De witte villa
De auto van hoofdvertegenwoordiger Trip heeft pech, zodat hij onvoorzien in een boerendorpje moet overnachten. Daar het enige logement lawaaierig en bovendien bezet is, verwijst men hem naar een eenzame villa, waar gasten bij gelegenheid ook wel eens onderdak vinden.
Daar treft hij vier oude heren aan, die hem vergasten op een kostelijk avondmaal plus exquise wijnsoorten - helemaal gratis. De enige voorwaarde is dat hij meespeelt met hun spel. Trip is vrolijk verbaasd en stemt erin toe.
De heren zijn vier sinds lang gepensioneerden uit de gerechtelijke sfeer: een openbare aanklager, een advocaat, een rechter en iemand die de rol van "beul" op zich neemt. Wekelijks spelen ze tweemaal een rechtszaak en hebben daarvoor natuurlijk een "beklaagde" nodig, die ze telkens van buiten aantrekken. Trip vindt de rol even aangenaam als het genuttigde maal, maar zijn advocaat waarschuwt hem van bij de aanvang niet lichtzinnig te praten.
Hij schrikt vooral als Trip fier spreekt over zijn nieuwe Studebaker, de opvolger van zijn goedkope oude Citroën, en hoe hij promotie maakte nadat hij zijn schielijk overleden baas verving. Zeer vergenoegd bekent Trip bovendien dat deze baas plots een hartinfarct had gekregen, dat hij met diens vrouw een amusante verhouding had en dat hij er pret aan had beleefd dit door een derde aan de onsympathieke, met de ellebogen werkende chef te laten overbrieven.
Nu volgt de beschuldiging van de openbare aanklager, die het over moord en doodstraf heeft. Daarna volgt het pleidooi van de advocaat, die vrijspraak vraagt daar Trip volgens hem niet als een misdadiger, maar als een slachtoffer van onze tijd te beschouwen is…
Maar Trip, die nogal gevleid is door de aandacht die hij krijgt en zich ook berouw heeft ingedronken, verweert zich tegen de beledigingen van zijn advocaat: hij is niet minder dan een misdadiger. Tevreden over de succesvolle afloop stemt de rechter stemt daarmee in. De ter dood veroordeelde wordt naar de eerste verdieping gebracht om onthoofd te worden en de beul opent daar zijn kraag.
Beluister de opname en lees het script op deze pagina mee.
| Auteur: | Friedrich Dürrenmatt |
| Vertaling: | Dolf Verspoor |
| Regie: | Coos Mulder |
| Omroep: | VPRO |
| Uitzending: | 17-04-1959 |
| Speelduur: | 57 minuten |
| Herhaald op: | 23-09-1960 |
| Genre: | Thriller |
| Guus Hermus | Trip |
| Johan Fiolet | Zorn |
| Philippe la Chapelle | Kommer |
| Frits van Dijk | Pilet |
| Ko van den Bosch | Werge |
| Mimi Boesnach | Simone |
| Sacco van der Made | Garagehouder |
Het script is voor u uitgeschreven door Herman Van Cauwenberghe.
(Trip rijdt in z'n Studebaker; de radio speelt "On the street where you live" uit "My fair lady")
Trip: Huh... die Wilford, die is met mij nog niet klaar... (lacht) Die staat nog 'ns een keertje raar te kijken. Consideratie! Ja ja... (fluit mee met de muziek) Huh, consideratie, afgelopen met de consideratie! 'k Draai 'm gewoon een keer z'n nek om. Moet ie maar uitkijken ook, zien wie ie voor zich heeft. Huh, 'k zal d'r een beetje aan liefdadigheid gaan doen, ja. 'k Zal 'm d'r vijf procent cadeau geven, ja, 'k heb 'm in de gaten. (fluit weer mee) Nee, dat met die Müller, da's tenminste binnen, dat heb ik verdraaid aardig gespeeld, al zeg ik het zelf. (motor sputtert) Hu? Wat is dat nou? M'n motor houdt ermee op. Nou, kom, vooruit... wat beleven we nou? (motor valt stil) Nah.... geen fut meer in. Nou, daar staan we dan. (zet radio af) Hm, tenminste vlak voor de garage. Hé!
Garagehouder: Meneer? Mm, mooie wagen. Amerikaan, hè? Wat mankeert eraan?
Trip: Wat eraan mankeert, dat moet u me maar 'ns vertellen. Ik wil net die bocht in en eh.... psscht! Hij weigert, hij weigert gewoon.
Garagehouder: Zo? Nou, we zullen 'ns even zien. (probeert te starten) Mm, ja.... Nou, dat zal wel even duren, meneer. Zal een mankement in de stroomverdeling zijn.
Trip: O? Nou, da's geen peulenschilletje, hè?
Garagehouder: Ja, dat is het zeker.
Trip: Wanneer is ie klaar?
Garagehouder: Mm.... ik zal m'n best doen, meneer, morgenochtend acht uur.
Trip: Morgen?
Garagehouder: Ja, ik doe d'r nou niks meer aan, da's te laat.
Trip: Zo... Hoe ver is 't naar 't station?
Garagehouder: Half uurtje, meneer.
Trip: Mm.... Is er een hotel in de buurt?
Garagehouder: Probeert u maar 'ns in de "Postkoets".
