Home / Index K. / Het kan niet altijd kaviaar zijn / Deel 4 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

Deel 4 - Het kan niet altijd kaviaar zijn

De weg terug.

Een intelligente, pacifistische bankier raakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verstrikt in het ondoorzichtige spionageweb van de grote mogendheden. Op volkomen onorthodoxe wijze zoekt hij naar mogelijkheden om zich uit zijn benarde situatie te bevrijden. Tijdens het koken vindt hij de beste oplossingen voor zijn problemen, hoe hopeloos die soms ook lijken.

Beluister deel 4 en lees het script op deze pagina mee.

De rolverdeling van deel 4.

Luc Lutz Thomas Lieven
Corry van der Linden Estrella Rodrigues
Wim de Meijer Lovejoy
Wik Jongsma Een cipier
Cor Witschge Lazerus Alcoba
Jan Verkoren Rechter
Franck van Erven Francesco
Çanci Geraedts Chantal Tessier
Dries Krijn Reynaldo Pereira
Piet Ekel Stem
Maarten Kapteyn Stem
Jan Borkus Overste Simeon
Johan Schmitz Overste Maurice Debras
Trudy Libosan Josephine Baker
Huib Rooymans Berger
Ad van Kempen De Lesspeps
Hans Veerman Bastian Fabre
Auteur: Johannes Mario Simmel
Bewerking: Dick van Putten
Regie: Hero Muller
Omroep: AVRO
Dit deel is uitgezonden op: 26-04-1979

Het script van deel 4.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

(9 september 1940)

Estrella: Wat zeg je? Jean! Jou aangeven bij de politie? Maar waarom in 's hemelsnaam?

Thomas Lieven: De Duitse Abwehr zit achter me aan, en de Britse geheime dienst. Ik kan geen kant uit en daarom is voor mij voorlopig de gevangenis de veiligste plaats. Kom, d'r is geen tijd te verliezen.

(in een taxi)

Estrella: Alles is precies gegaan zoals Jean voorzien had. Hij zit in de gevangenis. Ik heb een aanklacht tegen 'm ingediend wegens diefstal van m'n sieraden. Waarom wordt ie toch achtervolgd? Ook nu heeft ie het mij weer niet verteld. Hij heeft me alleen gekust, en gevraagd 'm te vertrouwen. En dat zal ik doen: ik hou van 'm. Ik zal alles doen wat ie me opgedragen heeft: de sieraden in de kelder verstoppen, iedere dag naar de haven gaan en proberen passage voor 'm te boeken naar Zuid-Amerika. Als dat lukt, naar de rechter stappen, de sieraden laten zien, verklaren dat 'k ze blijkbaar ergens anders had gelegd, en m'n aanklacht intrekken. Oh, hoe eenzaam zullen de dagen zijn zonder hem. En vooral de nachten! (de taxi heeft haar huis bereikt) Alstublieft, chauffeur. (ze stap uit)

Ellington (Lovejoy): Madame Rodriguez! Neemt u mij niet kwalijk, maar voor u naar binnen gaat, wil ik u om een onderhoud verzoeken.

Estrella: Nee.

Ellington: Jawel! Het gaat om Jean Leblanc.

Estrella: Wie bent u?

Ellington: Mijn naam is Ellington, ik kom uit Londen.

Estrella: Wat wilt u van mij, meneer Ellington?

Ellington: Weten waar monsieur Leblanc is.

Estrella: Dat gaat u niets aan.

Ellington: Hij heeft mij bedrogen. Hij heeft mijn land bedrogen. Hij is een schoft!

Estrella: Zwijg, zeg ik u.

Ellington: Een individu zonder eergevoel, zonder karakter.

Estrella: Als u niet maakt dat u wegkomt, roep ik om hulp!

Ellington: Hoe kunt u in 's hemelsnaam een Duitser helpen?

Estrella: (schrikt)

Ellington: Wilt u dan dat Hitler de oorlog wint?

Estrella: Hit... Wat zegt u daar, een Duitser? Nee... Nee, u liegt.

Ellington: Ik lieg niet. Thomas Lieven heet de smerige fascist.

Estrella: Nee...! Nee, dat is onmogelijk!

Ellington: Hij heeft u bedrogen, madame, zoals ie ons allemaal bedrogen heeft. Uw Jean Leblanc is een Duits agent, een reptiel dat onschadelijk gemaakt moet worden.

Estrella: Gaat u mee naar binnen, meneer Ellington. Toon mij uw bewijzen. U zult met keiharde feiten moeten komen, maar als u mij die kunt voorleggen, dan...

Ellington: Dan wat, madame?

Estrella: Dan zal ik wraak nemen. Geen Duitser zal de kans krijgen om te lachen om Estrella Rodriguez. Nooit. Maar dan ook niet één!

(Cel 519 in de Aljube-gevangenis, in het oudste kwartier van Lissabon)

Thomas Lieven: Hoe vreemd het ook moge klinken, het beviel mij best in de Aljube-gevangenis waar ik was opgesloten. Ik zat in de cellen der zogenaamde welgestelden. Net als in een hotel betaalde je iedere week de kamerhuur, een gepeperd bedrag weliswaar, maar daarvoor werd je net als in een hotel uitstekend verzorgd: kranten, sigaretten, wat je maar wenst. En natuurlijk kon je van buiten ook een maaltijd laten komen. Ik had met een en ander rekening gehouden en een flink bedrag bij de administratie gedeponeerd. Iedere ochtend ontbood ik Francesco, de dikke kok, en besprak met hem het menu van de dag. Hij was razend enthousiast over de nieuwe recepten en culinaire trucjes die ik hem leerde. Nee, ik had het, gezien de omstandigheden, best naar m'n zin.

(21 september 1940 - de celdeur wordt geopend)

Juliao, de cipier: U krijgt gezelschap, signor Leblanc. Nou, ga maar naar binnen.

Alcoba: (komt binnen - deur dicht) Bom dia.

Thomas: Bom dia!...

Alcoba: Je schrikt een beetje, hè?

Thomas: Ja.

Alcoba: Ik weet het. Ik zie d'r uit als de klokkenluider van de Notre-Dame: een bochel, klopmank, en een kale kop met hamsterwangen, en een... en een zenuwtic.

Thomas: Ja, dat is heel duidelijk.

Alcoba: Nee, nee, zeg maar niks. Mijn naam is Alcoba, Lazerus Alcoba.

Thomas: Jean Leblanc.

Alcoba: Mm. ze hebben me gepakt voor smokkel, maar ditmaal kunnen ze niks bewijzen, de smeerpijpen. Vroeg of laat moeten ze me weer vrijlaten.

