De spelleiding heeft… Kommer Kleijn

Een kwart eeuw hoorspel in Nederland. Gehoord en gezien door Rob Geraerds.

Uitgeversmaatschappij West-Friesland, Hoorn, juli 1954.

Hoofdstuk 16: En nu de televisie.

Nadat, al vele jaren geleden, de louter visuele film het woord tot zich trok, was het te voorzien, dat eens de louter akoestische radio het beeld tot zich trekken zou. Dit lag geheel in de lijn der technische ontwikkeling.

Toen dit eenmaal was geschied, is echter in het algemeen één uiterst belangrijke factor over het hoofd gezien. En wel deze: het beeld is in het menselijk waarnemingsvermogen primair, het woord secundair - hetgeen misschien wel samenhangt met het feit, dat het licht zoveel sneller en vitaler is dan het geluid, zoals in het vorig hoofdstuk gememoreerd werd.

Toen dus de film het woord assumeerde, behield ze volkomen haar karakter en bleef ze film. Het woord is alleen bedoeld ter onderstreping van het beeld en treedt in de goede film nooit op de voorgrond. Maar toen de radio het beeld assumeerde, verloor ze haar karakter en hield ze op radio te zijn; ze werd tot een zekere vorm van "film". Het gesproken woord is hij de televisie niet primair, want het beeld is er niet alleen maar af en toe ter onderstreping van het woord. Het beeld zou trouwens met die bescheiden positie ook nooit tevreden zijn; dat ligt niet in zijn karakter. Zodra het beeld er is, overheerst het en dringt het ’t woord naar de tweede plaats. Al kan natuurlijk de televisie het woord zoveel mogelijk naar de voorgrond halen, in principe heeft ze minder te maken met de radio dan met de film. Niets kan ons bij een televisie-uitzending - zonder fouten! - vertellen, dat we niet naar een radiografisch uitgezonden film zitten te kijken. O zeker, we kunnen de uitzenders op hun woord geloven - en we kunnen zelfs uit de dagbladberichten wéten - dat wat we op het televisiescherm zien op ditzelfde moment ergens gebeurt. Maar het beeld zelf geeft datgene wat we gewend zijn geraakt "film" te noemen. Dikwijls trouwens is het televisiebeeld inderdaad de weergave van een filmstrook. Hiermee wil natuurlijk niet gezegd zijn, dat de televisie in détails geen eigen vorm zal kunnen vinden. We wilden slechts het wezen van de televisie karakteriseren.

En in dit wezen ligt waarschijnlijk de oorzaak van het feit, dat de televisie bij ons zeer nuchtere volk - dat zich niet makkelijk op een illusie laat meevoeren - niet die weerklank gevonden heeft, welke men verwachtte, in verband met de successen in andere landen. Men heeft deze oorzaak in vele richtingen gezocht, maar, gezien de aard van ons volk, de meest voor de hand liggende verwaarloosd.

De omstandigheid, dat men nu "film" in de huiskamer gebracht kreeg, dat dus het gemak van de mens in belangrijke mate werd gediend, leidde voorlopig niet tot gunstiger reacties, in verband met de prijs van het toestel, dat daartoe aan gekocht moest worden.

Intussen zal niemand er aan twijfelen, dat, hoe moeilijk het eerste begin is geweest en nog altijd is, ook in ons land de televisie een zeer belangrijke plaats in het maatschappelijk leven zal gaan innemen; en dat ze, alleen reeds daar ze een "huiskameraangelegenheid" is, een zekere invloed op de radio zal gaan uitoefenen. Vandaar dan ook, dat de radiowereld - evenals de filmwereld trouwens - zich in hoge mate voor de ontwikkeling van de televisie interesseert.

Het zou buiten het bestek van dit boek vallen, op de mogelijkheden van de televisie in het algemeen dieper in te gaan. Wat ons speciaal belang inboezemt, is de positie, welke in dat groter geheel het televisiespel zal gaan innemen; en welke invloed dit spel op het hoorspel zal kunnen hebben.

