Deel 9 - Het kan niet altijd kaviaar zijn
Doenja maakt haar entree.
Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.
Beluister deel 9 en lees het script op deze pagina mee.
Selecteer een deel.
De rolverdeling van deel 9.
| Luc Lutz | Thomas Lieven |
| Hans Veerman | Bastian Fabre |
| Martine Crefcoeur | Christine Troll |
| Lies de Wind | Emma Brenner |
| Donald de Marcas | Bill Fillips |
| Jan Wegter | Mannenstem |
| Frans Kokshoorn | Kolonel Blackstone |
| Bert Dijkstra | Walter Lippert |
| Bep Westerduin | Zwarte Lucy |
| Pieter Groenier | Captain Wallace |
| Willy Brill | Mevrouw Lippert |
| Huib Broos | Gregor Marek |
| Hans Hoekman | Overste Melanin |
| Sacha Bulthuis | Doenja Melanin |
| Dick Scheffer | Reuben Akasian |
| Dolf de Vries | Johannes Simmel |
| Ad Hoeymans | Smith |
| Ad Hoeymans | Obersturmbahnfuhrer Rahl |
| Auteur: | Johannes Mario Simmel |
| Bewerking: | Dick van Putten |
| Regie: | Hero Muller |
| Omroep: | AVRO |
| Dit deel is uitgezonden op: | 17-05-1979 |
Het script van deel 9.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
Thomas Lieven: Ja, en dan moet ik u nu een bekentenis doen, m'n beste luistervrienden en -vriendinnen. Ongaarne, maar... ik-ik kan er met geen mogelijkheid onderuit. Nog nooit heb ik mij onnodig bedronken. Nou, dat kunt u zelf getuigen. Maar die 16de juli 1946 bedronk ik mij in de villa van Hitlers liefje zaliger als nooit tevoren. En alleen uit de ontstellend hoge promillage valt te verklaren wat mij in die catastrofale toestand overkwam. Misschien had Bastian beter op mij moeten letten, maar die interesseerde zich die avond alleen maar voor een aantrekkelijk roodharig dienstertje. Na het diner, dat ik werkelijk voortreffelijk had verzorgd, nam de stemming toe, evenals het aantal lege flessen. Ik was in gezelschap van een aantrekkelijk zwartharig en zwartogig Duits meisje, Christine Troll geheten.
(pianomuziek)
Christine: U kijkt wat somber, meneer Lieven. Verveelt mijn gezelschap u soms?
Thomas: Oho! Integendeel, juffrouw Troll! Integendeel...
Christine: Maar wat is er dan?
Thomas: Ach, nou heb ik me zo'n moeite gegeven met die parmezaanpudding, en niemand die er wat gezegd heeft.
Christine: O, maar die pudding was zalig!
Thomas: Ja? Ja?
Christine: Zoiets heerlijks heb ik nog nooit gegeten.
Thomas: Ah, u... u bent een schat, juffrouw Troll. Dank u, dank u. Maar... 't zelfde was 't geval met m'n reerug.
Christine: Nou, maar die was toch ook fantastisch!
Thomas: Ooo...
Christine: Nou, u bent gewoon een genie. Was dat nou een speciaal recept?
Thomas: 't Is m'n eigen recept! 'k Heb het "Reerug à la Baden-Baden" genoemd, ter herinnering aan de... aan de mooie uren die ik daar heb gehad.
Christine: O, die moeten dan wel erg mooi geweest zijn.
Thomas: Mmmmm. Vertelt u 'ns iets over uzelf, juffrouw Troll.
Christine: (zucht)
Thomas: U werkt als secretaresse bij een of ander dienstonderdeel niet?
Christine: Ja, ja.
Thomas: Ja?
Christine: Ja, maar eigenlijk heb ik geen .?.
Thomas: Aaaah!
Christine: Ja, mijn ouders hebben hier in München nog een kleine fabriek van cosmetische preparaten gehad.
Thomas: Wat bedoelt u "met gehad"?
Christine: Ach, ze zijn dood.
Thomas: O, dat... Sorry!
Christine: Ja, en de fabriek is leeggeplunderd. Ik was destijds niet hier.
Thomas: 't Spijt me werkelijk, juffrouw Troll.
Christine: Als ik nou maar iemand kon vinden die bereid was mij wat geld ter beschikking te stellen... Het zou niet eens veel hoeven te zijn. Je zou net zoveel kunnen verdienen als je maar wilde. De jonge vrouwen zitten te springen om cosmetica.
Thomas: Nou, dat klinkt heel reëel.
Christine: Maar dat is het ook!
Thomas: Wij-wij-wij moeten daar een andere keer beslist over praten.
Christine: Ja.
Thomas: Weet u wat? Ik kom u morgen opzoeken.
Christine: Ah!
Thomas: Misschien interesseert die fabriek van u mij wel.
Christine: Nou, maar dat zou geweldig zijn!
Thomas: Afgesproken. Maar dan moet u me nu beslist even excuseren, juffrouw Troll.
Christine: Ja...
Stem: Meneer Lieven, nietwaar?
Thomas: Eh, ja...
Stem: Mijn naam is Smith, meneer Lieven.
Thomas: Oh.
Smith: Onze gemeenschappelijke vriend Kurt Westenhoff heeft mij op u attent gemaakt.
Thomas: Ja, ik... ik vrees dat ik weinig tijd heb, meneer Smith...
Smith: Even maar.
Thomas: Ja.
Smith: Ik weet dat u geen Nazi bent geweest, maar dat u er wel veel hebt gekend. U zou ons kunnen helpen.
Thomas: Eh, nee, nee nee, dank u, beslist niet, nee.
Smith: Lieven, dit is uw land. Ik blijf hier niet eeuwig, U misschien wel. Als we nu niet goed oppassen, sluiten we de verkeerden op, en laten we de verkeerden vrij rondlopen.
Thomas: Best...
Smith: En dan begint alles weer opnieuw.
Thomas: Best mogelijk, maar desondanks wil ik niets met geheime diensten te maken hebben, nooit meer. Excuseert u mij, meneer Smith?
Bastian: Pierre! Pierre, wakker worden! Je ontbijt! 't Is half twaalf... Pierre! Asjeblieft.
Thomas: Uh, eh... Ah... O, m'n kop. Ah... 't is net of er een pneumatische hamer in zit... Hé..., wat is dat? Wat moet dat meisje daar?
Bastian: Nou, hoe moet ik dat weten.
Thomas: Ja, wat is er gebeurd? Hoe komt zij hier?
Bastian: Ja, dat moet je mij niet vragen!
Christine: (zucht) Mmm...
Thomas: Voorzichtig! Waren... waren wij al thuis toen jij kwam?
Bastian: Ja, jazeker. En je snurkte als een hele compagnie.
Thomas: Nee toch...
Bastian: Een beetje bezopen zeker, hè?
Thomas: En hoe! Man, van de laatste acht-negen uren kan ik me geen barst herinneren, maar dan ook niets.
Bastian: .?. een zonde
Thomas: Hou je kop! Zet dat blad maar weg, ik moet maken dat ik verdwenen ben voor ze wakker wordt.
Bastian: Okay.
Thomas: Ja, misschien is zij ook wel dronken geweest, en dan kan ik haar een pijnlijke situatie besparen.
Christine: (schrikt) Oh! Wat is dat? Waar ben ik? (schrikt) M'n kleren!! O, dat is afschuwelijk! Meneer, wie... wie bent u als ik vragen mag?