Thomas: Ik zit hier ook onschuldig.

Alcoba: Ja.. Haha. Je zou zogenaamd sieraden gejat hebben, hè? Pure laster natuurlijk.

Thomas: Maar... hoe... hoe weet u...?

Alcoba: Ik weet alles van je. En zeg jij maar gewoon jij tegen me. Jij bent Fransman. Bankier. Dat je in de lik zit, heb je te danken aan Estrella Rodriguez. En je kookt graag.

Thomas: Hoe weet jij dat allemaal?

Alcoba: Ach man... ik heb je toch zeker zelf uitgezocht.

Thomas: Hè?

Alcoba: De interessantste kerel uit de hele nor!

Thomas: (lacht)

Alcoba: Een mens wil ook in de bak wel 'ns een beetje geestelijk contact hebben. Een wenk voor de toekomst, Jean: als je nog 'ns de bak in draait, meld je dan direct bij de hoofdbewaarder.

Thomas: Waarom?

Alcoba: Je meld je bij 'm, biedt aan zijn rapporten bij te houden, en daar zegt die gabber ja op, want ie is zo lui als een varken.

Thomas: Mm!

Alcoba: Op die manier krijg ik inzage van alle papieren, en zodoende kan ik eh... kan ik de beste celgenoot uitzoeken.

Thomas: En waarom heb jij juist mij uitgezocht?

Alcoba: Hèhè, omdat jij een fijne meneer bent, met goeie manieren.

Thomas: Merci.

Alcoba: Hé, ik kan iets van je leren! Je bent bankier: kan je me ook tips geven voor de beurs. Je kookt graag: kan ik ook van leren. Ten-tenslotte leer je in het leven niks voor niks.

Thomas: Ja, daar heb je gelijk in. Wil je 'n een sigaret?

Alcoba: Ja, graag.

Thomas: Wacht effe, vuur geven.

Alcoba: Weet je-weet je wat?

Thomas: Mm?

Alcoba: Wij sluiten een overeenkomst. Jij leert mij alles wat jij kent, en ik leer je alles wat ik ken.

Thomas: Afgesproken! Heb jij speciale wensen wat het middageten betreft, eh... Lazerus?

Alcoba: (lacht) Wensen wel, maar ik weet niet of ie de recepten kent. Die stomme keukenknuppels zeker niet.

Thomas: Laat maar 'ns horen.

Alcoba: Ik heb zo ongeveer in alle landen van Europa gezworven. Ik ben een lekkerbek.

Thomas: Mm!

Alcoba: Het meest hou ik van de... van de Franse keuken, maar-maar-maar-maar van de Duitse zal ik ook geen kwaad zeggen. Ik heb 'ns in eh... in Münster een paar kerels hun zakken leeggehaald, en-en toen een ribstuk gegeten, man! Oho, daar droom ik nog wel 'ns van!

Thomas: O, als het anders niet is.

Alcoba: Ken jij eh... (Thomas bonkt op de celdeur) Hé, k-ken jij het recept?

Thomas: Ja, ik heb ook vaak in Duitsland gewerkt. Gevulde ribstuk dus, hè? Nou, weet je wat? Laten we er meteen maar een volledig Duits menu van maken. Eh... dan krijgen we een Württembergse soep met leverballetjes vooraf, als toetje: kastanjes, met slagroom. Oh, eh... Juliao, stuur mij de kok 'ns even hier, hè. Kijk 'ns, alstublieft, da's voor jou.

Juliao: O, dank u wel.

Thomas: 'k Wil graag het menu voor vandaag met 'm samenstellen.

Juliao: Komt in orde, senhor. O ja, ik zag op de lijst dat u morgen voor de rechter van instructie moet verschijnen.

(Niet "morgen", 27 september, maar 5 november, 1940.)

Eduardo Baixa: En? Hoe staat het met u, monsieur? Wilt u eindelijk bekennen?

Thomas: Ik heb niks te bekennen, ik ben onschuldig.

Baixa: Ja, dan zult u nog wel heel lang in de Aljube moeten blijven, monsieur. Uw signalement werd intussen doorgegeven aan alle politieposten in Portugal. We moeten afwachten.

Thomas: Wat afwachten?

Baixa: Wat zij ons antwoorden. We weten tenslotte niet of u nog meer misdrijven hebt begaan in ons land.

Thomas: Ik heb geen enkel misdrijf begaan, ik ben volkomen onschuldig!

Baixa: Ja, ja ja, best mogelijk dat u gelijk hebt. Maar desondanks moeten we afwachten, monsieur Leblanc. Bovendien bent u vreemdeling... Da's een wonderlijke dame, dat moet ik zeggen.

Thomas: Wie bedoelt u?

Baixa: De aanklaagster, Senhora Rodriguez.

Thomas: Hoezo wonderlijk, excellentie?

Baixa: Ze komt niet.

Thomas: Daar begrijp ik niks van.

Baixa: Ik heb 'r opgeroepen, maar ze verschijnt niet.

Thomas: Maar-maar... maar d'r zal haar toch niks overkomen zijn?

Baixa: Ik zal nogmaals een oproep naar d'r uit laten gaan. U zult toch nog wat geduld moeten oefenen.

(terug in de gevangenis)

Thomas: Zo. En ik heb je nou alles verteld wat er met mij aan de hand is, Lazerus. Waarom de Geheime Diensten van de Engelsen, de Fransen, de Duitsers mij op de hielen zitten, en... waarom ik hier ben.

Alcoba: En als jouw mooie Estrella niet op komt dagen, blijf je voorlopig hier.

Thomas: Ja. Maar waarom komt ze niet? Waarom niet? Wat is er gebeurd?

Alcoba: Rustig! Rustig! Jij hebt Francesco erop uit gestuurd om inlichtingen in te winnen.

Thomas: Ja, jaaa...

Alcoba: Eh... wacht nou eerst maar 'ns kalm af tot ie terug is.

Thomas: Makkelijk gezegd, kalm afwachten. Ik heb zo'n voorgevoel dat er iets niet in orde is, dat-dat... (Francesco komt binnen) En?

Francesco: Senhora Rodriguez is weg, Senhor Jean.

Thomas: We-eg?

Alcoba: Wat-wat-wat bedoel je met weg?

Francesco: Weg is weg, vort, vertrokken, verdwenen, niet meer in Lissabon.

Thomas: Sinds wanneer?

Francesco: Sinds vijf dagen, Senhor Jean. Ze schijnt ook niet van plan te zijn om terug te komen.

Thomas: Waarom denk je dat?