Trip: Tot morgenochtend. (gaat op stap) 'k Ben benieuwd wat er is met die motor. Geen flauw idee. Ja, en die garage, daar ben je overgeleverd net als vroeger aan de roofridders. Da's hier, de "Postkoets". (geluid van zingende mensen) Ja, die dikke, da's de baas. Goeienavond. Kamers vrij?
Hotelhouder: Nou, het spijt me, meneer, maar ik kan u niet helpen, hoor.
Trip: Mm.
Hotelhouder: Alles is bezet. Ja, we hebben hier een feestje van de pluimveefokkers. Maar misschien kunt u 't 'ns proberen bij meneer Werge. Die woont in een witte villa, en die verhuurt wel 'ns kamers, ziet u.
Trip: O ja?
Hotelhouder: Ja. Dat is dan de Dorpsstraat uit, en dan links. Een witte villa.
Trip: Ja. (wandelt) Kon ik overigens niet beter met die trein? Tja, maar die komt pas over een uur. En dan tweemaal overstappen ook, nee, dank je stichtelijk. En die wagen moet ik morgenochtend toch hier halen. Mm, dit dorp valt anders best mee. Kerk, dorpswijk, ééngezinswoninkjes, vast met renteniertjes en pensioentrekkers uit de stad. Boerenhuizen. Stevig en netjes allemaal. Zelfs met de mesthopen wetenschappelijk ingedeeld. (loeiende koe) Flinke bevolking! Koeien ook nog, natuurlijk.
Ja, de landelijke rust is compleet. Mooie zomeravond! De zon nog flink hoog aan de hemel. Morgen de langste dag! Misschien wat te beleven ook. In zo'n gat heb je af en toe heel aardige meisjes. Net als de vorige week in zo'n gat. Heb ik me toch geen ogenblik verveeld. Eva...! (lacht) Ja, die heette Eva. Ah, links, witte villa. Inderdaad, mag er wezen. Mooie tuin! 'n Heel park...! Gek dat die lui kamers aanbieden. 'n Soort pension, zeker? Ze hebben het zeker nodig? (opent een hekje) Niemand te zien... Hallo?
Werge: Eh... is er iets van uw dienst?
Trip: Eh... bent u meneer Werge?
Werge: Eh... in eigen persoon.
Trip: Mijn naam is Trip, Alfred Trip.
Werge: Aangenaam.
Trip: Het schijnt dat u kamers vrij heeft? Ik heb eh... autopech.
Werge: O, ja, ja, zeker, zeker, zeker.
Trip: In welke prijzen?
Werge: Nou nee, betaling neem ik niet.
Trip: Hè? (lacht) Geen betaling? Nou, kom kom, u bent een filantroop!
Werge: (lacht) Deze kant uit! Komt u mee naar de veranda.
(geluid van sprekende mensen)
Zorn: Kijk, kijk, kijk, daar komt er een. Ja, 't werd tijd ook, hè?
Kommer: 't Is nogal een sufferd, zo te zien, maar misschien een industrieel.
Zorn: Onzin, gewoon een handelsreiziger.
Pilet: O, mooi zo.
Trip: Ik stoor, zeker?
Werge: O nee nee nee, niet in het minst, niet in 't minst. Ik woon hier alleen, ik... ik ben blij af en toe een gast te hebben.
Trip: Nou, gasten hebt u anders al.
Werge: Vrienden. Ook gepensioneerden, net zoals ik. We hebben een etentje, u doet toch zeker ook mee?
Trip: Nou, zo'n gastvrijheid kom je ook niet vaak meer tegen, 't is ongelooflijk.
Werge: Mag ik voorstellen? Een gepensioneerd openbaar aanklager...
Zorn: Mijn naam is Zorn.
Trip: Aangenaam.
Werge: ...een gepensioneerd advocaat...
Kommer: Kommer is mijn naam.
Trip: Hoe maakt u het, meneer Kommer?
Trip: ...en dit is de heer Pilet.
Trip: Plezierig kennis te maken.
Trip: Mooi zo!
Werge: Simone! Dit is de heer Trip. De heer Trip die blijft hier slapen.
Simone: In welke kamer, meneer Werge?
Werge: Maar Simone, dat staat toch nog juist te bezien.
Simone: Oh ja! (allen lachen)
Werge: Onze gasten, meneer Trip, komen namelijk altijd op een kamer in overeenstemming met hun eigenschappen.
Trip: (lacht) Origineel idee.
Werge: Kan ik u dienen met een vermouth?
Trip: Met plezier.
Werge: Met gin?
Trip: Nou waarachtig, ik weet niet waar ik het allemaal aan verdiend heb.
Werge: Ach, uw bezoek bewijst ons een dienst.
Trip: Ik bewijs u een dienst?
Werge: Jaja, zeker, u kunt meespelen.
Trip: O, met alle plezier. Wat wordt er gespeeld?
Pilet: Jaaa!
Kommer: Wel een... wel een beetje typisch, dat spel, hoor...!
Trip: Ha, ik zie het al: de heren spelen om geld. Nou, geen bezwaar, integendeel.
Zorn: Nee nee nee nee nee, zo spelen we niet, nee.
Trip: Nee?
Pilet: Neee... (allen lachen)
Werge: Kijkt u 'ns, op zo'n avondje spelen wij onze vroegere beroepen.