Het lijkt ons niet onvoorzichtig, te profeteren, dat het televisiespel, zeker in Nederland, ook na beëindiging van de eerste ontwikkelingsperiode, geringere kansen zal krijgen dan het hoorspel. Deze "profetie" toch is gebaseerd, zowel op artistieke als op technische feiten.

Om te beginnen met de technische - waaraan dan dadelijk de financiële gekoppeld moeten worden: Een televisiespel eist een veel langere voorbereiding dan een hoorspel, dan een toneelspel van gelijke duur zelfs. De spelers moeten hun rollen niet alleen kennen, maar ook grondig beheersen. Dit betekent dus, dat ze voor één uitzending lange tijd beschikbaar moeten zijn, hetgeen kostbaar is en tevens het aantal uitzendingen zal beperken. Hierbij komen dan nog de kosten der monteringen. En dit alles voor één enkele manifestatie op het beeldscherm. Het worden wel zéér kostbare zendminuten; en ze zullen hun prijs volledig waard moeten blijken, wil men ze blijvend aan het televisiespel schenken.

Tot nu toe heeft men de kosten zoveel mogelijk gedrukt, door fragmenten van toneelvoorstellingen en zelfs complete opvoeringen in de oorspronkelijke toneelbezetting voor de televisie te brengen. Welke gunstige resultaten men hier soms ook mee bereikte, het systeem doet ons al te zeer denken aan het verfilmde toneel en aan de voor de radio gebrachte toneelstukken uit de eerste periode van film en hoorspel. Wil men bij de televisie tot een eigen kunst geraken, dan zal men zo spoedig mogelijk andere wegen moeten inslaan en dan zal men zich er op moeten toeleggen, het oorspronkelijke televisiespel uit te tillen boven het niveau van cabaret of populaire eenakter.

Aan de hand van het bovengeschetste wezen der televisie blijft het echter de vraag - en nu bepalen we ons tot de artistieke feiten - of het televisiespel zich een geheel eigen aard zal kunnen veroveren. Zal het visuele en filmische element daarvoor niet te krachtig blijken? En zou het dan misschien niet zo zijn, dat de redding van liet televisiespel in artistieke zin gelegen is in een zo ver mogelijk naar de achtergrond schuiven van het woord... dat in deze technisch aan de radio ontsproten kunst feitelijk hoofdzaak zou moeten zijn?

Het zijn vragen; maar omdat liet beeld nu eenmaal primair is ten opzichte van het woord, lijkt het niet zo onmogelijk, dat de schepper van het televisiespel zich zal hebben te concentreren op het visuele, op de bewegingskunst. Hij zal daarbij, wanneer zijn artistieke intenties krachtig genoeg zijn, zeker niet hoeven af te dwalen naar het terrein van de cineast.

Onze gedachten gaan nu vanzelf in de richting van de danskunst, als bewegingskunst bij uitnemendheid. Ook geheel afgescheiden van het televisiespel, zou de televisie voor deze kunst wel eens kunnen worden, wat de radio geworden is voor de muziek, een propagandiste bij uitnemendheid. Zoals Vogt zich eens ten doel stelde, Beethoven in de kamer van de gewone man te brengen, zal de televisie de danskunst bij ons volk kunnen populariseren. Wellicht zal ook hier dan sprake zijn van wederkerigheid: deed de radio veel voor de muziek, deze deed op haar beurt niet minder voor de radio.

En het lijkt dan helemaal niet onwaarschijnlijk, dat diezelfde danskunst de basis gaat worden van een spel met een geheel eigen karakter!

En nu het tweede probleem Zal het hoorspel door het televisiespel verdrongen worden? Zeker niet, wanneer dit laatste een karakterloos tussending blijft tussen film en radio. Maar evenmin als liet zich ontwikkelt tot een nieuwe kunst in de door ons geschetste richting. Want dan zal het 't hoorspel, dat louter en alleen de kunst van liet woord brengt, in geen enkel opzicht belagen.

Als zelfstandige kunstvorm heeft het hoorspel grote bekoring gekregen voor ontelbaren. Het prikkelt hun fantasie. Ze kunnen zich met dichte ogen naar eigen aard een beeld vormen van de mensen en de milieu’s. haast net als bij lezing van een boek. Misschien, dit tussen haakjes, dat juist daarom de roman er zich zo bij uitstek toe leent om voor de microfoon bewerkt te worden.

Zou er iemand zijn, die minder boeken is gaan lezen, omdat hij naar hoorspelen luistert? En als we weten, dat voor bepaalde hoorspeluitzendingen de bioscoop, de schouwburg, het kaartavondje en zelfs de wintersportreis moeten wijken... dan lijkt het waarschijnlijk, dat ook de beeldknop van de televisie wel eens zal worden afgedraaid voor een hoorspel, dat men niet wil missen.

Dit wordt trouwens al bevestigd door de ondervindingen in Amerika, waar de televisie reeds ingeburgerd is. Ondanks de meer dan vijftien miljoen kijkers gaan de hoorspeluitzendingen regelmatig door; hoogstens is de zendtijd voor elk hoorspel afzonderlijk wat bekort. Van hoeveel betekenis de hoorspeluitzendingen nog altijd zijn, blijkt wel zeer duidelijk uit het feit, dat de reclames, die in Amerika de radio grotendeels financieren, in de meeste gevallen aan het hoorspel gebonden. worden. Als het hoorspel niet voldoende luisteraars trok, zou-den de geroutineerde Amerikaanse publicity-managers hun aandacht er zeker niet op richten.

Maar ook Engeland vertoont hetzelfde beeld. Ondanks enkele millioenen televisiekijkers, gaat de BBC onverminderd door met de hoorspeluitzendingen.

We mogen rustig aannemen, dat geen televisiespel, hoe geslaagd ook, het hoorspel nog zal kunnen verdringen.

Natuurlijk zal de radio in het algemeen en dus ook het hoorspel een zekere "concurrentie" ondervinden van belangrijke televisie-uitzendingen en zal speciaal het hoorspel misschien luisteraars verliezen aan de televisie-uitzendingen van een bijzonder mooie film of een voortreffelijke toneelvoorstelling. Maar dit betekent allerminst, dat die uitzendingen de luisteraar van het hoorspel zullen vervreemden. Bovendien mag, gezien de invloed van de radiowereld op de televisie - welke een felle concurrentie uitsluit - worden aangenomen, dat de samenstelling der programma’s (wanneer eenmaal regelmatig televisie-uitzendingen plaats vinden) wel zozeer in gemeenschappelijk overleg zal geschieden, dat belangrijke artistieke manifestaties voor de televisie en voor de radio niet samenvallen.

Zij, die van het hoorspel zijn gaan houden om z’n eigen karakter, zullen het trouw blijven, zolang de radio haar hoorspel-uitzendingen op peil houdt. Daar zijn we zeker van.

De geschiedenis van de televisie in Nederland is nog zeer jong. Deze begon in 1936 met enkele door Philips uitgevoerde experimenten. Spoedig daarna werd van regeringswege een commissie ingesteld, waarin regering, radio-omroep en Philips overleg zouden plegen over de verder te volgen gedragslijn. Maar de Tweede Wereldoorlog haalde een streep door dit alles. Begin 1948 hervatte Philips zijn activiteit naar buiten met regelmatige experimentele uitzendingen van het laboratorium in Eindhoven uit. Hiermee werd een traditie voortgezet. Philips immers was ook de vader van de Wereldomroep, destijds gesplitst in PHOHI (Nederlandse uitzendingen voor onze toenmalige koloniën) en P.C.J. (uitzendingen in het Engels en Spaans voor de rest van de wereld). Van deze Philipsomroepen was Edward Startz, die nog altijd aan de Wereldomroep verbonden is, de ziel.