Thomas: Mijn eh... naam is eh... Lieven, Thomas Lieven.
Christine: En-en-en wie is die meneer?
Thomas: Da's mijn bediende, Bastian Fabre.
Christine: Oh.
Bastian: Goede morgen, mademoiselle...
Thomas: Dank je.
Bastian: Oh!
Thomas: Bastian, je kunt gaan.
Bastian: Ja!
Christine: Maar... maar hoe-hoe-hoe ben ik hier gekomen?
Thomas: Eh... ik eh... (Bastian sluit de deur achter zich) Ik weet het niet.
Christine: Ja, maar dat moet u zich toch herinneren?
Thomas: Ik-ik... ik herinner mij totaal niets. En u?
Christine: Nee! Nee, ik ook niet.
Thomas: Mooi is dat.
Christine: Meneer Lieven...
Thomas: Eh... onder de gegeven omstandigheden kunt u vermoedelijk rustig Thomas tegen mij zeggen.
Christine: Nee! Nee, ik-ik... ik hou me liever bij u. Onder de gegeven omstandigheden is er voor ons maar één mogelijkheid, meneer
Thomas: wij gaan uit elkaar, en wij zien elkaar nooit weer.
Thomas: Neem me niet kwalijk, eh... maar waarom?
Christine: Omdat ik een fatsoenlijk meisje ben, meneer Lieven. Zoiets is me nog nooit overkomen.
Thomas: Mij ook niet, eh.. (kucht) Ik stel een minnelijke schikking voor. Wij praten d'r niet meer over, en wij eh... we zetten uw cosmeticafabriek opnieuw op.
Christine: Dus dat herinnert u zich wel?
Thomas: Ja... ja, dat was nog niet zo laat op de avond.
Christine: Nee, nee...
Thomas: Tijdens het feest in de villa van wijlen Eva Braun hebt u mij verteld dat u geld nodig had om die fabriek weer op gang te brengen.
Christine: Ja.
Thomas: En ik heb beloofd u dat geld te verschaffen, en... ik houd me aan m'n woord. Wat u aan kapitaal nodig hebt, dat staat tot uw beschikking.
Christine: Meneer Lieven, dat kan ik natuurlijk onder geen voorwaarde aannemen.
Thomas: De 15de augustus 1946 werd in de cosmeticafabriek Troll een begin gemaakt met de productie. Met een paar krachten, en onder zeer moeilijke omstandigheden. In september ging het al beter. Door mijn relaties met de Amerikanen lukte het mij om behoorlijke hoeveelheden grondstoffen te verkrijgen die voor de productie onontbeerlijk waren. In oktober vervaardigde de fabriek al zeep, huidcrème, toiletwater, en, als verkoopsstunt, een beauty milk die enorm veel aftrek vond. Christine Troll noemde mij nog steeds hardnekkig. "Meneer Lieven", en ik haar nog steeds "Fräulein Troll".
Bastian: Nou, op het succes van het zakenleven dan maar.
Thomas: Op het succes van het zakenleven, Bastian! Hè? Prosit!
Bastian: Prosit!
Thomas: En op Fräulein Troll. (lacht)
Bastian: Ik ben benieuwd hoe lang dit weer zal duren.
Thomas: Waarom? We doen toch op een volstrekt legale manier zaken?
Bastian: Mm.
Thomas: D'r wordt verdiend. Zo kan het ook. Van nu af aan wordt er geen scheve schaats meer gereden. Ja, met eerlijkheid en ijver om je uiteindelijk veel verder. Als eh... brave lieden, Bastian, hè?
Bastian: (lacht)
Thomas: (lacht ook) Als brave lieden.
Bastian: Ik help het je wensen, maar dat heb ik al zo vaak geprobeerd. Herinner jij je nog... (de deurbel rinkelt)
Thomas: Hé...
Bastian: Wie kan dat nou zijn? 'k Ga wel even open doen. (verlaat de kamer)
Thomas: Wie kan dat zijn? Misschien de charmante Christine? Huh, dat zou leuk zijn.
Bastian: (komt weer binnen) Eh... deze dame wilde u spreken.
Thomas: Hè? Emma
Brenner: Neemt u me niet kwalijk, meneer Lieven, dat ik u niet van tevoren heb opgebeld om te zeggen waarom ik u zo graag wilde spreken. Maar ik was ook zo opgewonden toen ik uw naam las.
Thomas: Waar hebt u mijn naam dan gelezen?
Emma: In het register van het kadaster. Daar werkt m'n zuster. Ik woon zelf met de kinderen nog altijd in Freilassing. Daarheen hebben ze ons in '45 geëvacueerd. Het is er afschuwelijk.
Thomas: Ja, beste mevrouw, wilt u mij niet eerst even uw naam zeggen?
Emma: O ja, natuurlijk, neemt u me niet kwalijk. Ik ben Emma Brenner.
Thomas: Brenner? Bent u dan de... de vrouw van majoor Brenner?
Emma: Ja, meneer Lieven.
Thomas: Ach...
Emma: Hij heeft me uit Parijs zo vaak over u geschreven. Hij was altijd zo enthousiast over u. U hebt mijn man gekend, meneer Lieven. Vond u hem een slecht mens? Heeft ie onrecht begaan?
Thomas: Dat u dat zo vraagt, mevrouw Brenner, kan maar één ding betekenen: dat uw man gearresteerd is.
Emma: Ja, samen met overste Werthe. Die kent u ook.
Thomas: Ja, natuurlijk. Ach... Werthe dus ook?
Emma: Ze zitten al sinds het eind van de oorlog in kamp Mohsburg, en daar zullen ze wel blijven zitten tot ze verhongeren, of doodvriezen.
Thomas: Ja, mevrouw Brenner, probeert u nou kalm te blijven, alstublieft, hè. De...de... de overste Werthe en ook uw man zijn, voor zover ik dat tenminste kan beoordelen, altijd correcte kerels geweest.
Emma: Dank u, meneer Lieven. Kunt u me niet helpen? Kunt U niet proberen mijn arme man en die arme overste Werthe vrij te krijgen?
Thomas: Ja, het zal niet eenvoudig zijn, maar... ik zal zien wat ik kan doen, hè? Laat u in elk geval uw adres hier achter. Zodra ik dan wat meer weet, zal ik contact met u opnemen...
Bastian: ...En nou het zo is gelopen, vind ik het niet meer dan billijk dat die zwijnen ook de andere kant van de bajes 'ns leren kennen.
Thomas: Ja, ik geef het toe, Bastian, je hebt gelijk, maar je moet niet generaliseren. Zwijnen zijn er overal, niet alleen onder de Duitsers, ook onder jouw landgenoten, en de Engelsen, en de Amerikanen, noem maar op! Maar deze Werthe en Brenner hebben altijd geprobeerd een beetje mens te blijven.
Bastian: Ja ja...
Thomas: Ja! Ze hebben vaak genoeg zelf overhoop gelegen met de Gestapo. Maar in '44 werd Canaris afgezet, en kwam de militaire Abwehr rechtstreeks onder Himmler, en werden ze plotseling van Abwehrmannen Himmlermannen, en dat zijn ze gebleven tot ze door de Amerikanen werden gearresteerd.
Bastian: En de Amerikanen maken geen onderscheid: Himmlermannen zijn voor hun SD-mannen. En die laten ze niet los.