Trip: Vroegere beroepen?
Zorn: Ja, wij.... wij spelen proces.
Trip: O, (lacht) bepaald griezelig.
Werge: Ach, meestal nemen we beroemde historische processen door: het proces van Socrates, het proces van Jezus, van Jeanne d'Arc, het proces van Dreyfus, de Rijksdagbrand, Neurenberg, of... wij nemen historische personen.
Kommer: Ja, ja, een paar dagen geleden bijvoorbeeld, toen hadden we Frederik de Grote op het matje.
Werge: Ja. (gelach)
Kommer: We hebben 'm volslagen ontoerekenbaar verklaard, en meteen maar in hechtenis genomen.
Trip: Zo? Qua spel is dat werkelijk hoogst eh... huh... curieus.
Pilet: Mooi, hè? (lacht)
Zorn: Het aardigste is natuurlijk als je kunt spelen met levend materiaal.
Trip: Dat kan ik me volkomen indenken.
Werge: Ja, vandaar dat het zo mooi is als er van tijd tot tijd een gast komt die er zich voor wil lenen!
Trip: Da's toch vanzelfsprekend.
Werge: Nou ja, maar u hoeft helemaal niet mee te spelen, hoor, let wel!
Trip: Natuurlijk speel ik wel mee.
Werge: Drinkt u nog 'ns wat.
Trip: Graag, graag.
Kommer: Wil u een sigaret?
Trip: Ik ben zo vrij.
Kommer: Eh.... vuur?
Trip: Nee, dank u, ik heb een aansteker.
Kommer: Oh!
Trip: Cadeau van mijn vrouw.
Zorn: Ja, wat nu die rol aangaat, meneer Trip, die rol is niet moeilijk, hoor. Dat kan zogezegd elke idioot.
Trip: Ik word werkelijk nieuwsgierig.
Werge: Rechter, openbare aanklager, en raadsman die hebben we al. Die kennen de materie, die kennen de spelregels. De rol van beklaagde is nog vrij...
Trip: Ja.
Werge: Maar nogmaals, eh.... u bent absoluut niet gedwongen om mee te doen.
Trip: En, waar word ik dan van beklaagd?
Zorn: O, het een of ander, 'n kleinigheidje. Och, (lacht) d'r is altijd wel wat te vinden. (allen lachen)
Trip: Ik word hoe langer hoe nieuwsgieriger!
Kommer: Meneer Trip, juist omdat u mee doet, wilde ik eerst even 'ns een ernstig woordje met u spreken.
Trip: Met mij?
Kommer: Ja, ik ben tenslotte toch uw raadsman, nietwaar?
Trip: Bijzonder fideel van u.
Kommer: Laten we in de eetzaal de port 'ns aanspreken, een oude port. Oh, die moet u 'ns proeven! (ze gaan naar binnen) Moo.... mooie eetzaal, vindt u niet?
Trip: Ja.
Kommer: Ja, eh.... een grote ronde tafel, feestelijk gedekt, plechtige stoelen met hoge ruggen, en aan de muur donkere schilderijen. Echt antiek! Van de veranda horen we nog net dat er conversatie aan de gang is. Hier op het tafeltje staat wijn, en bij de schoorsteen staat weer een andere wijn te chambreren, meneer Trip. We gaan deze stemming perfectioneren met een glaasje ouwe port.
Trip: Da's bijzonder prettig. (er wordt uitgeschonken en geproefd) Mmm... Mmm! Ja, voortreffelijk!
Kommer: Ah.... (lacht) Wat.... wat.... wat heb ik u gezegd, hè? Maar komaan, biecht u mij nou maar 'ns rustig die hele misdaad op. Dan weet ik hoe en wat, en dan neem ik de rechter wel voor mijn rekening. (Trip lacht) Nou ja, niet dat de situatie direct gevaarlijk is, maar ja.... per slot kun je nooit weten.
Trip: Ja, natuurlijk.
Kommer: We staan tegenover die lange magere openbare aanklager, en nou loopt ie wel tegen de negentig, maar...
Trip: O ja?
Kommer: Ja, maar beroepshalve is ie nog net zo kwiek als toen ie een beroemdheid was in allerlei internationale affaires.
Trip: Kijk 'ns aan!
Kommer: Daar komt nog bij dat onze charmante gastheer in z'n functie van rechter wel 'ns een tikkeltje aan de strenge kant kan zijn.
Trip: Ah.
Kommer: Hij wil ook wel 'ns op alle slakken zout leggen, en hoe ouder ie wordt, hoe erger. Ja, het blijft uitkijken. Dat neemt niet weg, de meeste beklaagden heb ik erdoor gesleept. Eén geval, ja, ja, dat was een roofmoord, hoor...
Trip: O!
Kommer: Ja, d'r was geen eer aan te behalen. Maar... maar... een roofmoord, meneer Trip, een roofmoord, dat is het toch niet, hè?
Trip: Nee, nee, waarde heer. Wat dat aangaat moet ik u teleurstellen. (lacht) Proost.
Kommer: Ah, proost, proost. ja. Proost. U voelt zich dus onschuldig, hè, meneer Trip? Ja, hoort u 'ns, voor mij moet u zich niet generen. Daar... daar ben ik voor.