Francesco: Zij heeft al haar kleren meegenomen, al haar sieraden, en al haar geld.

Thomas: Haar geld? Ze had geen cent!

Francesco: De safe stond open...!

Thomas: De safe? Hoe ben jij in de buurt van de safe gekomen?

Francesco: Het kamermeisje heeft mij 't hele huis laten zien. Een schat van een meisje, echt waar, zulke ogen.

Thomas: Dat is Carmen.

Francesco: Carmen, ja! Zo heette ze. Ik ga vanavond met 'r naar de bioscoop. Ze heeft me meegenomen naar de kleedkamer: alle kasten leeg. Naar de slaapkamer: de safe leeg.

Thomas: In die safe lag mijn geld, iedere cent die ik bezit. Mijn hele vermogen!

Alcoba: Altijd heb je gedonder met die wijven.

Thomas: Maar waarom? Waarom, in 's hemelsnaam? Ik-ik heb haar toch niks gedaan? Wat zegt Carmen ervan? Weet zij waar de Senhora is?

Francesco: Carmen zegt dat ze naar Costa Rica is gevlogen. Ze zegt ook dat de villa verkocht wordt.

Thomas: En-en-en heeft ze helemaal geen bericht voor me achtergelaten, geen brief?

Francesco: Jawel, Senhor Jean. Ik heb twee brieven voor u meegebracht.

Thomas: O, geef hier. 'ns Effe kijken. (opent de eerste brief) Die is van Lindner, geschreven op de 29ste oktober. Twee uur voor het vertrek van z'n schip, ja... Hij heeft dus toch een schip weten te vinden... En hij is vertrokken..., zonder mij. Maar ja, dat kan ik 'm niet kwalijk nemen... Tenminste, waarom heeft Estrella 'm niet verteld waar ik was? Waarom is zij niet hierheen gekomen om mij d'r uit te halen? We hadden afgesproken dat ze dat zou doen zodra d'r passagemogelijkheid was. Misschien dat die tweede brief... (opent hem) eh... 'ns kijken... "1 november 1940. Ellendige schoft! Nu heeft je vriend, Lindner, het land verlaten. Nu is er niemand meer die je zal kunnen helpen. Nu zal ik mijn wraak voltooien. Je zult mij nooit weerzien. Over enkele uren brengt een vliegtuig mij naar Costa Rica. Je vriend heeft je een brief geschreven, ik leg er de mijne naast. Eén dezer dagen zal de rechter van instructie natuurlijk een onderzoek naar mij instellen. Dan krijg je beide brieven in handen. Aangezien hij zeer waarschijnlijk de brieven eerst zelf zal lezen, verklaar ik nogmaals dat je mij bestolen hebt, jij schoft! En ik verklaar tevens - ongetwijfeld zal dit u interesseren, meneer de rechter van instructie - waarom ik je thans voorgoed verlaat: omdat ik er achter gekomen ben dat je Duitser bent, dat je een Duitse geheime agent bent, een gemene, gewetenloze, onscrupuleuze, zelfzuchtige, cynische Duitse ploert. Een zekere Mr. Ellington heeft mij de ogen geopend. O, als je eens wist hoe ik je haat, vuile hond die je bent!" Nou, dat is dan dat!

Alcoba: Ga toch rustig zitten, man.

Thomas: Ja, dat kan ik niet, Lazerus.

Alcoba: Afschuwelijk, zo'n hysterica. En bovendien weet je bij een dergelijke taart nooit wat ze op een gegeven ogenblik nog meer in d'r malle hoofd haalt.

Thomas: Dat is het juist! Die vervloekte sieraden heeft ze natuurlijk ook meegenomen, die komen nooit meer voor de dag, en ik kan hier blijven zitten tot ik van onderen tot boven beschimmeld ben!

Alcoba: En daarom moet jij zo gauw mogelijk weg hier.

Thomas: Weg?

Alcoba: Eer ze je nog meer in je schoenen schuift.

Thomas: Lazarus, dit is een gevangenis, geen hotel.

Alcoba: Nou-nou, en?

Thomas: Een gevangenis! Met tralies, muren, zware ijzeren deuren, met cipiers en bloedhonden.

Alcoba: Rustig! Dat klopt, en daarom kom je d'r natuurlijk niet zo gemakkelijk uit als erin.

Thomas: D'r is volgens jou wel een weg.

Alcoba: Allicht is er een weg! Hier, hier in de kelder is een drukkerij die alle papieren voor politie en justitie maakt. Daar moet ik het een en ander uit organiseren. Hè, en nou ja, en de rest hangt helemaal van jou af, kerel.

Thomas: Van mij? Hoezo?

Alcoba: Jij zult moeten veranderen. Jij moet kleiner worden, jij moet hinken, je moet een bochel krijgen en hamsterwangen, en een zenuwtrek om je mond. En uiteraard moet je een kale kop hebben.

Thomas: Je bedoelt... dat ik jou moet worden?

Alcoba: Juist, juist. Het is een geluk dat hier we in een Portugese bajes zitten, en niet in een Duitse, anders zou dat spelletje helemaal niet opgaan. Nou, luister nou 'ns goed wat ik je ga vertellen. Morgen ga ik op normale tijd naar de hoofdbewaarder om zijn klusjes op te knappen. Dan krijg ik alle gelegenheid om een ontslagbewijs te tikken op mijn naam.

Thomas: Op jouw naam?

Alcoba: Ja, natuurlijk! Het bewijs op jouw naam is onmogelijk. Ik moet verschillende stempels hebben, maar dat lijkt me niet zo moeilijk. Nee, het moeilijkste is om een stuk te pakken te krijgen met de handtekening van de procureur-generaal. En die handtekening moet jij namaken. Jij hebt toch leren vervalsen, hè, zeg je?

Thomas: Bij de beste vervalser van heel Portugal.

Alcoba: Huhuh, mooi, mooi. We zullen het ontslag laten ingaan op zaterdag 16 november. Dan hebben we nog een week de tijd. Want zaterdags is het de vrije dag van Juliao, de cipier. Want die eh... die kent ons veel te goed. Dus dan komt er een ander.

Thomas: 't Klinkt allemaal erg eenvoudig, maar... ik moet het nog zien gebeuren.

Alcoba: (lacht) En dat zal je! Een beetje meer vertrouwen in mij, kameraad! Ik zorg ervoor dat de hoofdbewaarder het ontslagbewijs twee dagen tevoren naar de administratie stuurt voor verdere afhandeling, en... (lacht) de gang van zaken kennende laten ze je dan 's zaterdags om een uur of elf vrij.