Thomas: Overste Werthe heeft mij toen uit de klauwen van de SD gehaald. Was dat niet gebeurd, dan was ik er onderdoor gegaan. Maar de ene dienst is de andere waard, Bastian.
Bastian: Ja, goed... Goed, daar heb je gelijk aan. Nou, eh... zie jij een mogelijkheid dan?
Thomas: Misschien. Die zogenaamde meneer Smith van de Amerikaanse geheime dienst, die wilde zo graag dat ik voor 'm ging werken. Ik zal d'r 'ns een telefoontje aan wagen.
Bastian: Mm, dat betekent dus voorlopig weer het einde van het braveliedenleventje. Wat heb ik je gezegd?
Thomas: Ja, ik kan u zeggen, meneer Smith, dat ik nog 'ns over uw woorden en voorstel heb nagedacht.
Smith: En?
Thomas: U ziet, net als ik, heel scherp wat er in mijn land aan de hand is. De bruine pest is nog lang niet uitgeroeid, integendeel. En het is onze taak d'r op toe te zien dat die niet opnieuw uitbreekt.
Smith: Betekent dat dat u toch voor ons wilt werken?
Thomas: Ja, Maar alleen in die ene bepaalde sector, de fascistenbestrijding. Als u daarmee akkoord gaat, dan zal ik de gevangenkampen afgaan.
Smith: Maar natuurlijk ga ik daarmee akkoord. Kom morgen bij mij langs voor de nodige papieren. En ik zal je een betrouwbare assistent geven, luitenant Bill Philips. Dat lijkt me nuttig voor de introductie.
Thomas: De volgende weken bezocht ik met Bill Philips de interneringskampen Regensburg, Neurenberg-Langwasser, en Ludwigsburg. Ik bestudeerde dagenlang honderden dossiers met foto's van de gevangenen en getikte verhoren, die gestempeld waren door de ondervrager. De stempels waren primitief en eenvoudig na te maken. De bevestiging van de foto's was al even simpel.
Bill Philips: Ik vind dat u in die korte tijd niet over succes te klagen hebt, meneer Lieven. Vierendertig Gestapo-lui, dat is niet mis.
Thomas: Waaronder één ouwe bekende uit Marseille: Haupsturmführer Heinrich Rahl, destijds hoofd van de SD. Meneer was in het kamp leider Ontwikkeling en Ontspanning.
Bill: Wat is daar op tegen?
Thomas: Ach, jullie Amerikanen begrijpen geen bliksem van de mentaliteit van die kerels! De grootste schoften van toen die hebben zich weer in allerlei baantjes gedraaid. In de keuken, de ziekenzaal, de administratie. Ze zijn vertrouwenslieden geworden, en woordvoerders, en... en... en ze trappen weer net zo hard naar beneden als vroeger. Zij zijn d'r weer bovenop.
Bill: Ja, dat moeten ze zelf maar uitzoeken.
Thomas: Niks d'r van zelf, dat doen jullie, Amerikanen. Jullie zijn schijnbaar erg gevoelig voor blonde haren en blauwe ogen en hakkengeklap. Maar van nu af aan zullen we eerst die baantjesjagers maar 'ns onder de loep nemen.
Bill: Morgen Kamp Moosburg. Dan kun u uw gang gaan.
Thomas: De 3de januari werd ik in het kamparchief van Moosburg gebracht en liet men mij alleen met 11.000 dossiers. Ik pikte d'r zo al drie SD-lieden uit aan wie ik heel kwalijke herinneringen had. En natuurlijk vond ik ook de dossiers van majoor Brenner en overste Werthe. Ik bestudeerde de stempels en het gebruikte papier. Net als in de andere kampen: simpel en eenvoudig na te maken. De avond van de 6de januari verliet ik het kamp met onder m'n hemd de beide dossiers.
Ik logeerde in een kleine boerenherberg. Bill Philips had er de voorkeur aan gegeven de avond door te brengen bij z'n collega's in de mess, wat mij zeer goed uitkwam. Ik ging aan het werk volgens het systeem van de geniale vervalser Reynaldo Pereira in Lissabon. En bij het ochtendgloren prijkten de foto's van m'n vrienden op nieuwe dossiers. Ze waren niet langer gemene SD-lieden, maar onbelaste officieren van het Duitse militaire bestuur in Frankrijk. Als hun categorie aan de beurt kwam, was er geen enkele aanleiding ze nog langer vast te houden.
Zonder moeilijkheden lukte het mij de vervalste stukken weer op de juiste plaats in de juiste kast terug te zetten. Mijn taak zat erop. Nog voor het einde van januari 1947 werden Brenner en Werthe uit de internering ontslagen. Een wonderlijke speling van het lot: toen zij d'r uit kwamen, zat ik er weer in. Dat kwam zo. De 23ste januari kwam ik 's avonds terug in München. De villa was donker, en scheen verlaten. Ik opende de deur, en plotseling flitste het licht op.
Stem: Handen omhoog, Lieven!
Thomas: Wie eh... wie bent u?
Stem: Criminal Investigation Department. Je bent gearresteerd. We zitten hier al vijf dagen op te wachten.
Thomas: Ik ben een paar weken weggeweest voor een concurrerende firma.
Stem: Bek houden en meekomen.
Thomas: Een ogenblikje! 'k Wil jullie eerst even waarschuwen. Ik heb veel vrienden bij de CIC. Ik heb die mensen een grote dienst bewezen, ik eis een verklaring. Waarom word ik gearresteerd?
Stem: Ken jij een zekere Bastian Fabre?
Thomas: Ja.
Stem: En een zekere Christine Troll?
Thomas: Ja.
Stem: Die zitten al. Allebei.
Thomas: Maar waarom? Waarom dan toch?
Stem: Lieven, je wordt ervan beschuldigd in opdracht van een Wehrwolf-organisatie een moordaanslag te hebben gepleegd op generaal Linten, in samenwerking met Fabre en Troll.
Thomas: Linten? De Amerikaanse generaal Linten? (lacht) En... en hoe wilde ik die vermoorden, als ik vragen mag?
Stem: Jij wilde 'm in de lucht laten vliegen.
Thomas: (lacht)
Stem: O, dat lachen zal je nog wel vergaan, Lieven. Jullie allemaal trouwens. Jij bent toch fabrikant van cosmetische artikelen, nietwaar?
Thomas: O ja.
Stem: En je fabriceert zogenaamde beauty milk, nietwaar?
Thomas: Ja. En?
Stem: Een verpakking van het moordpreparaat is vijf dagen geleden met enorme kracht ontploft in de slaapkamer van generaal Linten. Gelukkig was er op dat ogenblik niemand in de buurt, maar dat was toeval. Er valt niet aan te twijfelen: jij hebt in de verpakking springstof gedaan. Kijk 'ns aan. nou heb je niks meer te beweren, is het wel? Doe 'm de handboeien aan, boys.
Thomas: Mr. Purnham, voor de elfde maal in drie dagen zeg ik u dat het niks verder van mij verwijderd was dan de bedoeling de geachte generaal Linten op te blazen.
Purnham: U liegt! En dat zeg ik u voor de elfde maal in drie dagen.
Thomas: Ik lieg niet!
Purnham: Luister nou 'ns even, Lieven...
Thomas: Meneer Lieven asjeblieft, hè?
Purnham: Luister goed, meneer Lieven, ik heb mijn buik nu meer dan vol van u. Ik sluit dit verhoor af en laat u in de cel zitten tot u zwart ziet.
