klaar?
Thomas: Klaar!
Stem: 5 - 4 - 3 - 2 - 1... Nu!
Thomas: (in de lucht) Tjonge tjonge, als ik dat nog 'ns op m'n Londense club vertel, dan laten ze me meteen naar het gekkenhuis brengen. Bijna vier jaar leef ik nou tussen die waanzinnige troep. Nou ja...
Thomas: Good evening, eh...
Vrouw: Hoeveel konijntjes spelen er in de tuin van mijn schoonmoeder?
Thomas: Twee witte, elf zwarte en een gevlekte. Je moet zo gauw mogelijk bij Fernandel komen. De kapper wacht u reeds.
Vrouw: Houdt u van Tsjaikofski?
Thomas: Nee, ik geef de voorkeur aan Chopin.
Vrouw: Dat is voldoende. Welkom, Captain Everett.
Thomas: Waar is de parachute met de zendapparatuur?
Vrouw: Al in veiligheid gebracht.
Thomas: Ach!
Vrouw: Laat ik even mijn vrienden voorstellen: dit is Robert Cassier, de burgemeester van Crozant. Dit is luitenant Bellecourt en dat daar is émile Rouff, pottenbakker uit Gargilesse.
Thomas: En u bent Mademoiselle eh...
Vrouw: Yvonne Deschamps, assistent van professor Debouché.
Thomas: De beroemde natuurkundige?
Deschamps: Inderdaad, ja.
Thomas: En waar brengt u mij naar toe?
Deschamps: Naar de professor.
Thomas: Ah.
Deschamps: Hij verwacht ons in de Moulin Gargilesse. In de dorpen zit er te veel Vichy-militie.
Thomas: Wie is de marconist van uw groep?
Deschamps: Ik.
Thomas: Goed! 'k Zal u uitvoerig met de apparatuur op de hoogte brengen.
Deschamps: Graag.
Thomas: Maar ik eh... zou het nu wel op prijs stellen te vertrekken.
Deschamps: Natuurlijk.
(In de molen te Gargilesse)
Thomas: De code is u dus duidelijk, mademoiselle Deschamps? De code berust op het verschuiven van letters en het vervangen van letters door lettergroepen. We hebben nou een uitvoerig rapport opgesteld voor Londen, waarin onder andere een opsomming wordt gegeven van de wapens die in het bezit van uw groep zijn, maar waarvoor de munitie ontbreekt. En u hebt het rapport zonder hulp mijnerzijds en zonder fouten overgebracht in code. We zullen nu de zenders inschakelen. 't Is nu vijf minuten voor twee, klokslag twee verwacht Londen ons eerste bericht. U meldt zich altijd en onveranderlijk als "Nightingale 17", en u roept op: kamer 231 van het War Office. Daar zit Kolonel Buckmaster van onze Special Operation Branche. Ga uw gang, mademoiselle Yvonne. Nog tien seconden, 5-4-3-2-1, nu!
Deschamps: (seint in morse)
Thomas: De tekst die door Yvonne werd uitgezonden vanuit een oude molen aan de oever van de Creuse werd opgevangen op een zolderkamer van Hotel Lutetia, 't hoofdkwartier van de Abwehr in Parijs. Korporaal Schlumberger zat aan het ontvangtoestel en noteerde de punten en strepen die in z'n koptelefoon klonken.
(Hotel Lutetia, Parijs)
Schlumberger: Ja!! Daar zijn ze dan. Leg die blotewijvenplaatjes nou 'ns even weg, Fritz. D'r is werk aan de winkel.
Fritz: Wel ja... Nog een paar van die rotklussies en we hebben de overwinning in onze zak.
Schlumberger: 't Gaat als gesmeerd. Precies dezelfde tekst die de Sonderführer Lieven ons heeft gegeven.
Fritz: Zeg, zouden ze in Londen niet mee kunnen luisteren?
Schlumberger: Nou, daar zullen ze 'n hele toer aan hebben bij de frequentie waarop dit ding is afgesteld.
