De spelleiding heeft… Kommer Kleijn

Een kwart eeuw hoorspel in Nederland. Gehoord en gezien door Rob Geraerds.

Uitgeversmaatschappij West-Friesland, Hoorn, juli 1954.

Hoofdstuk 17: Steek nog ’s op.

De zon blakerde met een voor ons land ongewone kracht de tuinen van de Johan Geradtsweg.

Achterover geleund in onze makkelijke stoelen tuurden we naar de sproeier, die al draaiend z’n fijne druppels over de bloemen en de struiken sprenkelde. Achter ons was Mien stil bezig met de thee.

Even dwaalde m’n blik af naar de wandborden en de bibelots op de antieke kasten, dan zochten m’n ogen weer hun rust bij al die waterdruppels, waarvan je de koelte op een afstand voelde.

"Steek nog ’s op," zei Kommer Kleijn... "Maar deze niet hoor!", liet hij er snel op volgen.

"Alle mensen, Kommer, dat lijkt wel een Churchill-sigaar." "Het is er een... en een rasechte ook!", lachte Kommer vergenoegd.

"Maar hoe kom je daar dan aan?"

"Van m’n broer... over wie je in het eerste hoofdstuk hebt geschreven. Hij is werkelijk dominee geworden... en nu predikant in algemene dienst van de Remonstrantse Broederschap... Kijk, dat zat zo: toen Churchill in Leiden was met z’n vrouw en z’n dochter Mary, voor z’n ere-promotie, was m’n broer daar als curator van de universiteit bij aanwezig... Na het diner presenteerde Churchill alle heren een van zijn beroemde sigaren... Hij draagt ze bij zich in kistjes van tien... Ze worden speciaal voor hem gemaakt... Nou, en m'n broer heeft toen deze voor mij meegenomen... Natuurlijk heb ik ‘m niet opgerookt maar bewaard."

"Een behoorlijk stuk tabak. Dat is geen halve maatregel."

"Nee...., zei Kommer en schoof me een kistje toe. "Maar deze zijn toch ook niet slecht, wel?" Gauw bracht hij zijn schat op een veilig plekje in een van de kasten onder.

We staken allebei een verse sigaar op... wat voor geen van ons heiden een bijzondere bezigheid is... Alleen moet tegenwoordig de pijp er ook wel eens aan te pas komen, vanwege de gestegen prijzen. In de controlekamer smookt Kommer zelfs pijpen aan de lopende band. Er is bijna geen foto van hem "uit het bedrijf", waarop de pijp ontbreekt.

Kommer Kleijn met pijp. Kommer Kleijn (1939).

"En, Kommer," vroeg ik, toen we weer gemakkelijk achterover leunden, "heb ik iets vergeten?"

"Nee, ik geloof het niet," antwoordde Kommer tussen twee aandachtige trekjes in. "Je hebt het wel allemaal de revue laten passeren... Of ja.... misschien had je kunnen vertellen, dat aan ons werk één erg ondankbare kant zit. We doen alles voor één of twee keer. De series opvoeringen van het toneel bestaan bij ons nu eenmaal niet…"

"Inderdaad. Maar één uitvoering van ons gaat meestal voor een vijftig of zestig propvolle zalen tegelijk... als het er niet meer zijn…"

"Gelijk heb je," beaamde Kommer. "Dus dat weegt zo’n beetje tegen elkaar op. Maar toch vind ik het voor mezelf wel ’s jammer, dat een werkelijk mooie en belangrijke uitzending in het allergunstigste geval drie maal voor de microfoon komt... ’t Werk voor de televisie trouwens is wat dit betreft nog "ondankbaarder", omdat het nog zoveel meer voorbereiding eist."

"Maar heb ik nu werkelijk niets vergeten?", dring ik nog eens aan.