Thomas: Ik vind het afschuwelijk voor u dat u zo moet zitten zweten, Mr. Purnham, maar als u uw job wilt behouden, dan zult u toch nog een poosje naar me moeten luisteren, want als u niet naar me luistert en de Amerikanen blijven hun vertrekken net zo oververhitten als dit hier, dan zie ik in de naaste toekomst een hele reeks "Springstofaanslagen".
Purnham: Een hele reeks?
Thomas: Ja, luister nou 'ns goed!! U hebt mij gearresteerd. U hebt mijn vriend Bastian Fabre gearresteerd, u hebt m'n compagnon Christine Troll gearresteerd, en waarom? Wij hebben in de provisorisch herbouwde fabriek van de ouders van mejuffrouw Troll cosmetica vervaardigd.
Purnham: Mm.
Thomas: Ook een beautymilk. Een flesje van deze schoonheidsmelk is nu in de slaapkamer van Generaal Linten uit elkaar gesprongen.
Purnham: Ja, Lieven, ja! En dat is jouw werk, en dat van je Wehrwolfgangsters.
Thomas: Nee, dat is niet mijn werk! Dat is het werk van schimmels en van kooldioxide.
Purnham: Ik word nog krankzinnig.
Thomas: Ja, eer u mij die vreugde bereidt, moet u nog even een belangrijke vraag beantwoorden: deelt de geachte generaal zijn slaapkamer met zijn niet minder geachte echtgenote?
Purnham: Ja, nou wordt hij krankzinnig.
Thomas: Nee, dat wordt ie niet. Ik combineer alleen. Generaalse had een toilettafel in d'r slaapkamer staan, met een spiegel en dergelijke. Die stond naast het raam.
Purnham: Hoe weet u dat!
Thomas: Omdat zich onder de ramen over het algemeen de radiatoren van de centrale verwarming bevinden.
Purnham: En wat zou dat?
Thomas: Weet u, Mr. Purnham, niet voor niks zit er op ieder flesje een etiket met het opschrift "koel bewaren". Maar daar heeft onze geachte mevrouw Linten niet aan gedacht. Ze heeft de beautymilk op haar toilettafel gezet, naast de centrale verwarming, naast de oververhitte centrale verwarming.
Purnham: Ja, begint u nou niet weer!
Thomas: Valt u me nou alsjeblieft niet in de rede. Omdat wij in het begin nog niet steriel konden werken, zijn er met de melk - die beauty milk bestaat tussen haakjes uit citroen, taptemelk en wat lanoline - zijn er met de melk schimmelsporen in het mengsel terecht gekomen. Deze hebben in de warmte kooldioxide ontwikkeld. Dat was een gas. Door het gas is de druk in het inwendige van dat flesje steeds hoger geworden. Net zolang tot op een gegeven ogenblik... Boem! Moet ik nog verder gaan?
Purnham: Ja, smoesjes, leugens. Ik geloof er geen woord van.
Thomas: Enfin..., wacht dan maar af, m'n waarde. 't Zal heus niet lang duren, of bij de volgende generaal explodeert het volgende flesje.
Purnham: Ja, hou uw mond!
Thomas: Bij de Duitse vrouwen die ons middel gebruiken gebeurt er beslist niks. Duitse vrouwen hebben namelijk sinds de laatste oorlogswinter geen andere keus dan hun cosmetica koel te bewaren. (telefoon)
Purnham: (neemt op) Hallo, met Purnham... Allemachtig... Ja, goed, ik ga er meteen naartoe. Maar praat maar niet meer over Wehrwolf of zo. Ik ben erg bang dat we ons daarmee blameren. (legt weer neer)
Thomas: Is er soms weer één van m'n flesjes ontploft?
Purnham: Ja. Op het vliegveld Nobiberg, een kwartier geleden, in de slaapkamer van majoor Roger Ramp. U hebt het gehoord, ik moet er onmiddellijk naartoe.
Thomas: Drie dagen later werd ik voorgeleid voor de provoost-marshall van München. In z'n oververhitte kantoor waren ook Bastian Fabre en Christine Troll.
Blackstone: Meneer Lieven, ik ben kolonel Blackstone. Een chemisch onderzoek van verschillende monsters beauty milk uit de fabriek Troll heeft de juistheid van uw schimmeltheorie bevestigd. In verband hiermee worden Bastian Fabre en u onmiddellijk in vrijheid gesteld.
Thomas: En eh... en juffrouw Troll dan?
Blackstone: Aan de hand van haar vingerafdrukken hebben wij vastgesteld dat Christine Troll onder de naam van Vera Fross meer dan een jaar lang is lid geweest van de beruchte Kaiserbende in Neurenberg.
Thomas: Hè?!
Blackstone: De jeugdige gangsters stalen auto's, overvielen soldaten, en plunderden Amerikaanse villa's leeg. De vrouwelijke leden van de bende drongen zich op aan Amerikaanse officieren die vervolgens met alcohol en slaapmiddelen bedwelmd en dan beroofd werden.
Thomas: Wat...? Wat zegt u daar? Christine, is dat waar?
Christine: Kijk niet zo stom, vent. Waarom dacht je dan dat 'k me aan jou had opgedrongen?
Thomas: Opgedrongen?
Christine: Jazeker, opgedrongen. Toen die affaire in Neurenberg misliep, moest ik onderduiken. Toen heb ik m'n eigen naam weer aangenomen en een baantje gezocht bij de Amis. Tot ik zo'n stommeling tegen het lijf zou lopen als jij, een sufferd die me geld zo geven voor de fabriek.
Thomas: Christine..., wat... wat heb ik je gedaan? Waar... waarom praat je op die manier tegen me?
Christine: Omdat ik kots van jullie allemaal. Alle kerels hangen me de strot uit, Amis en Duitsers. Zwijnen zijn jullie, gemene zwijnen, allemaal.
Blackstone: Bek houden! Zo is het genoeg. Breng haar weg. (Christine wordt de kamer uit geleid) De fabriek, alle inkomsten en de volledige productie zijn natuurlijk in beslag genomen.
Thomas: Ja, maar hoort u 'ns even, alles is niet van haar. De fabriek is weer op gang gebracht met mijn geld.
Blackstone: Het spijt me, meneer Lieven, maar de fabriek staat in het handelsregister alleen op naam van Christine Troll.
Thomas: Oooh...
Blackstone: Ik vrees dat u een heel grote fout hebt gemaakt...
Thomas: Dit is de beloning voor mijn eerlijke poging fatsoenlijk te leven, Bastian: m'n geld, foetsie!
Bastian: Je geld weer foetsie!
Thomas: Had ik nou één of ander truc uitgehaald, hè, dan was ik er vast en zeker rijk mee geworden, zou geprezen en onderscheiden zijn, maar nee, ik, idioot, moest zo nodig op de eerlijke toer. Ik heb nog altijd niks geleerd van m'n ervaringen.
Bastian: Nou, drink je glas leeg, en ik schenk je nog een pastis in.
Thomas: Graag, ja.
Bastian: Ik heb je gewaarschuwd, hè, maar je wilde niet luisteren. Enfin... voor de verandering zijn we bijna weer 'ns failliet. Nou, wat doen we dan? Eh... villa verkopen...?
Thomas: In geen geval. We gaan uranium zoeken.
Bastian: Wat gaan we zoeken?