Fritz: (geeuwt) Oy, Karl, heb jij wel 'ns een negerin gehad?
Schlumberger: Hou toch je kop!
Fritz: Als wij Duitsers meer belangstelling hadden voor vrouwen, hielden we minder tijd over om oorlog te voeren.
Schlumberger: Flauwekul. Een kind snapt dat we deze rotoorlog nooit meer kunnen winnen.
Fritz: Nee, natuurlijk niet.
Schlumberger: Waarom maken ze d'r geen eind aan, die stinkgeneraals! Ah, ze zijn klaar. Dan is hier ons antwoord. "Wij komen terug". (seint) Zo! Nou een ogenblikje wachten om de spanning d'r in te houden.
Fritz: Ik vraag me af waarom ze d'r geen streep onder zetten, die stinkers.
Schlumberger: Ach man, dat kunnen ze toch niet. Dan zet Hitler ze immers allemaal tegen de muur.
Fritz: Hitler! Ach man, Hitler, dat zijn wij toch bij mekaar? Wij hebben 'm gekozen en "Heil Hitler" geschreeuwd. Jonge jonge, wat zijn we met mekaar een kaffer geweest. We hadden een beetje minder moeten geloven, en een beetje meer moeten nadenken.
Schlumberger: Gelijk heb je. Nou, we hebben lang genoeg gewacht. Ze krijgen de tekst die die gekke Lieven ons heeft opgegeven. Codeer jij even, Fritz.
Fritz: Ja ja.
Schlumberger: Hier komt ie. "Van kamer 231 War Office Londen aan Nightingale 17 - hebben u goed ontvangen - heten u welkom als lid van onze special branche - meldt u vanaf heden dagelijks op zelfde tijd om instructies te ontvangen - captain Everett wordt heden 4 april 1943 omstreeks 18 uur op de bekende plek door ons per machine afgehaald - leve Frankrijk - leve de vrijheid - Buckmaster - einde."
Thomas: Ja, het begon zo aardig en veelbelovend. In het begin stuurde ik het Maquis Crozant instructies waarmee ik ze aan het lijntje hield. Maar Nightingale 17 wenste tot daden over te gaan. Ze eisten munitie voor hun wapens. Daarop dropte de Duitse bemanning van een buitgemaakt Engels vliegtuig in een warme meinacht boven het bos tussen Limoges en Clermont-Ferrand vier kisten munitie. Die munitie had slechts één fout: hij paste qua kaliber niet in de wapens waarover het Maquis Crozant beschikte. Dit veroorzaakte eindeloos heen en weer gesein. Kolonel Buckmaster betreurde de gemaakte fout en zegde toe dat deze hersteld zou worden zodra passende munitie voorhanden was. Tevens gaf kolonel Buckmaster opdracht levensmiddelenvoorraden aan te leggen. Het was bekend dat de bevolking van die ontoegankelijke gebieden honger leed. En mensen die honger lijden kunnen gevaarlijk worden. Desondanks hoorde overste Werchte in begin juli via de marconist van het Maquis Limoges, die in dienst van de Abwehr stond dat het Maquis Crozant de buik vol had van Kolonel Buckmaster en van Londen. Een zekere Yvonne Deschamps hitste de mannen op. Stond hun groep werkelijk in verbinding met Londen? Die zogenaamde captain Everett had ze eigenlijk nooit volledig vertrouwd, en die piloot van de Royal Air Force, die hem was komen ophalen, nog veel minder: die vent had gesalueerd als een Mof, met de palm van z'n hand naar binnen.
Brenner: Ik moet u eerlijk vertellen dat ik d'r hoe langer hoe minder van begrijp, overste. Al maandenlang werpen buitgemaakte Britse vliegtuigen met Duitse piloten aan het stuur boven het gebied van Crozant buitgemaakte Britse conserven, Britse medicamenten, whisky, sigaretten en koffie af. Wij drinken nagemaakte Pernod, en de heren partizanen echte whisky. 'k Rook van armoe de grootste rommel, maar de partizanen de fijnste Engelse tabak. We zitten die kerels gewoon vet te mesten, da's toch waanzin! Dat toch je reinste waanzin, overste.
Werthe: Nee, dat is geen waanzin, Brenner. Lieven heeft gelijk. Dit is de enige mogelijkheid om die mensen te verhinderen gevaarlijk voor ons te worden. Als ze nu eenmaal een jaar spoorlijnen en elektrische centrales hebben opgeblazen, stuiven ze naar alle kanten uit elkaar en krijgen we d'r nog niet eentje te pakken.
Thomas: Helaas blijkt het op de duur onvoldoende om hen rustig te houden, overste. Er rest ons nu nog maar één mogelijkheid.
Werthe: En die is?
Thomas: Wij moeten Nightingale 17 opdracht geven tot een echte en ernstige sabotagedaad.
Werthe: Wat?!
Thomas: Wij moeten inderdaad een brug, één spoorlijn of één elektrische centrale opofferen om talrijke elektrische centrales, bruggen en spoorlijnen te redden.
Brenner: Gek geworden! Sonderführer Lieven is gek geworden!
Werthe: Hoor 'ns, Lieven, alles heeft z'n grenzen. In ernst, wat verlangt u van mij?
Thomas: Ik verlang een brug van u, overste. Vervloekt nog aan toe, er zal in Frankrijk nou toch wel één brug zijn die we desnoods kunnen missen?
Brenner: Mag ik zo vrij zijn d'r op te wijzen dat ik altijd tegen deze man gewaarschuwd heb, overste. Hij is werkelijk niet helemaal normaal.
Werthe: Deze man is net zo normaal als u en ik, Brenner. En zijn bestrijdingsmethode van de partizanen is de beste van allemaal gebleken. In Frankrijk hebben verzetslieden alleen al de laatste maand 243 moorden, 391 aanslagen op spoorlijnen, 825 industriële sabotagedaden gepleegd. Slechts in één gebied heerst er rust: in Gargilesse. Zijn gebied.
Brenner: Ja ja...
Thomas: Wil dat zeggen dat ik mijn brug krijg, overste?
Brenner: Ja, waarom sta je zo hardnekkig op die brug, Lieven?
Thomas: Omdat ik ervan overtuigd ben, overste, dat tal van mensen, Duitsers en Fransen, die anders zouden moeten sterven, in leven zullen blijven als ik die brug vind.
Werthe: Tja, Lieven, maar denk je nou heus dat we toestemming zullen krijgen om een brug waaraan niets mankeert...
Thomas: Overste, ik weet toevallig uit heel goeie bron dat er aan de Pont Noir bij Gargilesse heel veel mankeert. Er vertonen zich scheuren in van meer dan een meter lang. Iedere tank die eroverheen rolt, kan het ding in elkaar laten zakken. Gebeurt dat, dan wordt de stroomdistributie gestoord. Daarom overweegt de Organisation Todt al de brug zelf op te blazen, na tijdig voor omschakelingen en aftakkingen te hebben gezorgd. Als wij nou 'ns het volgende zouden doen...
(30 juli, 1940, Hotel Lutetia, top floor)
Raddatz: Achtung! Heil Hitler, Herr Sonderführer!
Schlumberger: De korporaals Raddatz en Schlumberger melden zich als radiowacht, Herr Sonderführer.
Thomas: Heil Hitler, sufkoppen... Londen al gehoord?
Schlumberger: Jawel, Herr Sonderführer. Ogenblik geleden.
Thomas: En?
Raddatz: Nou, dat gaat goed, hoor, Herr Sonderführer. In Rusland krijgen we onze mieter aan het Ladogameer, en in het Oeralgebied worden we teruggeslagen. En de Italiaantjes krijgen op Sicilië net zoveel op hun sodemieter als ze maar lusten.
Thomas: Ja, ja! Und die Herrschaften in Berlin nog maar steeds een grote smoel hebben.
Raddatz: Ja...