Trip: Maar meneer Kommer, zie ik eruit als een misdadiger?
Kommer: Euh... eh... nou ja, in elk geval: weest u voorzichtig met wat u zegt, want voor u het weet hebben ze u in voetangels en klemmen beet, en dan zit u vast aan jaren gevangenis.
Trip: Nou, goed, dan pas ik op. Aardig spelletje, moet ik zeggen.
Werge: Ah, daar.... daar komen de heren. (lacht) Aan tafel maar, heren, aan tafel maar. Simone serveert.
Zorn: Nou, Simone, wat krijgen we?
Simone: Schildpadsoep, meneer.
Pilet: Mooi zo. Huh!
Zorn: Heel mooi.
Kommer: Smakelijk eten, hè.
Trip: Ja, smakelijk.
Zorn: (lacht) Ja. Ja. Zo, beklaagde, wat brengt u ter tafel? Ik hoop op een mooie wel doorwrochte moord.
Kommer: Mijn waarde, mijn waarde, ik protesteer. Mijn cliënt is een uitzonderingsgeval.
Zorn: Zo?
Kommer: Een beklaagde zonder misdaad. Volmaakt onschuldig.
Werge: Hè? Onschuldig? (allen lachen)
Zorn: Dat heb ik nog nooit bij de hand gehad. Dat moet onderzocht.
Trip: U gaat gerust uw gang.
Simone: Forel, mijne heren? En een lichte moezel?
Kommer: Ha... mijn... mijn lievelingsgerecht.
Pilet: Mooi zo!
Zorn: Wat is uw leeftijd, meneer Trip?
Trip: 45 jaar.
Zorn: Uw beroep?
Trip: Hoofdvertegenwoordiger.
Zorn: Juist. U had motorpech?
Trip: Ja. Ja. Net een jaar geleden had ik dat ook.
Zorn: Hé, een jaar geleden?
Trip: Ja, dat was met de ouwe wagen. 'k Heb nu een Amerikaans luxemodel.
Zorn: Ach zo, zo zo. Pas kort, hè? Vorig jaar was u misschien geen hoofdvertegenwoordiger?
Trip: Nee, een gewone reiziger in textiel.
Zorn: De hoogconjunctuur...
Simone: Wenst u botersaus, meneer, of mayonaise?
Trip: Mayonaise graag.
Kommer: Heer Trip, denkt u erom: elke vraag van de openbare aanklager heeft een dub-be-le bo-dem!...
Trip: (lacht) Mijne heren, ik moet zeggen: dit avondje slaat alles wat ik op dit gebied ken. M'n complimenten!
Zorn: Zo?
Trip: 't Is stukken amusanter dan de avondjes van de Kokanje.
Zorn: Ach zo, u bent lid van de Kokanjeclub? Zo zo.
Trip: Ja.
Zorn: En wat heeft u daar wel voor bijnaam?
Trip: Markies van Casanova.
Pilet: Mooi zo!
Zorn: Mogen we daar conclusies uit trekken wat betreft uw privé-leven?
Kommer: Pas op! Pas op!... Ik wou graag nog wat veldsla.
Trip: Nou, zeer ten dele, edelachtbare, zeer ten dele. Ik heb een vrouw en vier kinderen, in alle eer en deugd, hoor.
Zorn: Avontuurtjes?
Trip: Nou ja, zo onderweg, och, een keer. 'k zeg niet nee als het me zo aanvaart.
Simone: Mag ik u nog 'ns inschenken?
Trip: 'n Bijzonder wijntje!
Werge: Ach, waarde heer Trip, misschien wilt u het gezelschap het genoegen doen, en zo even in korte trekken iets vertellen van uw leven. Wij hebben nu toch afgesproken een vonnis over u te vellen, en u zo mogelijk een fiks aantal jaartjes te geven. Nou, dan is 't ook niet meer dan normaal om 'ns wat anekdotes over u te horen. Zo wat avontuurtjes, en zo.... Ja, en als het kan, graag een beetje gepeperd! (allen beamen dat)
Zorn: Nou, kom, voor de dag ermee.
Pilet: Kom kom, meneer Trip, kom. Meneer Trip, we hadden hier een keer een souteneur. Die heeft ons de meest adembenemende staaltjes zitten vertellen uit eh....uit.... uit z'n werkkring. Hij kwam eraf met vier jaar. Mooi zo!
Trip: Ja. Daar kan ik niet tegen op. Een schilderachtig bestaan leid ik nu eenmaal niet. Een doodgewoon bestaantje, dat zult u zien. Proost.
Allen: Proost.
Simone: Champignons à la crème en Châteauneuf-du-Pape '37.
Pilet: Mooi zo!
Zorn: Meneer Trip, we zijn in de stemming.
Trip: Ja... Mijn jeugd... m'n harde jeugd, al zeg ik het zelf... Mijn vader was fabrieksarbeider, verslaafd aan de dwaalleer van Marx en Engels. Somber, verbitterd man. Aan mij deed ie niets. M'n moeder was wasvrouw, vroeg verslonst. Ik mocht alleen naar de lagere school.
Zorn: Interessant! Alleen lagere school? U heeft er u wel met handen en voeten bovenop gewerkt?