Thomas: Ja, je hebt het goed gehoord: uranium. Ik heb bij de Amis met een interessante vent in de cel gezeten. Walter Lippert heet ie. Die heeft mij een verhaal verteld...! Ongelooflijk.
Walter Lippert: Ja, daar komt het dan op neer, Lieven. Ik ben schrijver van beroep, antifascist uit overtuiging. 'k Heb jaren in Dachau gezeten, honger geleden, folteringen ondergaan. Bijna verrekt kan ik wel zeggen. In '45 ben ik door de Amerikanen bevrijd. En nu weer door de Amerikanen opgesloten vanwege Zwarte Lucy.
Thomas: Wie is Zwarte Lucy?
Lippert: De grootste zwarthandelaarster van Zuid-Duitsland. 'n Mooie hartstochtelijke vrouw, waar de Amerikaanse officieren in troepen achter aan lopen.
Thomas: Hoe heet die vrouw in werkelijkheid?
Lippert: Lucy? Maria Welner. Ze is gescheiden. Haar meisjesnaam is Feld.
Thomas: En verder?
Lippert: In de oorlog was zij de geliefde van een Gauleiter. Daar heeft ze 'n café aan overgehouden. "De Gouden Haan" heet. Na de oorlog is ze van de Gauleiter, die intussen het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, overgestapt op een zekere Captain William Wallace.
Thomas: En wie is dat?
Lippert: Commandant van een interneringskamp waar allerlei Nazi-bonzen in zitten die ze de aan de Oostenrijkse grens nog net uit de trein hadden gehaald. De heren hadden grote hoeveelheden goud en juwelen bij zich, plannen van geheime, nog niet in gebruik genomen wapens, enorme hoeveelheden morfine, cocaïne en andere verdovende middelen uit legervoorraden. En... blokjes uranium uit het Kaiser Wilhelm Instituut.
Thomas: En waar zijn al die eh... kostbare spullen gebleven?
Lippert: Het goud, de verdovende middelen en de juwelen zijn verdwenen. En ik beweer dat Cpt. Wallace alles in de wacht heeft gesleept!
Thomas: En eh... de blokjes uranium?
Lippert: Die hadden de bonzen, toen ze 't even voor de grens benauwd kregen, door de ramen van de trein naar buiten gegooid. Ze zijn nooit te voorschijn gekomen. Huh, evenmin als de plannen voor de wonderwapens trouwens. Misschien liggen ze nog ergens aan de een of andere bosrand onder de sneeuw. Mm, misschien heeft een boer ze gevonden. Ik weet het ook niet.
Thomas: En eh... wat hebt u met Zwarte Lucy gehad?
Lippert: Toen ik thuiskwam uit het concentratiekamp, hebben de Amis mij aangesteld bij hun Special Branch. (lacht) Omdat ik zo'n geheide anti-Nazi was, een man met een volkomen schone lei. Daar was het mijn taak de bewoners van onze stad te screenen, ze politiek door te lichten. Ongeveer een jaar geleden kwam ook Zwarte Lucy bij me, met Cpt. Wallace.
Lucy: Nou, meneer Lippert, of hoe u heten mag, hoe lang moet ik eigenlijk nog wachten op m'n screeningbewijs?
Lippert: U krijgt geen screeningbewijs. En neemt u onmiddellijk die sloffen sigaretten terug. Bovendien zal ik het op prijs stellen als u van mijn schrijftafel af gaat en een stoel neemt. Wallace: Hoor 'ns even, Lippert, deze dame is mijn verloofde, we willen trouwen. Ik verlang dat u zonder verwijl dat bewijs uitschrijft. Begrepen?
Lippert: Ik denk er niet aan, Captain Wallace.
Wallace: En waarom niet?
Lippert: Omdat deze dame tot de politiek zware gevallen behoort. Ze is jarenlang de geliefde van een Gauleiter geweest. Ze heeft mensen aangegeven en in het concentratiekamp gebracht. Ze heeft zich verrijkt. Bovendien is het algemeen bekend dat ze 't screeningbewijs alleen maar nodig heeft omdat ze 't Bristol Hotel wil overnemen.
Wallace: En wat dan nog? Wat gaat u dat aan? Krijgen we dat bewijs, ja of nee?
Lippert: Nee.
Wallace: Daar zul je spijt van krijgen... Dat laten we niet op ons zitten. Kom mee, Lucy.
Lippert: En Wallace liet het niet op zich zitten. Hij wist te bereiken dat ik gearresteerd werd. Ik zit nu al tweeëntachtig dagen! 'k Ben nog niet één keer verhoord. Mijn vrouw is half gek van zorg en angst. Ze heeft zelfs een brief geschreven naar President Truman, maar d'r gebeurt niets. Ja, toch wel: Zwarte Lucy heeft haar screeningbewijs gekregen.
Thomas: Van wie?
Lippert: Weet ik niet, van de een of ander. Ze heeft massa's vrienden. Inmiddels heeft ze ook Hotel Bristol gepacht. Daar worden nu de grote knoei- en zwendeltransacties afgewikkeld. Tja, zo gaat dat. Daar heb ik me in het concentratiekamp halfdood voor laten slaan. Leve de democratie! Leve de gerechtigheid!
Thomas: En dat was het, Bastian, dat hoorde ik drie dagen geleden.
Bastian: Mm.
Thomas: Je bent nou helemaal weer op de hoogte. Maar voorlopig heb ik m'n bekomst van goeie werken, fatsoen en eerlijkheid.
Bastian: (lacht) Mijn hemel zij dank, 't werd tijd.
Thomas: We gaan een kijkje nemen in het Zuiden, bij Zwarte Lucy. We gaan dat uranium zoeken, en we gaan die verdwenen plannen zoeken.
Bastian: Ja, maar toch niet o-on-onder onze eigen naam?
Thomas: Ja, natuurlijk niet. Ik ga als Peter Scheuner, en jij als Jean Lecocq.
Bastian: Jean Lecocq...
Thomas: Ik zorg wel voor de papieren. En als wij toch bezig zijn, dan zullen wij 'ns zien of we iets kunnen doen voor die arme kerel Lippert. Ik heb het adres van z'n vrouw. We zullen haar 'ns gaan opzoeken.
(21 februari 1947, stadje nabij de Oostenrijkse grens)
Frau Lippert: Meneer Scheuner! Vlug, komt u bij 't raam. Kijk! Aan de overkant van de straat, daar loopt ie, met haar, met... Zwarte Lucy.
Thomas: Ah, is dat nou Cpt. Wallace?
Frau Lippert: Ja...
Thomas: Hé, wat vreemd!
Bastian: Wat?
Thomas: Zie je dat litteken op z'n linkerwang?
Bastian: Nou, wat zou dat? Hij... hij is soldaat geweest.
Thomas: Ja, maar niet bij de gevechtstroepen. Nee, als je 't mij vraagt, zou dat het gevolg kunnen zijn van een Studentenschmiß.
Bastian: Wat is dat?
Thomas: Da's een litteken veroorzaakt door een sabelduel. Eigenaardig... Sinds wanneer duelleren Amerikanen op de wijze die bij Duitse studenten gebruikelijk is?
Bastian: Ja... Die vrouw ziet er uit als een roofdier.
Thomas: Ja, zeg dat wel. Die dame, die heeft tegenwoordig dus het Bristol?
Frau Lippert: Ja.
Thomas: Eh... mevrouw Lippert, ik wil proberen uw man te helpen, maar... daar moet ik alles voor weten. Volgens u heeft het Bristol aan een gevluchte Nazi behoord?