Thomas: Enfin, eh... overste Werchte en Hauptmann Brenner kunnen ieder ogenblik hier zijn. Misschien mag ik jullie verzoeken intussen dit berichtje in code over te brengen?
Raddatz: Komt voor mekaar.
Thomas: Ja?
Raddatz: "Aan Nightingale 17 - RAF-bommenwerper zal 1 augustus tussen 23:00 en 23:15 in vierkant 167-MT containers met springstof afwerpen."
Thomas: Correct.
Thomas: "Deze moeten tot ontploffing worden gebracht om precies 0:0 onder de Pont Noir tussen Gargilesse en Eguzon". Zeg ik het zo goed?
Thomas: Ja.
Thomas: "Tijdstip nauwkeurig aanhouden - veel geluk - Buckmaster - einde".
Thomas: Juist.
Raddatz: Tjonge jonge jonge. Het wordt steeds gekker. Zo winnen we de oorlog toch nog als we nu opletten. Dacht je niet, Karl, hè?
Schlumberger: Ik geef het op.
Thomas: Ach nee, dat moet je niet doen, zeg. Zet nou maar liever dat bericht in code.
Raddatz: Herr Sonderführer heeft natuurlijk weer zo'n geintje, Karl. Die Pont Noir is natuurlijk een of andere kleine snertbrug, zo'n vlondertje over een beekie. Voel je 'm?
Thomas: Eh... die brug, beste jongens, die voert over de Creuse naar Route Nationale 20, en is één van de belangrijkste bruggen in Midden-Frankrijk. Hij ligt voor Eguzon. Daar bevindt zich de stuwdam van de elektrische centrale die het grootste gedeelte van Midden-Frankrijk van stroom voorziet.
Schlumberger: Ja ja ja.
Raddatz: En die moet uitgerekend de lucht in?
Thomas: Als het effe kan wel, ja. 't Heeft lang genoeg geduurd eer ik het voor elkaar ...
Thomas: De 1ste augustus 1943 wierp om 23:10 een door de Duitsers buitgemaakte Britse bommenwerper boven vierkant 167-MT een grote container met buitgemaakte Britse plastic springstof af. Op de 2de augustus 1943 verscheen in de elektrische centrale te Eguzon een zekere Heinze, een architect van de Organisation Todt te Parijs, en besprak met de leidende Duitse ingenieurs in alle details de gevolgen van de noodzakelijke maatregelen die uit een opblazen van de brug bij de stuwdam voortvloeiden. Op de 3de augustus verscheen diezelfde Heinze bij de commandant van een landweerbataljon, legde hem geheimhouding op, en prentte hem in dat alle Duitse wachtposten de 4de augustus tussen 23:15 en 0:30 uit de buurt van de Pont Noir moesten blijven. Op de 4de augustus vloog de Pont Noir om 0:0 volgens plan met een enorm lawaai in de lucht. Er werd niemand bij gedood, er werd zelfs niemand bij gewond. Op de 5de augustus zaten de korporaals Schlumberger en Raddatz in Hotel Lutetia te zweten achter hun apparatuur. Achter hen stonden overste Werchte, Hauptmann Brenner en mijn persoon.
Schlumberger: Hij is precies op tijd. Hé... wat krijgen we nou? 't Is vandaag niet het meisje dat seint. Eén van die kerels zit aan de sleutel. Fritz, begin jij vast te decoderen.
Raddatz: "Opdracht Pont Noir uitgevoerd - gehele brug door opblazen tot instorting gebracht - twintig man rechtstreeks aan operatie deelgenomen - luitenant Bellecourt voor uitvoering been gebroken - ligt bij vrienden in Eguzon - hier seint émile Rouff - professor Debouché en Yvonne Deschamps zijn in Clermont-Ferrand..."
Thomas: Waarom noemt die stomme idioot daarginds al die namen?)
Brenner: Waarom lees je niet door, Fritz? Wat is er aan de hand?
Raddatz: Tja, ik eh... Nou, niks, kapitein.