Trip: En of. Reken maar. Nog geen tien jaar geleden liep ik huis aan huis met een koffertje. Sjouwen voor m'n zuurverdiende centjes. In het hooi moest ik slapen. In ongure logementen. Huh! Wat je noemt "van onder op begonnen", van onder op. En nu moest u voor de aardigheid eh... mijn bankrekening 'ns zien.
Pilet: (lacht)
Trip: Ja, niet om het een of het ander, maar wie van u heeft er een grote Amerikaanse wagen?
Pilet: Oh!
Kommer: Praat u toch niet zo!
Zorn: Hoe is dat dan gegaan?
Kommer: Praat u niet zo, en past u op, alstublieft!
Trip: Och, ik eh.... ik kreeg de alleenvertegenwoordiging voor Europa van de Hephaiston.
Pilet: Hephaiston? Die naam zegt mij niets.
Trip: We hebben al nylon, perlon, tetralon. Dat zegt u iets, hè?
Pilet: O, jajaja, jajaja.
Trip: Zo hebben we nu de overtreffende trap: hephaiston. Onverwoestbaar, doorzichtig, licht als een veertje, uitkomst voor de reumapatiënten, uitkomst voor de haute couture, voor parachutes, voor oorlog en vrede, en eh... de meest pikante stof voor damesnachtgoed. Dat weet ik uit eigen ervaring.
Werge: Hoho! Uit eigen ervaring?
Pilet: Mooi zo!
Simone: Kalfsnieren, artisjokken en een gechambreerde Saint-Julien Médoc '27.
Trip: Nou, je reinste galadiner.
Zorn: Dat ben ik volmaakt met u eens. Let wel: onze gastheer koopt zelf in. Een fijnproever.
Werge: Nou, nou, nou.
Zorn: Maar, à propos.... Ervaring, goed. Hoe kwam u eigenlijk in die hoge positie?
Kommer: Opgepast! Nu wordt het gevaarlijk!
Trip: Ja... gemakkelijk was het niet. Eerst moest Walter weg. Dat was lastig genoeg.
Zorn: Kijk 'ns aan! Wie is dat nu ineens?
Trip: Een vroegere chef van me.
Werge: Ha!
Trip: Allemachtig, die bordeaux heeft een fameus bouquet. (Werge lacht)
Zorn: Ja, terzake, waarde heer. Alles wel met Walter?
Trip: In zoverre.... Vorig jaar is ie overleden.
Kommer: Bent u helemaal gek geworden?
Zorn: Overleden? Interessant. Het lijk hebben we, dat is de hoofdzaak. Mijne heren: op het lijk! (iedereen lacht en klinkt de glazen) En wie weet hebben we daar een mooi klein moordje van onze gast.
Trip: Nee, helaas, mijne heren, helaas! (allen lachen)
Zorn: Nou, ik geef het niet op. Even nagaan. Walter is dus overleden, zegt u. Vorig jaar?
Trip: Acht maanden geleden.
Zorn: Nadat u op z'n plaats kwam?
Trip: Even daarvoor.
Zorn: Hé! En wat was de doodsoorzaak?
Trip: Een hartkwestie.
Zorn: Zo... Nou, voorlopig is dat genoeg.
Kommer: Zeer onvoorzichtig, Trip, hoogst onvoorzichtig. En ik spreek uit ervaring, Trip. Met hartkwalen draait ie iemand zo z'n nek om!
Zorn: Ja, nog even. Hoe oud is de overledene geworden?
Trip: 52 jaar. Mag ik nog wat botersaus?
Pilet: In de kracht van z'n leven.
Kommer: En... en dat bekent u zo maar met een stalen gezicht!
Trip: (lacht) Maar als het verhoor begint, dan kijk ik wel uit.
Kommer: Man, wat bezielt je!
Trip: Nou, 't is toch nog niet zo ver?
Werge: (lacht) Hij had er geen flauw idee van! Geen flauw idee!
Pilet: Mooi zo!
Trip: Ja maar, mijne heren, houdt u mij ten goede, eh... maar het spel had ik mij... ja, hoe zal ik zeggen... had ik me plechtiger voorgesteld, meer vormelijk.
Werge: (lacht) Waarde heer Trip, uw beduusde gezicht is werkelijk onbetaalbaar. Zoals wij rechtbankje spelen, dat vindt u eh... te losjes? Maar denk u nou 'ns even in: wij zijn oud en wijs genoeg. De overbodige poespas hebben wij toch niet nodig. Al dat noteren, artikel zo en zoveel, (lacht) weg d'r mee! (ze lachen)
Trip: Weg met de artikelen! Prachtig! Da's vlot zaken doen. (ze lachen)
Kommer: Mijne heren, ik moet even een luchtje scheppen voor de volgende gang. Eh... meneer Trip, u wil wel zo vriendelijk zijn even met mij mee te komen, nietwaar?
Trip: O, met plezier, met plezier.
(de heren praten verder)
Kommer: Kijk, door de veranda gaan wij de nacht in. Zo'n zoele, zachte zomernacht, ja? Ja, ja, dat is mijn dichtader die gaat vloeien, waarde vriend. Ja. Ruikt u de rozen? Of wil u liever een sigaret?
Trip: Graag. Kostelijk, moet ik zeggen. Amusement op hoog niveau.