Frau Lippert: Ja.
Thomas: Maar dan is het hotel toch onder toezicht komen te staan van het Property Control Office? Wie is de leider van dat bureau? Weet u dat?
Frau Lippert: Jazeker: Cpt. Hornblower.
Thomas: Bevriend met Cpt. Wallace?
Frau Lippert: Zeer bevriend.
Thomas: Aha... Eh... mevrouw Lippert, u hoort nog van ons. Wij hebben kamers gehuurd bij een boer, even buiten de stad, ik zal u het adres geven. Is het nodig, dan kunt u ons daar elk moment...
(28 februari 1947)
Bastian: We hebben nou een week lang rondgehangen 's avonds en 's nachts in het Bristol. We hebben d'r Zwarte Lucy gezien, en we hebben d'r Cpt. Wallace gezien, maar we zijn nog niets, niets opge...
Thomas: Geduld nou, geduld, beste Bastian, geduld. We hebben d'r nog meer gezien? Hoertjes, soldaten die hun geld kwijt willen, en DP's, Displaced Persons. Maar, wat je d'r vooral ziet: Nazi's, zowel inheemse als vluchtelingen. En dat is voor ons zeer belangrijk, Bastian. De Amis schijnen het niet te weten, maar... wij tweeën, jij en ik, mogen het nooit vergeten! Ons doel heet: uranium en constructietekeningen.
Bastian: Als dat spul d'r nog is tenminste.
Thomas: Naar alle waarschijnlijkheid wel. En ik geloof dat ik een prima manier weet om daar achter te komen.
Bastian: Laat maar horen.
Thomas: Dit gesprekje vond plaats op de 28ste februari. De 19de april bevond zich in ons bezit: een partij van 28 blokjes uranium, gemerkt met het stempel van het Kaiser Wilhelm Instituut te Berlijn; een exemplaar van het geheime richtmiddel MKO bestemd voor jachtvliegtuigen, en de constructietekeningen daarvan. Al heel gauw was het bij de agenten der verschillende mogendheden bekend welke schatten ik in m'n bezit had, en ze kwamen allemaal met hun aanbiedingen.
Het uranium vond een weg naar een land waarvan ik zeker was dat het er geen bommen mee kon maken. Per blokje bracht het 3.200 dollar op, dus totaal 89.600 dollar. Niet gek. Goed pacifist als ik was, had ik de constructietekeningen een tikje gewijzigd, dusdanig dat zelfs de meest geniale technicus zich er het hoofd over moest breken. En... als goed koopman had ik de tekeningen natuurlijk vermenigvuldigd, omdat ik niet van plan was om ze aan één gegadigde te verkopen, maar aan meerdere. Zoals bijvoorbeeld aan de heer Gregor Marek, die wij vaak in het Bristol hadden gezien.
Gregor Marek: Ik vernam toevallig dat u iets te verkopen hebt. Ik heb in Tsjecho-Slowakije goede vrienden, die bereid zijn een goede prijs te betalen.
Thomas: En wat hadden wij te verkopen, naar u had vernomen?
Marek: Eh... bepaalde constructietekeningen van een zeer geheim richtmiddel voor jachtvliegtuigen.
Thomas: Nee, niet alleen de tekeningen, maar ook het model, meneer Marek.
Marek: Onbegrijpelijk dat u dat in handen hebt kunnen krijgen. Ik heb er meer dan een jaar achteraan gezeten, zonder resultaat. Hebt u er bezwaar tegen mij te vertellen hoe u dat gelukt is?
Thomas: Hoegenaamd niet, meneer Marek. Wij hebben de politieke instelling van de bevolking uitgebuit. Er zijn hier ontstellend veel Nazi's. Mijn vriend en ik hebben een paar weken rondgezworven in de omgeving, van Nazi tot Nazi. En we hebben laten doorschemeren dat wij lid waren van een Wehrwolforganisatie.
Marek: Bent u krankzinnig geworden?
Thomas: Helemaal niet, m'n waarde. U ziet hoe goed het heeft gewerkt. We hebben met de inboorlingen en met de nieuwkomers gesproken, als Nazi's onder elkaar. "Waar is het uranium? Waar zijn de tekeningen? Onze organisatie heeft geld nodig, daarom moeten wij dat uranium en de tekeningen verkopen". Nou, dat zagen de heren onmiddellijk in, hè. De een verwees ons naar de ander, en... voilà. monsieur.
Marek: En... u hebt er niets voor hoeven betalen?
Thomas: Geen cent, het waren louter idealisten. (lacht) Enfin, wat willen uw vrienden in het Oosten betalen?
Marek: Ja... dat zal ik eerst moeten overleggen. Weet u wat? Ik heb een idee. Komt u vanavond bij mij eten. Ik heb gehoord dat u zo uitstekend kunt koken. We kunnen dan meteen op ons gemak over uw zaak praten...
(Maandag 6 mei 1947, woning van Marek)
Thomas: Nou, u woont hier niet gek, hè, meneer Marek? Zeg, zijn die Tsjechische vrienden van u zo edelmoedig?
Marek: Haha, die zijn maar bijzaak. Gaat u maar 'ns mee, heren.
Thomas: Natuurlijk... Wij zullen u graag volgen. (ze gaan naar de volgende kamer) Goeie hemel!
Bastian: Zo zo.
Thomas: Wat is dat allemaal?
Marek: Fotoboeken... Fotoboeken uit het Derde Rijk. Kijkt u maar.
Thomas: Hier, kijk 'ns; "Der Führer und die Kinder", "Reichsparteitag in Nüremberg".
Bastian: Je ziet 'm best hier.
Thomas: Ja ja, daar zie je 'm best.
Marek: Ja, dat is nog maar een klein gedeelte. De kelders liggen ook vol! Niet alleen boeken, maar ook SS-dolken, ijzeren kruisen, Hitlerkruisen, doodskopringen...
Thomas: Toe maar...
Marek: Wat u maar wilt. U kunt zich niet voorstellen hoe dat spul de deur uitvliegt. De Amis zijn d'r stapelgek op. Ze nemen de rommel mee naar huis bij wijze van souvenir!
Thomas: En dat legt de heer Marek geen windeieren, hè?
Marek: Nee, nee-nee-nee, zeker niet, nee. En de opbrengst wordt weer omgezet in blikconserven, vlees, en whisky. Ja, en nu we 't daarover hebben... Ik heb een mooie paling kunnen bemachtigen. Kunt u paling in salie klaarmaken? Da's een lievelingsschotel van me...
Thomas: Paling in salie? Ja, maar natuurlijk.
Marek: Ja, vanzelfsprekend nemen we eerst nog een drankje. En wat de zaak betreft, meneer Scheuner, mijn opdrachtgevers zouden één van u beiden graag persoonlijk spreken.
Thomas: Ah.
Marek: Ik heb alles al geregeld. Als u daar naartoe wilt, wordt u opgewacht door een grensbewaker.
Thomas: Uw opdrachtgevers nemen toch niet aan dat ik de plannen al meeneem?
Marek: Nee, natuurlijk niet, natuurlijk niet. En ik blijf hier, bij diegene van u die achterblijft.
Thomas: Nou, daar zullen mijn vriend en ik toch even moeten over beraadslagen.
Marek: Begrijp ik, begrijp ik. Ik zal u enkele ogenblikken alleen laten.