Thomas: Goed goed goed, aangenomen dat het lukt, dat ik eruit kom. Maar ze komen d'r natuurlijk achter. En jij dan?

Alcoba: Leuter nou niet. Daar heb ik rekening mee gehouden! Die zaterdagmorgen neem ik drie slaappillen in..., die jij mij zogenaamd stiekem hebt toegediend. Ik lig dus werkelijk in zwijm, en ik kan niet weten dat jij zo'n smerige ploert bent om er op mijn ontslagbewijs vandoor te gaan. Overigens, heb je 'n eh... adres waar je naartoe kunt?

Thomas: Ja, Reynaldo Pereira in Lissabon.

Alcoba: Zal ik onthouden.

Thomas: Ja.

Alcoba: Misschien zie mij daar ook wel 'ns verschijnen. Goed, goed... we gaan meteen aan het werk om jou in mij te veranderen.

Thomas: Ja, ik-ik-ik wil je niet beledigen, Lazerus, maar eh...

Alcoba: Klets nou toch niet! We moeten een beetje vertrouwen hebben in die vreemde cipier. Die-die hamsterwangen van mij, die krijg je door-door twee bolletjes brood achter je kiezen te stoppen. En die tic met m'n mond, da's ook niet zo moeilijk. M'n bochel krijg je door een kussen op je rug. Ja, natuurlijk moet je m'n jas aantrekken, zodat je precies kunt leren hoe ver je door je knieën moet zakken. En de laatste avond zal ik je haar wegschroeien met een kaars.

Thomas: Wegschroeien?

Alcoba: Ja, ja wat dacht jij? Dat ze ons een scheermes en een schaar zouden geven?

Thomas: Nou, vooruit dan maar. Voor de vrijheid moet je wat over hebben.

Alcoba: Zo is het. We gaan net zo lang oefenen tot we geen van beiden meer weten wie de echte Alcoba is.

(zaterdag 16 november 1940)

Thomas: Hoe ongelooflijk het ook klinkt, alles verliep precies zoals die uitgekookte Lazerus Alcoba het had geregeld. Terwijl ie die ochtend van de 16de november zwaar lag te ronken als gevolg van de slaappillen, opende een vreemde cipier de deur. Ik stond klaar, kussen op m'n rug gebonden, jas aan, broodbollen achter m'n kiezen, en een kaal gebrande kop. En door de knieën gezakt.

Cipier: Ben jij eh... Lazerus Alcoba?

Thomas: Eh... jaaa, die ben ik.

Cipier: Wat mankeert hem, dat ie nou legt te snurken?

Thomas: (lacht) Die heb vannacht geen oog dichtgedaan van de maagpijn. Wat wilt u van me?

Cipier: Je wordt hier ontslagen.

Thomas: Hè! 'k Heb altijd wel geweten dat het recht zou zegevieren...

Thomas: Na nog zeker een uur door de ambtelijke molen te zijn gemalen kreeg ik eindelijk m'n ontslagbewijs en sloeg de deur achter me dicht. Ik rende een paar straten door en in een verlaten portiek zonk ik uitgeput ineen. Na een ogenblik kwam ik wat tot mezelf. Ik ontdeed me van m'n Alcoba-identiteit en overlegde wat mij te doen stond. En dat was om zo snel mogelijk mijn vriend Reynaldo Pereira op te zoeken.

(woning van Reynaldo Pereira, 16, Rua do Poco des Negros, oude Stad van Lissabon)

(geklop op de deur) Pereira! Hé! Pereira! (geklop op de deur) Ach, die is dronken, of ie is niet thuis. Laten we maar naar binnen gaan. (opent de deur) Hé, d'r is niemand. (sluit de deur en gaat de kamer in) Nee... Nou, dan moeten we maar een beetje op 'm wachten. M'n maag knort een beetje. Hé, misschien kunnen we die tijd iets klaarmaken. 'ns Kijken, wat heeft ie al zo in huis? Wittebrood, tomaten, eieren, kaas, ham, tong, ah! pistache..., kappertjes, paprika, ansjovis... (lacht) Nou, het schijnt meneer goed te gaan. Wat kunnen we daarvan brouwen? Ja! ik weet het: mozaïekbrood en gevulde tomaten. Nou, laten we maar 'ns beginnen. (zingt - de deur gaat open) Daar zul je 'm hebben. Hallo! Ik ben in de keuken!

Vrouw: Goeienavond, Pereira.

Thomas: (is verrast)

Vrouw: Nee, u kent me niet.

Thomas: Ik eh...

Vrouw: Maak je niet ongerust, ik ben niet van de politie, integendeel.

Thomas: Hoe eh... hoe eh... hoe komt u aan dit adres?

Vrouw: Wat mankeert jou, zeg? Zenuwen? Cocaïne? Jenever?

Thomas: Hoezo?

Vrouw: Nou, waar heb je anders die zenuwtrek vandaan?

Thomas: Oo! O, dat gaat wel over, ik heb het vaker tegen de avond. Ik--ik vroeg overigens hoe u aan dit adres kwam.

Vrouw: Gekregen van een zekere monsieur Debras.

Thomas: Ook dat nog...

Vrouw: Kent u soms een zekere Jean Leblanc?

Thomas: Jean eh... Leblanc. Nee. Eh... nooit van gehoord.

Vrouw: Nou, klets nou toch geen onzin asjeblieft, Pereira. Je kent 'm wel degelijk.

Thomas: Zeg, weet jij wat je moest doen, zus, hè? De benen nemen, en heel gauw ook als je tenminste je lampjes niet blauw geverfd wil hebben. (Pereira komt binnen)

Pereira: Aah! Welkom in m'n nederige stulp! Hé, wat heb jij met je haar uitgevoerd, mon amigo?

Vrouw: Wat! Ben jij Pereira niet?

Pereira: Natuurlijk is hij Pereira niet. Wat hebt u gedronken? Ik ben Pereira. Hij is...

Thomas: Hou je kop!

Pereira: ...m'n ouwe vriend Leblanc.

Vrouw: Oooh!

Pereira: En eh... wie bent u eigenlijk, schone dame?

Vrouw: Ik heet Chantal Tessier. Zo zo, dus ik sta tegenover monsieur Leblanc persoonlijk. Da's nogal zo'n gelukkig toeval!

Thomas: Wat wilt u van mij?

Chantal: U hebt uw vriend Debras immers een valse pas bezorgd? Debras heeft tegen me gezegd: "Als je ooit een valse pas nodig hebt, ga dan naar Reynaldo Pereira, en beroep je op Jean Leblanc."

Thomas: Dat heeft uw vriend Debras gezegd?

Chantal: Dat heeft mijn vriend Debras woordelijk gezegd.

Thomas: En wat heeft hij nog meer gezegd?

Chantal: Alleen maar dat je een fijne kerel was, en dat je 'm het leven hebt gered.

Thomas: Zo zo! Nou, daar ben ik blij om. Wilt u niet met ons mee eten? Laat ik u eerst 'ns even uit uw mantel helpen, mademoiselle Tessier. (ondertussen schuift Pereira aan tafel)

Chantal: Zeg maar Chantal.

Thomas: Zeg, wat krijgen we nou, Pereira? Ben jij al begonnen?

Pereira: Als ik zo kon schilderen als jij koken, was die ouwe Goya bij mij vergeleken een voddenman. Zeg, proef ik het goed, zitten d'r pistaches in?

Thomas: Ja, en kappertjes ook. (Pereira boert) Hou je hand toch voor je mond! Dus jij hebt een pas nodig, Chantal?

Chantal: Ik heb niet één pas nodig, ik heb er zeven nodig.

Pereira: (schrikt) Mag ik nou ook 'ns wat zeggen?

Thomas: Ja, eet nou eerst liever je mond leeg, en val ons niet voortdurend in de rede. Doe liever je best om een tikje nuchterder te worden. Voor wie heb jij die zeven passen nodig, Chantal?

Chantal: Voor twee Duitse, twee Franse en drie Hongaarse heren.

Thomas: Ah, jij schijnt een internationale kennissenkring te hebben.

Chantal: Geen wonder met mijn beroep. Ik ben reisleidster.

Thomas: En waarheen gaan die reizen?

Chantal: Van Frankrijk via Spanje naar Portugal. En ik durf gerust te zeggen dat dat een winstgevende onderneming is.

Thomas: Hoe vaak maak je een dergelijke reis?

Chantal: Eens per maand. En altijd met een betrekkelijk groot gezelschap, met valse passen, of zonder passen, al naar het uitkomt.

Pereira: Nou we het toch over passen hebben...

Thomas: Ja, hou jij nou 'ns een ogenblik je mond, asjeblieft.

Chantal: Ik heb dit keer dan ook zeven heren meegebracht die nieuwe paspoorten nodig hebben. Daar kan je een mooi sommetje aan verdienen, Pereira.

Thomas: Overigens heb ik ook een pas nodig.

Pereira: Och, lieve hemel nog aan toe, en ik heb er niet één meer.

Thomas: Wat? Van die 47 passen die ik jou gebracht heb...

Pereira: Ja, en wanneer? Zes weken geleden. En wat denk jij eigenlijk? Binnen de 14 dagen waren ze allemaal weg.

Thomas: Mooi. Nou, da's dan een mooie boel, hè? Geen pas, geen geld...

Pereira: En wat ga je nou doen?

Thomas: Ik laat me hangen als ik het weet.

Chantal: Waarom ga je niet met mij mee?

Thomas: Hè?

Chantal: Je kunt mijn compagnon worden. Ik heb verschillende zaakjes aan de hand, waarbij ik je hulp uitstekend kan gebruiken. Hier kan je niks beginnen. Maar in Marseille... Lieve hemel! We zouden mijn zaak enorm kunnen uitbreiden!

Thomas: Ik beschouw je aanbod als een grote eer, Chantal. Je bent een mooie vrouw, je bent beslist ook een prachtige kameraad...

Chantal: Hou toch op met dat stomme geleuter...!

Thomas: Je hebt ongetwijfeld een goed hart. Maar, weet je, ik ben vroeger bankier geweest, en dat wil ik graag weer worden.

Pereira: Toch zit er veel waars in wat Chantal zegt, Jean. Met haar kom je veilig in Marseille, en daar krijg je makkelijker een valse pas dan hier, waar de politie je op de hielen zit. Om over je andere vrienden maar te zwijgen.

Thomas: Ja maar, m'n hemel, ik kom immers uit Marseille. Heb ik dan al die moeite voor niks gedaan?

Chantal: Als je niet snapt wat er aan de hand is, dan ben je een sentimentele lummel! En anders niks. Je hebt pech gehad. Okay! Nou? En? We hebben allemaal wel 'ns pech gehad. Maar wil je d'r overheen komen, dan heb je in de eerste plaats poen nodig, en een behoorlijke pas.

(Dageraad van 23 november 1940, Pyreneeën, noordwaarts op weg naar de pas van Roncevalles)

Thomas: In de Pyreneeën is het koud. Een snijdende oostenwind raasde over de grote bergketens die Spanje nog scheidden van Zuid-Frankrijk. In de ochtendschemering van de 23ste november 1940 sjokte ik achter de schijnbaar onvermoeibare Chantal Tessier aan. De riemen van m'n rugzak sneden in m'n schouders, en elk bot in m'n lichaam deed pijn. Nu nog de laatste grens en we waren in Frankrijk. De weg werd wat vlakker, en we bereikten een open plek. Daar stond een verweerde hut met een overkapte hooiberg. We liepen d'r heen om wat uit te rusten, toen plotseling...

(een schot)

Chantal: In het hooi! Vlug! Rustig... (twee schoten) Het kunnen grenswachters zijn.

Thomas: Ja, maar het zullen wel anderen zijn. Ik heb er genoeg van, Chantal, ik hou ermee op.

Chantal: Doe niet zo idioot!

Thomas: Ik geef me over aan die moordenaars. Ze kunnen mij krijgen, maar dan moeten ze onschuldigen buiten hun smerige spelletjes laten.

Chantal: Blijf hier, stommeling!

Thomas: 't Spijt me, Chantal

Chantal: Au!... (met een judogreep brengt hij haar buiten bewustzijn)

Thomas: Hier ben ik.

Jager 1: Buenos dias!

Jager 2: Buenos dias.

Jager 1: Hebt u 'm gezien?

Thomas: Wie?

Jager 2: Ons hert.

Jager 1: Ik weet zeker dat ik 'm geraakt heb, ik zag 'm vallen. Maar toen sprong ie weer overeind en sleepte zich voort.

Jager 2: Ja, hij moet hier in de buurt zijn.

Thomas: Ik eh... ik-ik heb niks gezien.

Jager 2: Ach, u bent buitenlander! Vermoedelijk op de vlucht voor die daarginds?

Jager 1: Nou, we zullen vergeten dat we u gezien hebben. Goeiemorgen!

Jager 2: En goeie reis! (ze gaan verder)

Chantal: O! M'n hals.... Waarom heb je dat gedaan?