Kommer: Ja ja ja. Waarde vriend, voordat wij nu die jonge haantjes soldaat maken, even een ernstig woordje, en ik hoop dat u er zich ditmaal iets van aantrekt. Kortom: wij zijn aardig bezig ons proces hopeloos te verliezen!
Trip: Nou ja, dan verliezen we. O, past u op, hier... 'k geloof dat er een bank staat. Zullen we maar gaan zitten? Ach, kijk, een vijver.
Kommer: Ja ja ja...De sterren spiegelen zich in het water. Koelte stijgt op. Ha, dat doet goed, hè? (muziek klinkt in de verte)
Trip: Tja, (lacht) een feest van de pluimveefokkers. (lacht) Dat was lachen. Kostelijk! Eerste klas gezelschapsspel. ..?.. ga ik dat invoeren bij de Kokanje, hoor.
Kommer: Zo ziet u zelf. Anders was het toch niet uit te houden in een gat als hier. Vooral voor ouwe mannen, na een actief leven! We gingen dood van verveling. De openbare aanklager, die lag op sterven. Bij onze gastheer ging het erom of ie een maagkwaal had of niet. U ziet de situatie! En toen hebben wij dat spelletje bedacht, en ineens, huh! een hele verjongingskuur. Weg verveling en een plezier in alles. (lacht) U ziet hoe wij eten! En... kwiek, meneer. We spelen zo... eens in de week, hè. De ene keer, dan is het 'ns een landloper, en dan weer 'ns een toerist. Eergisteren bijvoorbeeld, ja, hadden we een kamerlid, die kreeg twintig jaar.
Trip: O ja?
Kommer: Ja, twintig jaar kreeg ie. Natuurlijk allemaal zonder aftrek, begrijpt u.
Trip: O!
Kommer: De doodstraf, die heb ik 'm bespaard.
Trip: Doodstraf? Nou, nou, nou...
Kommer: Ja ja, wat dacht u dan?
Trip: Die is toch afgeschaft?
Kommer: Ja ja..., bij de officiële rechtspleging. Maar... wij doen dat onder ons, en de doodstraf, die hebben wij weer ingevoerd.
Trip: Zo?
Kommer: Ja. Dat maakt het nou juist zo spannend.
Trip: Maar dan moest u toch ook een beul hebben?
Kommer: Ja, die hebben we ook. Jazeker! Dat is Pilet.
Trip: Pilet?
Kommer: Ja.
Trip: Die altijd zegt eh... "mooi zo"?
Kommer: Ja precies, precies, ja... ja... In z'n goeie tijd een eersteklas beul in Frankrijk, maar zijn vak houdt ie nog steeds bij. Wat eh... wat is er met u?
Trip: Ik eh... Ik... ik weet niet. (lacht uitbundig) Nou, niets. Beetje rillerig ineens. (lacht) Ja, onzin. Natuurlijk, zonder beul was het lang niet zo leuk. Dat gaan we ook doen in de Kokanje, hoor. (in de verte klinkt een kreet)
Trip: Hoorde u dat?
Kommer: Wat?
Trip: Daar we er geschreeuwd.
Kommer: Geschreeuwd?
Trip: In de villa.
Kommer: O ja, dat was Tobias.
Trip: Wie is Tobias?
Kommer: Die had z'n vrouw vergiftigd.
Trip: Wat? z'n vrouw vergiftigd?
Kommer: Ja. Die zit nu al vijf jaar. Hij kreeg levenslang. Had natuurlijk dood gemoeten, maar ja... hij was niet toerekeningsvatbaar.
Trip: Vijf jaar? En al die tijd is ie hier?
Kommer: Eh... als gast! Komen er geen andere gasten, dan speelt hij allerlei historische figuren. Gisteren bijvoorbeeld was hij Frederik de Grote. Vandaag heeft ie vrij, omdat u er bent. Hij heeft een kamer voor de levenslangen. Oh, een hele aardige vent overigens. 's Nachts is ie wel 'ns een beetje... een beetje onrustig, ja...
.Trip: Een kamer voor de levenslangen?
Kommer: Ja, de kamers zijn naargelang van de straf.
Trip: (lacht uitbundig) Kostelijk! (lacht verder) Kostelijk!
Kommer: Ja, ja, dat was nu even uit de school geklapt. Maar, vertelt u mij nou 'ns heel eerlijk: die Walter, u heeft 'm vermoord, hè?
Trip: Hè??
Kommer: Ja, de man is dood.
Trip: (lacht) Daar kan ik toch niets aan doen?
Kommer: Ja, kijk nou 'ns, ik kan mij volkomen in u indenken. Van alle misdaden zijn de moorden het moeilijkste toe te geven. Maar spreekt u toch gerust vrijuit. Ik weet hoe het is.
Trip: Maar ik heb niets toe te geven.
Kommer: Beste brave Trip dan toch, wat denkt u nu? d'r is altijd wat toe te geven, altijd! Begrijpt u dat nou maar. Hoe heeft u Walter vermoord?
Trip: Mijn waarde raadsman, ik kom erin. Het pikante van dit spel zit 'm erin dat het op een gegeven ogenblik griezelig echt gaat lijken, hè?
Kommer: Ja, haha.