Thomas: Graag, meneer Marek. (Marek verlaat de kamer)
Bastian: Eh... het is het beste dat ik ga. Verlies Marek niet uit het oog. Gebeurt er wat, dan lever je 'm over aan de Amerikanen.
Thomas: Afgesproken.
Bastian: Moet je luisteren. Terwijl jij in gesprek was, heb ik iets gevonden dat jou zal interesseren.
Thomas: Ja?
Bastian: Bekijk dit boek maar 'ns.
Thomas: "Der Führer und seine Geträue".
Bastian: Ja, pagina 24.
Thomas: Ja. (bladert)
Bastian: Ja!
Thomas: Hé! Staffchef der SA Ernst Röhm en z'n Sturmführer Fritz Eder. Allemachtig...! Bastian! Captain Wallace!!
Bastian: Dat heb ik ook gedacht, ja, want die gelijkenis is te groot om toeval te zijn. En zie je dat litteken?
Thomas: Ja! Ja, dit... dit boek is van 1933. Toen leefde Röhm nog. Die is pas in '34 uit de weg geruimd.
Bastian: Mm.
Thomas: Misschien is meneer Eder erin geslaagd te vluchten naar Amerika. 't Zal waarschijnlijk niet al te moeilijk zijn om na te gaan of SA Sturmführer Fritz Eder en Cpt. Wallace één en dezelfde persoon zijn.
Johannes Simmel: Nee, al te moeilijk was dat niet. De CIC had er precies een week voor nodig. Wallace, alias Eder, werd gearresteerd. Naar aanleiding van het onderzoek dat volgde werden ook Cpt. Hornblower en Zwarte Lucy achter de tralies gezet, en werd de schrijver Walter Lippert in vrijheid gesteld. Wallace en Hornblower werden later tot langdurige tuchthuisstraffen veroordeeld.
Zwarte Lucy werd op de 2de juli vrijgelaten en hervatte haar zaak weer alsof er niets was gebeurd. De 23ste december werd zij met afgesneden keel gevonden in haar slaapkamer. Haar moordenaar werd nooit ontdekt. We keren terug naar het voorjaar van 1947. De 9de mei was Bastian Fabre vertrokken naar Tsjecho-Slowakije. Hij zou uiterlijk de 15de mei terug zijn. Maar... hij kwam niet, ook niet na die datum. De 22ste kreeg Marek bezoek van een landgenoot, die hem een brief overhandigde met kennelijk ongunstige tijding.
Marek: O nee! Dat niet!
Thomas: Marek! Als mijn vriend iets overkomen is, dan zal jij wat beleven. Wat is er aan de hand?
Marek: De... Russen...
Thomas: De Russen, wat is daarmee? Zeg op, kerel!
Marek: Ja, de Russen hebben uw vriend gearresteerd.
Thomas: Gearresteerd? Hoe kan dat?
Marek: Ja, het is uitgelekt dat de Tsjechen het richtapparaat wilden kopen. Dat hebben de Russen verboden, ze willen het zelf hebben. Ze hebben uw vriend... opgesloten.
Thomas: Waar?
Marek: In... Zwickau. Uw vriend moet door de Sovjetzone zijn gereisd!
Thomas: Meneer Marek, maakt u zich reisklaar.
Marek: U wilt toch..., u-u... wilt u naar Zwickau gaan?
Thomas: Allicht! Dacht jij dat ik m'n best vriend daar aan z'n lot zou overlaten?
(28 mei 1947, in de morgen)
Stem: De garnizoenscommandant van Zwickau, de overste Melanin, verwacht u. Gaat u binnen.
Kolonel Vassili L. Melanin: Gaspodin, Scheuner. Gaat u zitten.
Thomas: Dank u.
Melanin: We zullen eerst een wodka nemen, dat praat wat makkelijker... (schenkt uit) Nasdarovje, gaspodin.
Thomas: Eh... nasdarovye, Overste.
Melanin: (drinkt) Wel, u willen de Tsjechen het richtapparaat MKO verkopen. Daarvoor hebt u uw vriend hierheen gestuurd. U kunt 'm weer terugnemen naar het Westen als u ons de tekeningen geeft.
Thomas: Verkoopt, bedoelt u.
Melanin: Geeft. Huh... ,betalen doen we niet. Anders bent u toch ook niet op uw achterhoofd gevallen, Thomas Lieven?
Thomas: Wat... wat zei u zojuist, overste?
Melanin: Lieven, zei ik. Thomas Lieven. Zo heet u immers? (lacht) Broedertje, dacht jij nou werkelijk dat wij idioten waren? Dacht je dat onze geheime dienst geen inzage had gehad in de geallieerde dossiers? Onze mensen in Moskou hebben zich doodgelachen om die kunstenmakerij.
Thomas: Ja, als u... als u dan weet wie ik ben, waarom laat u mij dan nog lopen?
Melanin: Huh, wat zouden we met je moeten beginnen, broedertje? Ah, je moet niet boos worden, maar je bent immers een bespottelijk slechte agent.
Thomas: Hartelijk dank.
Melanin: Wij hebben eersteklas agenten nodig, en niet van die komische figuren als jij.
Thomas: Heel attent.
Melanin: Ik heb gehoord dat je wel goed en graag kookt. Mm, ik eet graag en goed. Kom vanmiddag bij mij thuis. Mijn vrouw Doenjasha zal het heerlijk vinden. En onder het eten praten we verder. Is dat geen goed idee?
Thomas: Een uitstekend idee.
Thomas: Een bespottelijk slechte agent, een komische figuur, ja, maar dat moet je je maar laten zeggen. Ach, wat kan een mens in die omstandigheden anders doen? Dus begon in ik de keuken van de overste aan een Cotelette Maréchale. Ik wilde net beginnen een grote kippenbout voor de cotelette te ontbenen toen de deur openging en mevrouw Melanin binnenkwam. Een betoverende en verrassende vrouw, zoals spoedig zou blijken.
Doenja Melanin: Meneer Lieven?
Thomas: Inderdaad. En... dan moet U mevrouw Melanin zijn.
Doenja: Die ben ik, maar noem mij Doenja, Thomas.
Thomas: Pardon?
Doenja: Ik zag je binnenkomen, en ik vond jou meteen al een aantrekkelijk en begerenswaardig man.
Thomas: Maar... maar mevrouw Melanin!
Doenja: Doenja, Thomas, Doenjasha voor jou. Ik wil dat jij me kust, innig, en vurig.
Thomas: Ja, maar...
Doenja: Leg die kippenbout neer, Thomas...
Thomas: 'Tuurlijk, mevrouw.
Doenja: ...en neem me in je armen, en kus me... (een lange kus) Nog meer!
Thomas: Maar... Oh!... Maar..., maar mevrouw!
Doenja: Uh-uh-uh-uh-uh!
Thomas: Eh... Doenjasha.
Doenja: Juist.
Thomas: Uw man? De overste?
Doenja: Mijn man houdt niet meer van mij. Hij slaat mij niet meer, dat is geen liefde... Red mij! Vlucht met me, Thomas! Ik vermoord 'm of jij moet met me vluchten. Ik zal jou gelukkig maken. Neem me mee naar het Westen.
Thomas: Mevrouw... alstublieft! (de deur wordt geopend)
Melanin: (komt binnen) Ach, ben je hier, m'n duifje?
Doenja: Ach, ja...
Melanin: Wil jij leren koken zoals in het kapitalistische Westen, waar de arbeiders onderdrukt worden?