"Niets, geloof ik, dat je binnen het bestek van een boek als dit naar voren zou kunnen brengen... Op één punt alleen zou je misschien nog iets duidelijker kunnen zijn... Je schrijft, dat er noch voor de radiospeler, noch voor de luisteraar enig verschil bestaat tussen een directe uitzending en een uitzending via de band. Ik ben dat volkomen met je eens... Maar ik kan me voorstellen, dat er mensen zijn, die het toch beter willen weten. En die zullen je misschien voor de voeten gooien, dat niet lang geleden op een vergadering van radiomensen tegen de band en voor de directe uitzending is gepleit...

Dat is inderdaad zo, maar daarbij ging het om de muziek. In de eerste plaats stelt, zoals je zelf al schreef, de muziek hogere eisen aan de band dan het gesproken woord. Maar de oppositie op die vergadering betrof iets geheel anders. Het schijnt, dat muziek vaak in brokken wordt opgenomen en wel zo, dat dit fnuikend is voor de artistieke en technische ontwikkeling van de medicus. Daartegen kwam men in opstand...

Het hoorspel echter wordt altijd continu opgenomen; als het kan zonder onderbreking. De speler wordt dus op geen enkele wijze door de band "gestoord"… evenmin als de luisteraar trouwens. Ik voor mij zou - helemaal afgescheiden van de organisatorische kant - de band niet meer willen missen, omdat ze ons juist zoveel grotere mogelijkheden biedt... Wanneer men je op dit punt attaqueert, vind je mij dus aan je zijde."

"Dank je, Kommer. En in het algemeen?"

"In het algemeen ben ik het ook met je eens. Je hebt op vele dingen precies dezelfde kijk als ik. En dat doet me natuurlijk genoegen, omdat je mij tot hoofdpersoon van je verhaal hebt gebombardeerd."

"Inderdaad. Ik ben met jou begonnen in het eerste deel... En daarom ben ik nu bezig, met jou te eindigen ook... Vertel ’s, Kommer, hoe voel je je na vijfentwintig hoorspeljaren?"

"Hoe ik me voel? Prima!", lacht Kommer Kleijn. "Het zonnetje schijnt lekker en de sigaar smaakt me best."

"Nonsens; je weet wel, wat ik bedoel."

"Moet ik soms antwoorden met een verhandeling?"

"Nee, dat natuurlijk ook weer niet. Maar antwoord toch maar een beetje serieus."

"Goed dan. Kommer gaat rechtop zitten en tikt de as van zijn sigaar.

"In de begintijd was de radio nog in de groeiperiode en het hoorspel nog al te zeer surrogaat-toneel. Maar geleidelijk ben ik van de microfoon gaan houden. Het werken aan een omroeptaak, die grote mogelijkheden in zich droeg en die ook artistieke perspectieven bood, kreeg grote bekoring voor me. Bovendien was het contact met de medewerkende collega’s een levend element bij de vervulling van m’n taak.

Het contact met de zaal was er niet meer, inderdaad; maar er groeide met duizenden onbekenden een band van een merkwaardige veelzijdigheid. Over de reacties van het nieuwe gehoor, over de psychologie van de luisteraar, wiens verbeelding door het hoorspel wordt geprikkeld en die schijn en werkelijkheid niet meer uit elkaar weet te houden, heb je zelf al iets gezegd in het hoofdstuk over Paul Vlaanderen. Er zou nog meer over te vertellen zijn, bijvoorbeeld, dat het voor die luisteraar een groot geluk is, dat hij voor zijn luidspreker gezeten uit zijn eigen wereld getild wordt en "het andere" beleeft als een nieuwe werkelijkheid. Natuurlijk zou ik de door jou genoemde komische reacties ook nog kunnen aanvullen. Maar daar gaat het niet om. Het voorgaande moest ik alleen zeggen om te kunnen concluderen:

Ik voel me na vijfentwintig jaar hoorspel als iemand die weet, dat hij zijn vrienden niet tellen kan, dat overal in het land mensen zijn in wier gedachten hij een plaatsje heeft... en die daar erg dankbaar voor is. En ten tweede voel ik me als iemand, die het voorrecht heeft, graag nog eens opnieuw te willen beginnen... met de ondervinding van het verleden er bij natuurlijk…"

Kommer breekt abrupt af en zwijgt... Hij vindt kennelijk, dat hij al erg veel over zichzelf gezegd heeft. Want weliswaar betoogt hij graag, maar dan toch alleen over het werk... Het blijft even stil...