Trip: Het spel slaat om in werkelijkheid. Je vraagt je af: ja, ben ik nu een misdadiger, of ben ik het niet? Heb ik nu bijvoorbeeld die ouwe Walter vermoord of... of wat? Als zulke dingen je maar lang genoeg aangepraat worden, eh... ja... ja... 't Is een verduiveld knap spelletje.
Kommer: Ja.
Trip: Nou, onder ons: wat eh... wat Walter aangaat, die ouwe gangster... nee... nee, eh... dat ie dood is, dat eh... ging buiten mij om.
Kommer: Nou, ja, enfin, onschuldig dan maar. Laten we 't tenminste hopen, hè? We gaan maar weer aan tafel, vindt u niet?
(ze gaan weer naar binnen)
Kommer: Ach kijk... kijk kijk kijk kijk! Simone... Simone heeft de haantjes al opgediend. En warempel! Wat ze daar staat in te schenken, dat is Château Pavie 1921! (lacht)
Zorn: Nou, daar zijn de heren dan weer, hè?
Werge: Ja, eindelijk!
Pilet: Mooi zo!
Zorn: Nou, het haantje is je van het, hè?
Pilet: Ja, ja, geheim recept van Simone, hè.
Zorn: Ja. à propos, mijn waarde beklaagde, u zei toch dat de heer Walter, nietwaar, overleden was aan een hartkwestie, hè? Klopt dat inderdaad?
Trip: Jazeker, Edelachtbare.
Zorn: U heeft deze Walter dus niet eh... vergiftigd?
Trip: Nee, niets daarvan, Edelachtbare.
Zorn: Nou ja, laten we zeggen: doodgeschoten?
Trip: Nee, ook niet.
Zorn: Een auto-ongeluk geënsceneerd?
Kommer: Oppassen: dat is een strikvraag!
Trip: Edelachtbare, u heeft pech: Walter kreeg een hartaanval. En het was ook niet z'n eerste. Hij had er al meer gehad, jaren... jaren terug al. Dat weet ik pertinent.
Zorn: Zo? En van wie weet u dat?
Trip: Van zijn eigen vrouw, Edelachtbare.
Zorn: Van zijn vrouw?
Kommer: Oppassen, in 's hemelsnaam!
Trip: Mijne heren, deze Château Pavie 1921 slaat alles! (men lacht) 't Is m'n vierde glas! Nee, de rechtbank moet niet denken dat ik iets verdoezel, nu mijn raadsman me zit te souffleren. Niets dan de waarheid, maar dan ook de hele waarheid, hoor. Kijk, met mevrouw Walter heb ik wel 'ns wat gehad. Nou ja... hij vroeg erom, die ouwe gangster. Hij was veel te veel op reis, en dat schatje van een vrouwtje, lekker diertje, dat heeft ie schandalig verwaarloosd. En dan kon ik de situatie redden. Nou ja, en zoals dat dan gaat in de wereld... (gelach)
Pilet: Hij bekent! Hij bekent!!
Kommer: Ontzettende stommiteit!
Trip: Wat is daar om te lachen? Mijne heren?
Pilet: Hij snapt het niet eens! Hij snapt het niet!
Zorn: Meneer Trip, mevrouw Walter, bent u daar nog steeds mee eh... bevriend?
Kommer: Oppassen! Oppassen! Nu gaat het erom!
Trip: Nee, na de dood van Walter heb ik het vrouwtje niet meer opgezocht. Per slot ga ik een eerbare weduwe toch niet in opspraak brengen? (gelach)
Kommer: d'r ingevlogen! Dacht ik het niet!
Pilet: Dat wordt een doodvonnis!
Simone: Camembert, Brie of Emmentaler?
Trip: d'r ingevlogen? Hoe dat zo? Kijkt u nu 'ns, mijne heren, in het zakenleven gaat het nu eenmaal hard tegen hard. Akkoord, met scrupules haal je 't niet. Per slot heb ik vrouw en kinderen. Goed, ik maak geld als water, maar ik werk me dan ook te pletter. Elke dag zitten d'r weer zo'n 600 km op op die wagen. Tja, zaken, dat is boksen, privé-leven, dat is spelevaren. Och, en waar je dan 'ns uitrust, bij de ene vrouw, bij de andere, getrouwd, ongetrouwd... het is toch allemaal niet na te gaan. Wat dat betreft ga ik vrijuit.
Zorn: Dat zullen wij nog zien.
Werge: Mijne heren, mijne heren, als kroon op deze avond: een authentieke fles Château Margaux 1914.
Trip: Ah!
Werge: Ook gedateerd op de kurk, die ik hierbij ter hand stel aan de heer Trip, als herinnering aan dit samenzijn. Op uw gezondheid!
Trip: Fameus!
Pilet: Mooi zo!
Werge: Mijne heren, het verhoor van onze waarde beklaagde is nu wel rond. Mag ik de openbare aanklager verzoeken...
Kommer: Eh... meneer Trip, nu zult u paf staan van wat u hebt aangericht. De situatie is verre van rooskleurig! (buiten klinkt muziek) Ja, ik zal zien dat ik u er nog uit red. Kop op! Kop op! Moet u 'ns horen hoe vredig het is buiten. Nog wat harmonicamuziek, een liedje, maar dat stoort ons niet. Huhu.