Thomas: Aaah... aah...
Melanin: Wat hebt u, meneer Lieven? Voelt u zich niet goed?
Thomas: Het eh... eh..., 't is alweer voorbij, overste. Nee, kan ik eh... kunt u mij misschien een wodka geven?
Melanin: Maar natuurlijk, zoveel als u maar wilt. Als u mij belooft dat de schotel d'r niet onder heeft te lijden.
Doenja: Uw schotel smaakt verrukkelijk, meneer Lieven. Hoe noemt u 'm ook alweer?
Thomas: Eh... eh... Cotelette Maréchale, mevrouw.
Doenja: Mm, Maréchale... , ja.
Melanin: Inderdaad, hij is voortreffelijk!
Thomas: Ja, vindt u dat lekker?
Melanin: Maar eh... (kucht) zoals ik al zei: wij zouden tijdens de maaltijd zaken doen, hè. Dus?
Thomas: Eh... goed, overste. U hebt tot nu toe al mijn voorstellen afgeslagen. Ik zal u nu een werkelijk laatste voorstel doen. U krijgt de tekeningen voor niks, maar in ruil daarvoor laat u mijn vriend en nog een andere heer naar het Westen vertrekken.
Melanin: Eh... een andere heer?
Thomas: Eh... meneer Reuben Achazian. 'k Weet niet of u 'm kent... Nog iets van mijn specialiteit, mevrouw?
Doenja: Mm... graag nog heel veel, meneer Lieven.
Melanin: Of ik Reuben Achazian ken? Die schooier, die scharrelaar. Wat wilt u met die vent?
Thomas: Eh... zaken doen. Ja, u moet me niet kwalijk nemen, overste, maar als het Rooie Leger een grote affaire voor mij kapotmaakt, dan moet ik toch zien dat ik iets anders begin.
Melanin: (gromt) Hoe kent u dan zwijn van een Armeniër?
Thomas: Dat zwijn van een Armeniër heb ik hier in Zwickau ontmoet, overste. Als u Achazian met mij laat vertrekken, krijgt u de plannen.
Melanin: Achazian blijft hier, en de plannen krijg ik toch.
Thomas: Eh... luister 'ns even, overste: ik heb de heer Marek - die Tsjechische agent kent u natuurlijk - achtergelaten bij de Amerikaanse CIC in Hof. Als ik niet terugkom en zeg dat ze hem los kunnen laten, dan blijft ie onder arrest.
Melanin: Nou, en wat dan nog? Dat interesseert mij geen bliksem. U geeft mij de plannen, of u blijft ook hier.
(Grünwald, ongeveer 4 of 5 juni 1947)
Thomas: De 1ste juni 1947 kwamen Bastian, Reuben Achazian en ik behouden in München aan. Ik had nog enkele malen met overste Melanin moeten eten, drinken en debatteren, en omdat ik wist dat Russen dol zijn op dergelijke hardnekkige touwtrekkerijen hield ik voor de schijn verbeten vol. Ten slotte waren we als goeie vrienden gescheiden. Maar de plannen waren natuurlijk achtergebleven. Enkele dagen later was ik met Bastian alleen in onze villa in Grünwald. Reuben Achazian was in het kader van onze plannen naar Wiesbaden vertrokken.
Bastian: Nou... nou moet je me eindelijk 'ns vertellen hoe jij aan die Achazian gekomen bent. Die... die vent heeft al al die tijd op onze lip gezeten. Ik mag 'm niet, dat kan 'k je nou wel zeggen.
Thomas: Ja, dat doet er niet toe, beste Bastian.
Bastian: Och!
Thomas: Reuben Achazian kan voor ons van groot nut zijn. Maar, jij wilt weten hoe ik hem heb leren kennen?
Bastian: Mm.
Thomas: Nou, dat was in Zwickau. Ik logeerde daar in een triest hotel. En op een morgen, tijdens het ontbijt, kwam hij naar me toe.
Achazian: Eet u rustig door. Laat mij praten en val me niet in de rede. Ik heb het druk en u ook. Ik weet wie u bent.
Thomas: Hoe?
Achazian: (lacht) Reuben Achazian weet alles. Ik heb hier moeilijkheden met de Russen. Eerlijk gezegd, ik heb een paar zaakjes opgeknapt die ze niet zo lekker zitten. Ik mag niet meer werken.
Thomas: Ja, eh... hoor 'ns even, meneer Achazian...
Achazian: Help mij naar het Westen te komen en ik maak een rijk man van u. Hebt u wel 'ns van de ZVG gehoord?
Thomas: ZVG...?
Achazian: Ja, Zentrale Verwertungs Gesellschaft.
Thomas: Mm.
Achazian: Zetelt in Wiesbaden. Die is door de Amerikanen opgericht. In enorme opslagplaatsen verzamelt de ZVG resterende oorlogsvoorraden - van eh... wapens, munitie, tot bruggen en vliegtuigen toe - ter waarde van miljoenen dollars. Die ZVG staat onder Duits beheer, maar ze mogen alleen verkopen aan buitenlanders. Ik ben buitenlander, aan mij mogen ze dus verkopen. Ik heb een neef in Londen die ons geld zal voorschieten. We richten samen een handelsfirma op, u en ik. Binnen een jaar bent u miljonair, als u mij naar het Westen helpt.
Thomas: Nou, dat leek mij geen gek plan. We moeten trouwens toch naar iets anders uitkijken, hè. De geheime tekeningen hebben we doorgegeven aan de Engelsen, de Fransen en de Russen, en die zullen er gauw genoeg achter komen dat ze in de boot zijn genomen.
Bastian: En wat nu?
Thomas: Wij nemen andere namen aan, en gaan ook een poosje naar Wiesbaden.
Bastian: Nou, mij best. Als die Achazian maar niet zo een walgelijke vent was. Die heeft maar één ding aan z'n kop, hè: wapens- en munitieverkoop.
Thomas: Dat kan die nou wel willen, maar daarom gebeurt het nog niet. Laten we eerst maar 'ns zien dat we in Wiesbaden komen, dan komt meneer Achazian heus nog wel voor verrassingen te staan. (deurbel)
Bastian: Verrek, allemachtig, wie kan dat nou zijn?
Thomas: Nou, dan zou ik maar 'ns even gaan kijken.
Bastian: (gaat de deur openen) O! Eh... o ja. Eh..., ja. (komt weer binnen) Over... over verrassingen gesproken, kijk zelf maar.
Doenja: Thomas!
Thomas: Nee... nee! Nee, dat kan niet!
Doenja: Ja!! Dat kan wel. Ik ben het heus.
Thomas: Hoe ben jij eh... hoe bent u hier gekomen?
Doenja: Gevlucht met een hele groep. Ik ben politiek vluchteling, ik heb asielrecht gekregen, en ik wil bij je blijven.
Thomas: Huh?
Doenja: En met je meegaan, waar je ook heen gaat.
Thomas: Neee!...
Doenja: Ja!
Thomas: Nee...
Doenja: En als je me niet laat blijven, dan ga ik in m'n verdriet rechtstreeks naar de politie, om te vertellen dat je m'n man constructietekeningen gebracht hebt, en wat ik nog meer van jou weet.
Thomas: Ja, maar, maar-maar-maar-maar waarom wil je me verraden?
Doenja: O, Thomas..., begrijp je dat dan niet? Omdat ik jou zo liefheb!
Het recept is niet uitgeschreven.