Thomas: 't Spijt me, Chantal, maar het moest. Ik wilde niet dat jij... Jij mocht niet... Het waren alleen maar jagers.

Chantal: Jean... Jij hebt geprobeerd mij te beschermen. Je wilde mij niet in gevaar brengen. Je hebt aan MIJ gedacht... O, lieve lieve Jean... Dat heeft nog nooit een man gedaan, nog nooit. Niet één.

Thomas: Wat?

Chantal: Aan mij gedacht.

(avond van 25 november 1940, flat van Chantal, rue Chevalier Rose in Marseille)

Thomas: 25 november 1940. Marseille. Uitgerust van onze vermoeiende tocht zaten wij nu in de woning van Chantal, in de rue Chevalier Rose in de Oude Havenwijk. Ik had een voortreffelijke zwart-gekochte lamsbout gebraden die werkelijk uitstekend smaakte. En we zouden net aan het dessert beginnen...

Chantal: (zucht)

Thomas: Wat is er, chéri?

Chantal: Het is tien uur.

Thomas: Ja. En?

Chantal: Nu staan ze beneden in de vestibule. En als ik dan straks de grammofoon aan zet, en "J'ai deux amours" draai, dan komen ze naar boven.

Thomas: Wie komen d'r dan naar boven?

Chantal: Overste Siméon en zijn mensen.

Thomas: Overste Siméon?

Chantal: Van het Deuxième Bureau. Ja, ik heb je verraden, Jean. Ik ben het gemeenste stuk vuil van de gehele wereld.

Thomas: Wil jij misschien nog een perzik?

Chantal: Jean... niet doen, Daar kan ik niet tegen. Waarom ga je niet tegen me tekeer? Waar... waarom sla je me niet in m'n gezicht?

Thomas: Chantal... Waarom heb je dat gedaan?

Chantal: Omdat ze me in hun zak hadden. Voor een hele lelijke geschiedenis nog uit de tijd van Pierre, m'n vroegere vriend, oplichting en zo meer. Toen dook plotseling de overste Siméon op en zei: "Als je ons Leblanc in handen speelt, dan valt die kwestie te regelen" Nou, wat zou jij in mijn plaats gedaan hebben, Jean, ik-ik-ik kende je toen immers toch nog niet.

Thomas: Tja... zo is het leven. Wat wil Siméon van mij, Chantal?

Chantal: Hij heeft z'n bevelen. Jij hebt die lui met de een of andere lijst in de heupzwaai genomen, klopt dat?

Thomas: Ja, dat klopt.

Chantal: Jean, ik... ik zou het liefst willen huilen, maar ik-ik heb geen tranen! S-sla me, asjeblieft. Vermoord me, doe iets, maar doe iets, Jean, en kijk me in hemelsnaam niet zo aan.

Thomas: Welke plaat moest je draaien?

Chantal: "J'ai deux amours" Thomas zet de plaat op) Maak dat je wegkomt! Je hebt nog de tijd. Onder het raam van de slaapkamer is een plat dak.

Thomas: Nee.

Chantal: Idioot! Ze maken een zeef van je. Over tien minuten, dan drijf je in de Ouwe Haven!

Thomas: 'k Zou het attent van je hebben gevonden als je dat iets vroeger had bedacht, m'n hartje.

Chantal: Maar doe nou toch niet zo stom! Jij...! (er wordt geklopt)

Thomas: Doe open, Chantal. (er wordt op de deur gebonsd)

Siméon: Doe open, of we schieten het slot kapot.

Thomas: Ha, die brave ouwe Siméon! Nog altijd dezelfde driftkop. (er wordt nog harder gebonsd) Ja, misschien wilt u en die schoen en dat pistool even tussen de deur uit halen, overste?

Siméon: Dat zou je maar willen! Als je niet onmiddellijk opendoet, wordt er geschoten!

Thomas: Nou, dan zal het maar moeten uitdraaien op schieten, want zolang u een hand en een voet tussen die deur houdt, zie ik geen kans de veiligheidsketting d'r af te doen. (opent de deur nu)

Siméon: Handen omhoog!

Thomas: Welk een onverwacht genoegen, overste! Hoe gaat het met u? En hoe maakt het onze knappe Mimi?

Siméon: Je spel is uit, jij smerige verrader.

Thomas: Ja, vindt u 't vervelend die pistool op iets hoger te zetten, dus op mijn borst in plaats van m'n maag, ik heb net gegeten, weet u.

Siméon: Over een half uur zal jij je over je spijsvertering geen zorgen hoeven te maken.

Debras: Goeienavond.

Thomas: Ach! Kijk 'ns aan: majoor Debras. Ik vermoedde al dat u in de nabijheid zou zijn toen Chantal mij de titel van de grammofoonplaat noemde. Hoe gaat het, majoor Debras?

Siméon: Overste Debras!

Debras: We zullen gaan. (ze verlaten de kamer)

Chantal: (barst in snikken uit) Jean, Jean, m'n God, wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan?

(dokken van Marseille, 22:45 uur)

Siméon: Staan blijven!

Debras: (torenklok slaat éénmaal) En omdraaien!

Siméon: Chef, 't is al kwart voor elf. We mogen ons wel haasten. We zouden om elf uur met hem bij madame zijn.

Thomas: (kucht veelbetekenend)

Debras: Stomme kaffer die je bent!

Thomas: Ja, neem 'm maar niet kwalijk dat hij uw plannetje in het honderd heeft gegooid, zo is hij nou eenmaal. Trouwens, ik dacht al, van het begin af, dat jullie me alleen maar schrik wilden aanjagen, in de hoop dat ik me dan wel bereid zou verklaren weer voor jullie te gaan werken.

Siméon: Waarom dacht je dat?

Thomas: Toen ik die plaat van Joséphine Baker hoorde, vermoedde ik onmiddellijk dat Monsieur Debras in de nabijheid was. En ik zei bij mezelf: als de majoor.. - eh... pardon, overste... en eh... nog wel gefeliciteerd met uw promotie - enfin, als u speciaal uit Casablanca hierheen komt, dan doet u dat toch niet alleen maar om mijn roemloos einde bij te wonen. Waar of niet?

Debras: Jij driewerf geslepen vos!

Thomas: (lacht fijntjes) Zullen we dan deze ongastvrije plek maar verlaten? De stank van dat water van de Ouwe Haven is een kwelling voor me. Bovendien mogen we madame werkelijk niet laten wachten. Ik zou nog graag even langs het station rijden.

Siméon: Waarom?

Thomas: Daar is een bloemenwinkel die de hele nacht open blijft. 'k Zou nog graag een paar orchideeën willen kopen.

Debras: Goed, daar zet ik jou dan meteen af, Siméon.

Siméon: Eh...

Debras: Dat kleine eindje naar je kwartier kan je wel lopen. 'k Heb je vanavond niet meer nodig.

(suite in het Hotel de Noailles in de Cannebière, de hoofdstraat van Marseille)

Thomas: Madame, je suis ravi de vous voir.

Joséphine Baker: Ach, dat is heel vriendelijk gezegd, monsieur Lieven. Hartelijk dank voor de mooie bloemen. Neemt u plaats, alstublieft. Maurice heeft de champagne al klaar staan.

Debras: Laten wij drinken op de vrouw aan wie u uw leven te danken hebt, monsieur Lieven.

Thomas: Ik heb altijd gehoopt dat u m'n handelwijze begrijpen zou, madame. U bent een vrouw. Ongetwijfeld haat u geweld en oorlog, bloedvergieten en moord nog meer dan ik.

Joséphine: Inderdaad, maar tevens houd ik van mijn land, en u hebt ons grote schade berokkend toen u de echte lijsten vernietigde.

Thomas: Eh... madame, zou ik uw land niet nog groter schade hebben berokkend als ik de lijsten niet vernietigd had maar aan mijn landgenoten, de Duitsers, ter hand had gesteld?

Debras: Dat valt niet te ontkennen. En daarom zullen we er verder ook maar geen woorden over vuil maken.

Thomas: Je meen het!

Debras: Weet je, Lieven, jij bent tenslotte de man die mij geholpen heeft om weg te komen uit Madrid. Jij bent een grensgeval, Lieven. Maar dit keer zweer ik je: als je ons nog één keer in de boot neemt, zet ik je geen champagne meer voor, al kan Joséphine je handelwijze ook nog zo goed begrijpen. De volgende keer kom je niet terug van de havenpier.

Thomas: Debras, ik mag jou bijzonder graag, en dat meen ik oprecht. Ik hou ook veel van Frankrijk. Maar ik zweer je op mijn beurt: als je mij dwingt weer voor jullie aan het werk te gaan, komt onvermijdelijk het ogenblik dat ik jullie weer in de boot zal nemen, want ik wil geen land schaden, ook niet het mijne.

Joséphine: En de Gestapo?

Thomas: Hoe bedoelt u?

Joséphine: Hebt u er ook bezwaar tegen de Gestapo te schaden?

Thomas: Integendeel, madame, dat zal me 'n een waar genoegen zijn.

Debras: Je weet misschien dat we op het ogenblik bezig zijn met Engelse steun in het bezette en het onbezette deel van Frankrijk een nieuwe geheime dienst en een verzetsbeweging op te bouwen?

Thomas: Eh... ik wist het niet met zekerheid, maar ik vermoedde het in ieder geval wel.

Debras: Siméon had van z'n nieuwe chef in Parijs opdracht je naar Marseille te lokken en neer te schieten. Maar hij sprak er eerst met Joséphine over, en Joséphine bracht mij op de hoogte, met het verzoek in te grijpen.

Thomas: Ah, madame, mag ik u daarvoor met deze voortreffelijke champagne nogmaals toedrinken?

Joséphine: (lacht)

Debras: Ik moet terug naar Casablanca, Lieven. Joséphine volgt mij over een paar weken. We hebben bepaalde gegevens uit Londen ontvangen. Siméon blijft dus hier alleen achter. Wat vind jij eigenlijk van Siméon?

Thomas: Dan zou ik moeten liegen.

Debras: Siméon is een doodgoeie kerel. Vurige patriot...

Thomas: Dapper soldaat...

Debras: Maar alleen zal hij nooit opgewassen zijn tegen zijn taak.

Thomas: Welke taak?

Debras: De situatie is ernstig, Lieven. Ik wil mijn landgenoten niet beter afschilderen dan ze zijn: ook bij ons zijn er zwijnen.

Thomas: Zwijnen vind je overal.

Debras: Onze Franse zwijnen, in het bezette en in het onbezette gebied, werken samen met de Nazi's. Ze verraden onze mensen. Ze verkopen hun vaderland. Franse zwijnen in dienst van de Gestapo. Zo zijn er bijvoorbeeld een paar dagen geleden twee mannen uit Parijs in Marseille aangekomen, opkopers van goud en deviezen.

Thomas: Fransen?

Debras: Fransen die in opdracht van de Gestapo werken.

Thomas: Hoe heten ze?

Debras: De ene heet Jacques Bergier, de andere Paul de Lesseps.

Thomas: Goed dan, Debras, ik zal je helpen die beide verraders te vinden en te vangen, maar beloof me dan dat je me daarna zult laten lopen.

Debras: Waar wil je heen?

Thomas: Dat weet je toch? Naar Zuid-Amerika. Daar wacht mij een vriend. Lindner heet hij, en hij is bankier. Ik heb geen geld meer, maar hij heeft genoeg.

Debras: Eh... Lieven...

Thomas: Wat heb je, Debras?

Debras: Ja, het spijt me, Lieven, het spijt me werkelijk ontzettend, maar ik ben bang dat je je vriend Lindner niet zult weerzien.

Thomas: Wat bedoel je daarmee?

Debras: Hij is dood.

Thomas: Dood...?

Debras: Jij zat in de gevangenis toen het gebeurde. Daardoor heb je er niets van gehoord. Lindners schip is 3 november in de omgeving van de Bermuda's op een mijn gelopen, en binnen twintig minuten gezonken. D'r waren maar een paar overlevenden. Lindner en zijn vrouw behoorden daar niet toe.

Thomas: Die arme Walter...

Debras: Als jij aan boord was geweest, zou je waarschijnlijk nu ook niet meer in het land der levenden zijn.

Thomas: Ja, dat is in ieder geval een troostrijke gedachte... Ja ja, zo gaat het op deze wereld.

(26 november 1940, ochtend, Chantals woning - Lieven zingt "J'ai deux amours" in de badkamer)

Chantal: (komt binnen) Wat is dat? Mijn hemel! Ik-ik ben krankzinnig geworden! Ik hoor z'n stem! De stem van Jean! Ik-ik heb m'n verstand verloren! Jean!... Jean!! (loopt naar de badkamer)

Thomas: Goeiemorgen, beest dat je bent.

Chantal: Oho, wat doe jij hier?

Thomas: M'n rug inzepen. Dat probeer ik althans. Misschien wil jij het even voor me doen?

Chantal: Ma... maaa..

Thomas: Wat is er?

Chantal: Ze hebben je neergeschoten, Jean... Je bent toch dood!...

Thomas: Wat is dat nou voor onzin? Als ik dood was, zou ik m'n rug niet meer inzepen. Heus, Chantal, je moet je een beetje beheersen. Je leeft niet meer in de jungle, en een gekkenhuis is 't hier ook niet. Niet meer althans.

Chantal: O.. ohoo... o Jean! Je vertelt me ogenblikkelijk wat er gebeurd is! Jean!! (ze gooit het stuk zeep in het water)

Thomas: Haal die zeep uit het water, en onmiddellijk!

Chantal: Ja...

Thomas: Zo. En nu was je m'n rug. En gauw ook.

Chantal: Ja, Jean.

Thomas: Haa. Haa. Zo langzamerhand kom ik erachter hoe jij aangepakt moet worden.

Chantal: Wat is er gebeurd, Jean? Vertel het me.

Thomas: Je zult bedoelen: vertel het me, asjeblieft.

Chantal: Asjeblieft! Asjeblieft... vertel!

Thomas: Dat is beter. Meer naar links!

Chantal: Ja.

Thomas: Harder.

Chantal: Ja.

Thomas: Ja, zo. Enfin, ze hebben me dan laten lopen, omdat ze me nodig hebben. Ik moet een zaakje voor hen opknappen, en voor dat zaakje heb ik op mijn beurt jou nodig.

Chantal: Ja.

Thomas: Op die basis zou, dunkt me, een verzoening tussen ons tot stand kunnen komen.

Chantal: Nou, kun je me heus vergeven?

Thomas: Ik moet wel, want ik heb je nodig.

Chantal: Ooo, kom hier... Ooo... Het-het kan me niet schelen, Jean, ik eh... als je me maar vergeeft, weet je? Alles, alles wil ik voor je doen. Zeg maar wat je nodig hebt.

Thomas: Een paar staven goud.

Chantal: Sta... staven goud!? Hoeveel?

Thomas: De waarde van vijf of tien miljoen francs.

Chantal: Massieve goudstaven?

Thomas: Met een loden kern, natuurlijk.

Chantal: Ho, als het niks anders is.

Thomas: Jij ellendige loeder! Door jou zit ik er weer tot over m'n oren in! Ja, schrob niet zo hard!!

Chantal: O, Jean, 'k ben zo ontzettend blij dat je niet neergeschoten bent. O lieveling, lieveling!

Thomas: Ja, dat zal wel.

(woensdag 4 december 1940, lunchtijd, kamer in het Hotel Bristol in de Cannebière)

Jacques Bergier: Deze Céléri à la Genève is werkelijk uitstekend, monsieur Hunebelle. De plakjes smelten op de tong.

Thomas: (onder de naam Pierre Hunebelle) (lacht) Zo hoort het ook.

Bergier: Niettemin hartelijk dank voor dit delicieuze gerecht, monsieur Hunebelle.

Thomas: Ik ben blij u van dienst te kunnen zijn, monsieur Bergier.

Paul de Lesseps: En waarmee kunnen wij u wel van dienst zijn, monsieur?

Thomas: Eh... mijne heren, eh... (kucht) Marseille is maar een kleine stad. Ik heb horen verluiden dat u uit Parijs hierheen bent gekomen om bepaalde transacties af te sluiten.

Lesseps: Hebt u ook horen verluiden wat voor een soort transacties, monsieur?

Thomas: Eh... wel eh... (kucht) goud en deviezen. Naar men zegt zou u zich daarvoor interesseren.

Lesseps: Zo..., dat zegt men dus?

Thomas: Dat zegt men, ja.

Lesseps: En... gesteld dat wij ons daarvoor inderdaad zouden interesseren?

Thomas: Dan zou ik u goud kunnen leveren, monsieur de Lesseps.

Lesseps: Ah, u hebt dus goud?

Thomas: Inderdaad.

Lesseps: Waar komt het vandaan?

Thomas: Dat is niet van belang, dunkt me. Tenslotte vraag ik ook niet in wiens opdracht u koopt.

Lesseps: Hoeveel goud zou u ons kunnen leveren?

Thomas: Eh... ja, dat hangt ervan af hoeveel u wilt hebben.

Lesseps: Ik kan mij nauwelijks indenken dat u zoveel zou hebben.

Bergier: (lacht) Wij zijn namelijk in de markt voor een bedrag van 200 miljoen.

Thomas: Zo zo... (hij fluit "J'ai deux amours")

Thomas: Stel je 'ns voor, Chantal! 200 miljoen!

Chantal: Dat is prachtig, lieverd! M'n hele organisatie staat tot je beschikking, vijftien eersteklas specialisten. We nemen én die Gestapozwijnen én die overste Siméon voor jou in de heupzwaai.

Thomas: Siméon nemen we niet in de heupzwaai. Ik heb beloofd hem te zullen helpen.

Chantal: Ha, je bent gek met je idealisme! Da's om te huilen! Dan knap je dat zaakje maar zelf op. Dan maak je je goudstaven maar zelf. Mijn mensen helpen je niet.

Thomas: Zoals je wilt.

Chantal: Eh... nee... nee, je hebt volkomen gelijk. Je moet je belofte houden... Ik hou eigenlijk nog het meest van je, omdat je zo fatsoenlijk bent. Je kunt al m'n mensen krijgen, ook Bastian Fabre. Da's een geweldige kerel, die Bastian.

(Quai des Belges, café Bruleur de Loup - Club)

Chantal: Luister nou, Bastian: Jean is een geweldige kerel. Een geniale kop, dat durf ik gerust te zeggen. Daar vallen jullie grasnegers allemaal bij in het niets.

Bastian: Nou nou!

Chantal: Ta gueule! Van dit ogenblik af doe je alles wat hij je opdraagt.

Bastian: Wacht-wacht nou 'ns even, Chantal...

Chantal: Smoel houden! Dit is een bevel, begrepen? Jij gaat met hem naar Dokter Boule, en zorgt voor de valse goudstaven. En jullie houden 'm 24 uur van het etmaal in het oog. Ik moet precies weten wat ie uitvoert, overdag en 's nachts.

Bastian: Ha, wat ie 's nachts uitvoert, dat zal jij toch wel het beste weten.

Chantal: Nog één woord...! (zucht) Die jongen is m'n grote liefde. Hij is alleen veel te fatsoenlijk. Als hij met die twee Gestapozwijnen gaat onderhandelen, moeten wij voor 'm denken. Zelf weet ie niet wat goed voor 'm is.

Bastian: Nou, ik heb het gevoel dat die jongen heel precies weet wat goed voor 'm is.

Het recept is niet uitgeschreven.