Zorn: Mijne heren. Het genoeglijke van deze avond, het uitermatige plezierige, dat is dat wij hier een moord hebben ontdekt, zo geraffineerd uitgevoerd dat hij de officiële justitie uiteraard glansrijk is ontgaan.
Trip: Een moord? Nou nou nou, nou... (lacht uitbundig) Nee maar, die is goed. Kostelijk. Hoe verzinnen ze het? Iemand een moord aanpraten? Luisterrijk. Maar ik geef geen krimp, hoor!
Zorn: Die moord dus, die moet bewezen worden, temeer daar de beklaagde aan z'n schuld twijfelt, wat weer menselijk is. Maar al met al, we mogen niet mopperen. De moord moet bewezen, en wij hebben hier een taak. Maar allereerst moet de dader van harte gefeliciteerd worden. Beklaagde, daar gaat u. Nietwaar? Zonder dader, geen moord, zonder dader geen justitie. Proost.
Werge: Ja, proost, proost.
Pilet: Leve Alfred Trip! Proost!
Trip: Mijne heren, ik ben diep getroffen, ik ben, mag ik wel zeggen, diep ontroerd. Van uw onthaal staan mij de tranen in de ogen.
Zorn: Ook ik pink een traan weg.
Trip: Beste, beste aanklager!
Zorn: Bovenste beste Trip...
Trip: Zouden we niet "je" zeggen?
Zorn: Nou, ik heet Herman, Alfred. Jongen, daar ga je, hoor.
Trip: Herman! Nog vele jaartjes, hè. (gelach)
Zorn: Ja, als ik nu denk, hè, dat we destijds loonslaven waren van vadertje staat, onvrije mensen, jachten, roetsj, roetsj, de ene zaak na de andere, geen tijd voor verbroedering met een dader... Lopendebandwerk. Nu komt de kunst aan bod, het menselijke contact. Over en weer een golf van sympathie, en zo moet het ook. Het recht, vrienden, het recht is iets edels, het moet gesavoureerd, rustig. Wij koesteren de hals van de dader, zoals ik hier de hals koester van de fles.
Pilet: Ja ja, leve het recht!
Zorn: Leve de persoonlijke noot. Wij zijn partners, Alfred, partners in de beste zin van het woord. En mijn aandeel, dat is het rekwisitoor.
Trip: Fameus!
Zorn: Wat wil het geval? Let wel, niet wij willen, het geval wil, wij hebben niets te willen, het geval wil dat onze trouwe Alfred prat kan gaan op een moord, mijne heren, het neusje van de zalm: zonder bloedvergieten, zonder vergif, zonder kogels, een virtuozenstuk. Als vakman weet ik dat natuurlijk iedereen kan moorden, maar ditmaal...
Trip: Nou, nou, Herman...
Zorn: Kortom, de eerste tip zogezegd is dat onze Alfred vorig jaar nog rondreed in een oud kavalje, en nu in een gloednieuwe Amerikaan.
Trip: Nou, dan zat het vol met moordenaars!
Zorn: Uiteraard leven wij in een hoogconjunctuur, maar er is meer. Onze Alfred komt op de plaats van z'n chef te zitten. De chef is dood, dat is allemaal nog geen bewijs, maar het zijn stukjes van de puzzel. De echte verdenking begon pas bij de doodsoorzaak van zijn chef: een beroerte. Daar, mijne heren, daar was wat mee te doen. Dat deed een beroep op onze speurzin. Daar ging een tipje van de sluier omhoog. Nog leek een moord iets absurds!
Trip: Is het ook.
Zorn: Overzien wij nu het materiaal inzake wijlen de chef Walter. Waaruit rijst een beeld van deze Walter op? Uit de uitspraken van onze beste beklaagde. Walter was hoofdvertegenwoordiger van het kunstvezelconcern Hephaiston. Een zakenman, hard, flink, die het uiterste vergde van z'n ondergeschikten. Die zaken wist te doen, ook al waren zijn methoden dan niet altijd even fijn.
Trip: Precies! Dat is de ouwe gangster ten voeten uit.
Zorn: Voorts kunnen wij aannemen dat wijlen Walter graag opspeelde, graag de oergezonde kerel uithing, zodat hij z'n hartkwaal dan ook angstvallig moest geheim houden, op straffe van prestigeverlies.
Trip: (lacht) Ongelooflijk! Meesterlijk!
Kommer: Stil dan toch!...
Zorn: Daar komt bij dat de overledene z'n echtgenote verwaarloosde, een echtgenote, mijne heren, die we ons kunnen voorstellen als een levenslustig vrouwtje.
Werge: Ja ja, goed.
Zorn: 'n Figuurtje...., kortom, als we op Trip mogen afgaan, een lekker diertje.
Trip: Een snoepje!
Zorn: Waar was het Walter om te doen? Succes. Zaken. We kunnen dan ook aannemen dat hij, de succesrijke zakenman, volslagen overtuigd was van z'n eigen voortreffelijkheid, en dus van de trouw van z'n vrouwtje. Vandaar dat de klap des te harder aan zou komen als hij ooit hoorde van de ontrouw van dat vrouwtje met onze spreekwoordelijke Casanova van de Kokanjeclub.
Trip: En of dat aankwam.
Zorn: Zozo.
Kommer: Flap de boel er toch niet zo uit! