Een interview met Eva Janssen en Emile Kellenaers
Margriet, 13 augustus 1949.
Om en bij de microfoon.
Het echtpaar Kellenaers-Janssen.
Ina, die eigenlijk Eva heet.
Ze werd geboren even voor de Eerste Wereldoorlog en ze had nog zes broertjes en zusjes, zodat het voor haar ouders niet zo eenvoudig was om haar naar een HBS te sturen. Daarom lieten ze haar bijlessen geven - het kind moest toch wat algemene ontwikkeling hebben, niet waar? - door Frits van Dijk, die haar oorspronkelijk plan, "later" kindertoneelspelen te gaan schrijven en voor te dragen, de kop indrukte met zijn conclusie: "Je hebt veel betere kwaliteiten - je moet naar de Toneelschool."
Dat ze die kwaliteiten wel degelijk bezat, dat het tengere meisje met de snelle, aantrekkelijke glimlach inderdaad talent had, bleek uit het feit, dat zij een studiebeurs kreeg voor de Amsterdamse Toneelschool. Hier zat ze in dezelfde klas als Nell Koppen, en twee klassen hoger ploeterden Ank van der Moer en Wim Kan.
In 1933 deed het meisje eindexamen en slaagde. Twee jaar speelde ze bij het Groot Nederlands Toneel, samen met Paul Huf, Johan de Meester jr. en Tilly Perin-Bouwmeester. Maar in tegenstelling met de heersende gewoonte, dat iedere leerling van de Toneelschool in het eerste jaar na het eindexamen debuteert, had Eva in 1935 nog niet haar debuut gemaakt.
De tijden waren slecht en in 1935 ging ze ambulant spelen bij Cor Ruys. Deze was bevriend met Adolf Bouwmeester, die aan de VARA was verbonden en iemand nodig had om in een luisterspel een kinderrol te vervullen. Eva Janssen was hiervoor uitermate geschikt en zo maakte ze dus haar radiodebuut.
Ze speelde nadien dikwijls mee in hoorspelen en in 1937 werd ze vast aan de VARA verbonden, werkte daar tot 1941, kon zich toen niet langer meer verenigen met de opvattingen van de mensen, die in de studio's het beheer voerden, en ging dus maar naar huis.
Vier jaar lang deed ze in het aardige villaatje in de buurt van de Loosdrechtse plassen haar huishouding; ze verzorgde haar man, die in 1943 moest onderduiken, trachtte haar hond te kalmeren als deze meedeed met de sirenes van het luchtalarm en… mopperde dat ze alleen nog maar ouwe-vrouwen rollen zou kunnen spelen, wanneer alles was afgelopen.
Maar haar "come back" in 1945 (ze was praktisch een der eersten die weer door Radio Herrijzend Nederland werden geëngageerd) bewees wel anders. Ze volgde Lily Bouwmeester op als het kordate kindvrouwtje Ina van Paul Vlaanderen; in Dombey en zoon vertolkte zij de rol van Florence - het dochtertje dat van kind vrouw wordt. In het naar de gelijknamige film vervaardigde hoorspel De zevende sluier gaf ze een vertolking van Francesca, die zo af was, dat de filmmaatschappij, welke de rolprent in omloop had gebracht er haar een compliment over maakte.
Niet alleen het lichtere genre ligt haar - haar persoonlijke voorkeur gaat zelfs uit naar tragische rollen. Zo speelde ze eerste Paasdag Gretchen in Goethe's Faust. Haar man was verrukt van haar prestaties, maar toen ze naar huis fietsen kreeg Eva een akelig down gevoel: er scheen met het stralende weer niemand in huis gebleven te zijn en er zou dus ook wel niemand hebben geluisterd. Een paar dagen later bereikte haar een brief van een groot Goethekenner, die haar bekende, dat haar Gretchen-vertolking hem diep had ontroerd. En dat maakte alles voor Eva weer goed.
Eva houdt van het radiowerk. "Al is het dikwijls een vreemde gewaarwording "Paul, lieveling!" tegen Jan van Ees te zeggen, terwijl hij voor een andere microfoon met de rug naar me toe staat. En u herinnert zich misschien dat in De zevende sluier mijn stem zo vaag wordt als ik met de psycholoog spreek? Nu, dat gedeelte moest in een andere studio worden opgenomen dan dat, waarin ik in mijn jeugd ben. Ik rende dus maar heen-en-weer, erg vermoeiend en zenuwslopend, want al worden de meeste hoorspelen op platen opgenomen, (Faust was een der weinige uitzonderingen) toch leef je altijd in spanning, wanneer het "draaien" is. En dat is goed - anders zou je vervlakken. Het grote voordeel van een plaatopname? Dat je zelf kunt luisteren of je het inderdaad zo deed als je dacht. Mijn man en ik luisteren dan ook altijd en steeds leer ik er van…"
De man, die nooit is opgevallen.