Dan vraag ik schuchter: "Heb ik te weinig komische voorvallen verwerkt, Kommer?"

"Nee, nee, neer, schiet hij uit. "Ik vind het juist zo prettig, dat dit nu eens geen "leuk" boek is geworden. Schrijvers over een onderwerp als dit, die met alle geweld grappig willen zijn, komen er zo gauw toe om, wanneer de werkelijkheid hun niet genoeg aanknopingspunten biedt, aan het fantaseren te slaan... Wij bij de radio zijn nu eenmaal niet zo "leuk", al maken we onder elkaar vaak een grapje... Maar die grapjes moeten ook onder elkaar blijven."

"Vertel me toch nog maar een paar anekdotes. Na het eigenlijke boek, zo onder een sigaartje, kan dat wel."

"Ik zou niet weten, wat ik je zou moeten vertellen. Tegenwoordig gebeurt er in de studio zelden meer iets grappigs, dat je lezers interesseren kan. Dat weet je immers zelf ook wel. Vroeger, in de tijd van de directe uitzendingen, kwamen we nog wel eens voor verrassingen te staan. Maar die grappige voorvallen zijn een beetje verouderd."

Opeens lacht Kommer zijn karakteristieke lach:

"Weet je nog... of was je er niet bij... dat de dirigent me bij "Egmond" het boekje uit m’n hand sloeg, zodat ik uit het hoofd verder moest gaan'? Ik vond het om de drommel niet grappig... al kende ik de rol ook goed... Maar als je wilt kun je het vermelden, al heeft het destijds ook in de krant gestaan... Voor de rest: geen adektotes, alsjeblieft."

"Je noemde het zostraks een groot geluk voor de luisteraar, dat hij de werkelijkheid vergeet en zich een nieuwe realiteit schept."

"Zeker En daarin schuilt juist de enorme suggestieve kracht van het hoorspel."

"Ja, maar is het dan principieel juist, hem achter onze coulissen te laten neuzen?"

Kommer kijkt me even aandachtig aan en begint dan zachtjes te lachen: "Je bedoelt, of je boek eigenlijk wel geschreven had moeten worden? Ik vind, dat je er goed aan hebt gedaan, de geschiedenis van het hoorspel, sinds zijn ontstaan, een kwart eeuw geleden, vast te leggen. En aan de andere kant zal de luisteraar het hoorspel pas dan artistiek en technisch volkomen kunnen waarderen, als hij in grote trekken weet, hoe het tot stand komt.

Trouwens, de vragen op dit gebied, die mij in de loop van deze kwart eeuw bereikt hebben, zijn legio... Misschien is er voor de outsider minder romantiek achter onze schermen dan achter die van het toneel... maar achter die van ons heerst een zeer speciale "neo-romantiek"... die der twintigste eeuwse technische ontwikkeling. En ik geloof, dat deze de jonge generatie minstens evenzeer aantrekt, als onze generatie eertijds werd aangetrokken door die bekende "ouderwetse" romantiek van het toneel."

"Akkoord. Maar je vindt toch niet, dat ik had moeten schrijven, hoe de spelers er uitzien, wel? Dat heeft iemand me namelijk gevraagd. Maar het leek me een beetje droog, zo’n opsomming in de geest van: BERT DIJKSTRA: lang één meter zoveel... taillemaat... ogen... haar…"

"Dat doe je toch niet?", vraagt Mien verschrikt, terwijl ze de thee voor ons neerzet.