Talrijke kunstenaars verschenen bij Philips voor de televisie- camera, tot de experimentele uitzendingen medio 1951 werden gestaakt. Toen kon de zorg voor het couveusekindje aan de familieleden worden overgedragen. Deze waren groot in aantal. Om te beginnen waren er de leiders van de omroepverenigingen en de Nederlandse Bioscoopbond. Verder de PTT en de zendermaatschappij, waarbij ook de regering betrokken was. Tenslotte hield Philips natuurlijk graag een oogje in het zeil, ook om, waar nodig, te helpen. Aanvankelijk lag het in de bedoeling van de regering, een zelfstandig lichaam te creëren, dat gedurende een proeftijd de verantwoordelijkheid zou dragen, zowel voor de programma’s als voor de technische uitvoering daarvan. Toen echter, na lang discussiëren, eind 1951 werkelijk een tweejarige proeftijd begon, waren het uitsluitend de omroepverenigingen - tezamen gebracht in de Nederlandse Televisie Stichting - die de programma’s te verzorgen en te financieren kregen. Philips steunde met een studio te Bussum, de technische apparatuur en zijn getraind technisch personeel. De PTT bracht de zender en de bediening daarvan in en verleende een zendvergunning van de NTS.

Gedurende de proeftijd, die eind 1953 afliep, werden bij toerbeurt door de radio-omroepverenigingen twee avonduitzendingen per week verzorgd. Het begin was dus zeer bescheiden. Ook thans, nu men tot een meer definitieve organisatievorm is geraakt en de regeringssubsidie belangrijk is verhoogd, is men het stadium der bescheiden uitzendingen nog niet te boven en moeten nog vele moeilijkheden overwonnen worden. De post "kijkgelden" is nog steeds een groot vraagteken. Deze post zal voor de financiering van de televisie belangrijk moeten worden. Maar de kijker zal pas bereid zijn, een toestel te kopen en een bijdrage te betalen, als het gebodene en zijn eigen enthousiasme hem daartoe reden geven. Wat de reclame in de televisie betreft laat zich dezelfde vicieuze cirkel gelden: ook al is de regering bereid, die reclame te accepteren, dan zal er toch eerst een voldoende aantal kijkers moeten zijn om deze reclame, voor hem die haar maken gaat, waarde te verlenen.

Dit vluchtig overzicht van de groei der televisie in Nederland hebben we de lezer niet willen onthouden. Verder echter moeten we ons houden bij ons onderwerp, in dit geval: het televisiespel.

De verzorging van dit spel eist natuurlijk in de eerste plaats regisseurs, die zowel de op dit terrein noodzakelijke artistieke als technische bekwaamheden bezitten. Ook de hoorspelregisseur heeft uiteraard aan artistieke talenten alléén niet genoeg; hij moet de technische mogelijkheden en noodzakelijkheden van de microfoon terdege kennen. De regisseur van het televisiespel zal bovendien vertrouwd moeten zijn met de nukken en kuren van de televisiecamera.

Het ligt voor de hand, dat dit de jonge, zelfstandige televisie al dadelijk in moeilijkheden bracht. Men beschikte niet over radioregisseurs met kennis van de televisiecamera. En het ging niet aan, in- of outsiders zo maar bij de televisie te betrekken, het aan hen overlatend zich "in te werken". Weliswaar hadden de eerste hoorspelregisseurs hun eigen weg moeten zoeken in de wereld der techniek, maar de televisie was in Eindhoven al uit het technisch-experimentele stadium geraakt. Dus werd in eerste instantie de regie in handen gelegd van de man, die jarenlang bij Philips als regisseur was opgetreden en de ontwikkeling van de televisie van het prilste begin af mede had geleid: Eric de Vries. Tevens werd hij belast met de opleiding van een groep adspirant-regisseurs, aangewezen door de verschillende omroepverenigingen. Na een eerste opleiding volgde deze groep een cursus bij de BBC te Londen.

Zo beschikt de televisie thans dus over een aantal, merendeels jonge regisseurs, die zich in het bedrijf verder kunnen bekwamen. De verbintenis met Eric de Vries werd eind 1953 verbroken.