Misschien heeft u, luisteraar, wel eens gemerkt, dat de rolverdeling en de inleiding van een hoorspel in de regel door een andere omroeper wordt voorgelezen dan door degene, die even te voren nog de programma's aankondigde.
De stem van deze "andere" hoort u ook wel eens gewoon omroepen, wanneer de AVRO in de lucht is en onfeilbaar zeker weet u, dat u ook vroeger deze stem regelmatig hoorde. Dat klopt - voor de oorlog was Emile Kellenaers, omroeper bij een andere omroepvereniging. Met de verschuivingen, die sedert de opheffing van Herrijzend Nederland in de radiowereld plaats vonden, werd hij in 1946 door de AVRO aangesteld als ja, als wat eigenlijk?
Hij is namelijk van alles: omroeper, als het nodig is; regisseur van kleinere hoorspelen; voordrachtskunstenaar. Hij zit in de commissie voor hoorspel-beoordeling, hij is de samensteller van het Radioprogramma in een Notedop - hij doet nog veel meer en toch is hij nog nooit opgevallen. Tenminste, dat zegt hij zélf.
Emile Kellenaers begon zijn carrière weer op zo'n wonderlijke manier als in de Lage Landen maar zelden voorkomt. Nadat hij drie jaar op het Gymnasium was geweest, ging hij naar het opleidingsschip Pollux - zijn ouders hadden hem nu eenmaal voor de scheepvaart bestemd en hielden weinig of geen rekening met Emile's verlangen om aan het toneel te gaan. Vier jaar lang voer hij als stuurmansleerling, kreeg er op zijn negentiende dik en dik genoeg van en ging. ondanks de protesten van de kant van zijn familie zijn geluk eens beproeven bij het Hofstadtoneel van Cor van der Lugt Melsert.
Veel anders dan brieven opbrengen kreeg hij echter niet te doen en daarom ging hij op advies van Louis van Gasteren in los verband voordragen. Op deze manier trok hij de aandacht van het Instituut voor Arbeidsontwikkeling en vanaf 1929 gaf hij elke zondagochtend een voordracht van een uur. Tevens werd hij ambulant toneelspeler bij Cees Laseur en het Gezelschap Verkade, terwijl hij 's zomers nog de kermissen in Brabant, Limburg en Vlaanderen afreisde en zijn beste beentje voorzette in onder andere De witte non en De Twee wezen.
Maar in 1931 maakte hij zijn radiodebuut en wel met 'n voordracht van een Vlaamse Volksvertelling, waarmee hij zoveel succes had, dat hij voortaan iedere maand in het AVRO-programma werd ingeschakeld.
In 1937 werd hij, samen met zijn vrouw (ze waren in 1936 getrouwd) door de VARA in vaste dienst genomen. Zo konden wij zijn stem tot 1943 toe regelmatig horen. Toen haalde hij echter een paar grapjes uit, die naar de mening van de Duitse studiobeheerders niet door de beugel konden, en achtte hij 't raadzaam te verdwijnen. In een ruimte boven het ingebouwde buffet doorstond hij een huiszoeking, terwijl zijn vrouw niet kon slikken van angst.
"Maar ik ben er goed doorgekomen. Toen de omroep zich na de bevrijding weer groepeerde, kwam ik bij de AVRO en twee jaar nadien werd mijn wensdroom om regisseur te worden, verwezenlijkt. Voor de AVRO, die evenals de andere omroepverenigingen de beschikking heeft over de zo genaamde hoorspelkern van de Nederlandse Radio Unie (waaraan alle hoorspelacteurs en -actrices zijn verbonden) regisseer ik nu de korte hoorspelen.
Het is erg prettig werk en zelfs uit het kleinste krantenberichtje kun je iets aardigs halen. Ik geef de voorkeur aan stukken met een psychologische inslag, die er bij het publiek ook goed ingaan.
We hebben momenteel anders uitstekende spelers - ikzelf werk echter het liefste met de jongeren, zoals met mijn vrouw, met Han Surink, met Annemarie van Ees. Dan draag ik regelmatig een kwartier voor, spreek bij de programma's van Dr. Merkelbach, breng met Pierre Palla Le Piano Romantique voor de microfoon. Ik heb Go Daane ook wel eens geassisteerd bij haar ziekenuurtje en sprak over ex-libris.
Naar aanleiding hiervan kreeg ik er van verschillende kanten toegestuurd - een teken dat de mensen luisteren en dat is een prettig en opwekkend idee, als je doodmoe uit de studio's komt."
Maar op z'n best is hij toch wel met de bijzondere klankbeelden - in de laatste tijd maakte hij er onder ander één over de Franse kathedralen en over de Spaanse danseres La Argentina. Momenteel werkt hij aan een klankbeeld over Goethe. Ongelooflijk, dat iemand zóveel dingen tegelijk kan doen.
Nog ongelooflijker dat iemand, die zo hard werkt, nog tijd overhoudt om zijn vrouw te helpen bij het instuderen van haar rollen en om in de zomermaanden zijn enige hobby te beoefenen - zeilen op de Loosdrechtse plassen!