Ik stel haar gerust. En dan vertolkt Kommer mijn eigen gedachten door op te merken:"Wie wil weten, hoe de spelers er uit zien, kan hun foto’s bekijken. Voor de luisteraar aan zijn toestel doet het er niets toe hoe de speler er uit ziet. Het komt er alleen op aan, welke figuur hij met zijn stem weet te scheppen. Die figuur kan de luisteraar zich naar eigen smaak voor ogen toveren. En de kennis van het ware uiterlijk van de speler kan hem daarbij alleen maar hinderen... Bij de televisie gaat dat allemaal anders worden... helaas... Je hebt zelf de vergelijking getrokken tussen een boek en een hoorspel. Beide wekken ze de fantasie op. En juist daarom geloof ik, met jou, dat het hoorspel zich evenzeer zal hand haven als het boek... ondanks de film en ondanks het televisiespel."

"Een koekje?", vraagt Mien; en ze voegt er aarzelend aan toe: "Ik... eh... ik wou je nog iets vragen... Kun je mij niet helemaal schrappen uit dat boek? Ik heb nooit iets met het toneel te maken gehad en nooit iets met de radio... Ik hoor er werkelijk niet bij…"

Wat moet je op zoiets nu antwoorden? Ik weet niet anders te zeggen dan: "Nee, natuurlijk niet. Jij had alleen maar met Kommer te maken... Maar dat lijkt me toch heus wel genoeg…"

En dan schakel ik snel nog even om: "Zeg, Kommer, hoe heeft "Mijn naam is Cox" het bij de luisteraars gedaan?"

"Ik ben blij, dat je die vraag stelt," zegt Kommer, "want het antwoord er op is inderdaad belangrijk. Cox was na vele, vele jaren "Paul Vlaanderen" het eerste thriller-seriehoorspel van andere aard. Ik moest wel naar iets anders zoeken, omdat Durbridge er de brui aan gaf... wat ik hem overigens niet kwalijk kon nemen. Maar hoe zouden de luisteraars reageren? Velen hadden zich zo aan "Paul Vlaanderen" verknocht getoond, dat het zeer waarschijnlijk leek, dat ze zouden weigeren, een andere "held" zo maar te aanvaarden. Toch is het anders gelopen.

"Cox" heeft het uitstekend gedaan en er waren zelfs talrijke luisteraars, die dit hoorspel beter vonden dan de laatste Vlaanderens... Ik ben hier blij om. Niet zozeer vanwege dit speciale geval, maar omdat er opnieuw uit blijkt, dat de luisteraar, hoezeer hij vaak ook met bepaalde uitzendingen en met bepaalde figuren daarin meeleeft, zijn gezond verstand en zijn onderscheidingsvermogen toch niet verliest. Zoals wij ons dikwijls moeten omschakelen, weet hij zich ook op zijn beurt om te schakelen als dat moet. En dit bewijst nog eens, dat hij een springlevend element is in onze radiowereld... een element, waarmee we rekening moeten houden... maar waar we ook op kunnen vertrouwen, in artistieke zin."

Dit leek me een gunstig slotwoord. Trouwens, de thee was op en de sigaar ook. En men moet een gesprek en een verhaal nooit langer maken dan strikt noodzakelijk is. Dus nam ik afscheid en ging heen... natuurlijk gewapend met een verse sigaar "voor onderweg"…

Toen ik in de heerlijke zomerzon de Johan Geradtsweg afkuierde in de richting van het centrum van de radiostad... zag ik in gedachten al die jaren nog eens aan me voorbij trekken... de jaren van Kommer’s Dortse tijd, van zijn toneelschoolopleiding en van Verkade... maar bovenal die vijfentwintig rijke radiojaren, waarin een nieuwe kunst geboren werd uit een der schoonste elementen van het toneel: het woord... Jaren van opbouw, van struikelen en weer opstaan, van toegewijde arbeid in dienst van het immens publiek… jaren waarin aan het eind van klassieke en moderne toneelstukken, pasklaar gemaakt voor de microfoon, van romanbewerkingen en oorspronkelijke luisterspelen, van honderden, honderden uitzendingen, altijd weer de omroeper deze slotzin sprak:

De spelleiding had… Kommer Kleijn.

EINDE.