Het is zeker merkwaardig, dat de omroepen bij het bepalen van hun keus inzake de adspirant-regisseurs, in het algemeen - er zijn enkele uitzonderingen - niet allereerst de artistieke kwaliteiten der pretendenten lieten gelden, maar hun technische aanleg. Dit was misschien verklaarbaar omdat de camera nu eenmaal een technisch instrument is. Maar er schuilde toch een groot gevaar in. Evenals bij de film en de radio toch is de functie van regisseur bij de televisie allereerst een artistieke. Het bepalen van een repertoire, liet speelklaar maken der teksten, het componeren van het beeld, het aangeven van kostuums en décors, het leiden van de spelers bij de opbouw der karakters, het aangeven der intonaties... doch bovenal het kiezen van een richting en het scheppen van een stijl - men herinnerd zich wat we schreven over het oorspronkelijke televisiespel met een eigen karakter - verlangen artistieke inzichten en bekwaamheden. De regisseur, die de technische zijde van dit "bedrijf" volkomen beheerst, zal toch tekort schieten, wanneer hij niet tevens kunstenaar is! Zijn tekortkomingen zullen mogelijk nog niet blijken, zolang hij bestaand toneel voor de televisie brengt, maar ze zullen een sterk remmende factor worden, zodra het oorspronkelijke televisiespel zich verder gaat ontwikkelen.

Dat de televisiestudio aanmerkelijk verschilt van de hoorspelstudio, ligt voor de hand. Ze vertoont meer verwantschap met de filmstudio, al verschilt ze ook hiermee op talrijke punten. De televisiecamera is gebonden aan een bepaald beeldvlak, hetgeen de bewegingsvrijheid van de speler aanmerkelijk remt. Voorts heeft de speler rekening te houden met verschillende camera’s. De beelden van deze camera's worden geprojecteerd in de controlekamer, waar de technici voor bijstelling en doorzending zorgen. Deze technici hebben het heel wat moeilijker dan die van de film, die rustig kunnen snijden en plakken.

Televisiespel De toverspiegel. Televisiespel "De toverspiegel" rechtstreeks uitgezonden op 2 oktober 1951.
Albert van Dalsum als professor Video en Louis Bouwmeester als Leerling.

Een enkele opmerking over de positie van de radiospeler bij de televisie mag niet ontbreken. Het optreden voor de televisie is uitengewoon inspannend. Er wordt rechtstreeks en dus continu uitgezonden; de speler moet rekening houden zowel met de microfoon als met de camera; een volledige beheersing van de tekst is noodzakelijk; voortdurend wordt de speler in al zijn bewegingen en reacties gadegeslagen door de kijker. Het kan dus niet verbazen, dat lang niet alle radiospelers van enthousiasme voor de televisie blaken. Zeker zullen zij een grote reserve in acht nemen, die zich er van bewust zijn, dat ze vele rollen niet voor de camera zullen kunnen spelen, die ze met hun stem alleen wèl reliëf weten te geven.

Anderzijds is het even logisch, dat ook de televisie voorzichtigheid betracht. Ze zal stellig geneigd zijn haar spelers bij de radio te zoeken - de band tussen radio en televisie staat daarvoor trouwens borg - maar ze zal zich ook bewust zijn van het feit, dat lang niet elke radiospeler geschikt zal blijken voor de camera.

We hebben uitvoerig beschreven, hoeveel bijzondere eisen aan de radiospeler door de microfoon worden gesteld. En we hebben daarbij opgemerkt, dat vele toneelspelers van formaat aan die eisen niet voldoen, omdat ze de microfoon niet aanvoelen. Nu is het zeer wel mogelijk, dat toneelspelers, die voor de microfoon falen, in de televisiestudio slagen.

Dus zal de televisie haar spelersmateriaal ongetwijfeld ten dele uit radio- en ten dele uit toneelkringen gaan betrekken. Ze zal dan echter tevens terdege rekening hebben te houden niet het feit, dat men in beide kringen zijn handen reeds vol heeft. Misschien zal dit er in de toekomst toe leiden, dat ook de televisie haar eigen kern van spelers krijgt.

Maar op dit ogenblik zijn we nog lang niet zo ver.

En daarom doen we beter, het korte bezoek aan de televisiewereld af te breken en nog een laatste blik te werpen op de hoorspelacteur, zoals hij voor de microfoon staat... als de toegewijde dienaar van een zelfstandige aan liet toneel ontgroeide kunstvorm, welke de weg naar de harten van miljoenen Nederlanders vond en daarin wel een plekje behouden zal...