Brenner: Geef jij dat papiertje maar eens hier, kerel! (leest) Moet u luisteren, overste! "Verzoeken generaal De Gaulle van actie op de hoogte te brengen en hem onze belangrijkste en dapperste medewerkers te noemen - lof en onderscheidingen belangrijk voor moreel..."
Thomas: Dat kan toch niet waar zijn!)
Brenner: "- en de voornaamste verdienste komt na uitvallen luitenant Bellecourt toe aan Cassier, burgemeester van Crozant - en na hem aan émile Rouff uit Gargilesse - verder werkten mee..."
Schlumberger: Wat een sufferd!
Brenner: Hou jij je kop dicht, kerel, en neem op. En als je ook maar één enkel woord mist, stuur ik je naar het Oostfront. Hè, heb ik u destijds niet 'ns horen zeggen, Sonderführer Lieven, dat je dat gebroed nooit te pakken kreeg, omdat je de echte namen en adressen niet te weten kon komen? Hè! Nog even, dan hebben we ze.
Thomas: Tjaa...
Thomas: De ijdele idioten... Ik dacht altijd dat alleen wij Duitsers zo waren, maar de Fransen zijn geen haar beter. Voor niks, alles voor niks...)
Werthe: Meneer Lieven?
Thomas: Overste?
Werthe: Wees zo goed dit vertrek te verlaten.
Thomas: Overste, ik verzoek u te bedenken... Ach nee, dat heeft toch ook geen zin. (verlaat de kamer)
(Restaurant Henri's, in de rue Clement Marot)
Schlumberger: We dachten wel dat u bij Henri zou zitten. Fijn dat u op ons gewacht hebt.
Thomas: Ja, ik wist dat jullie afgelost zouden worden en eh... ik was nieuwsgierig.
Schlumberger: Zevenentwintig namen hebben ze.
Raddatz: En die zevenentwintig zorgen wel voor de namen van de rest.
Thomas: Ja, en toch moesten we zoals gebruikelijk samen maar een hapje eten, jongens. Eh... Henri! Iets lichts had ik gedacht, hè. 't Is al laat, en ik moet m'n kalmte zien te herwinnen.
Henri: Monsieur?
Thomas: Ah, bonsoir Henri.
Henri: Bonsoir.
Thomas: 'ns Even kijken. Eh... lamsnierbroodjes zou 'k zeggen, hè?
Henri: Mm.
Thomas: En dan zeetong à la Grenoble, en eh... 'n flesje Sanserre? En abrikozenpannenkoeken toe.
Henri: Merci, monsieur.
Schlumberger: Brenner heeft Berlijn gebeld. Op z'n laatst morgenvroeg wordt het zaakje daarginds opgerold. Wat er met die mensen gaat gebeuren, is natuurlijk duidelijk.
Thomas: Ja. Nu leven ze nog, maar... morgen worden ze gearresteerd, en binnenkort zijn ze dood.
Raddatz: Domme nog aan toe, zeg! Heb ik me vier jaar lang weten te drukken, geen mens heb ik hoeven doden, niet één. En nou... Een rotgevoel nou ineens medeschuldig te zijn.
Thomas: Wij hebben hier geen schuld aan. Jullie althans niet. Maar ik, ingesponnen in een net van leugens, bedrog en arglist, ik... ik kan me nauwelijks onschuldig achten.
Schlumberger: Maar het is ook uitgesloten dat we partizanen helpen die onze mensen neerschieten.
Raddatz: Ja.
Thomas: Ja, dat is uitgesloten. Wat moet een mens eigenlijk doen om fatsoenlijk te blijven?
Raddatz: Ja... Ik weet het niet meer.
Thomas: En toch... D'r is nog één mogelijkheid!
Schlumberger: Wat bedoelt u?
Thomas: De mogelijkheid iets te doen en toch een fatsoenlijk mens te blijven. Wacht hier op me, jongens, ik moet even telefoneren.
Het recept is niet uitgeschreven.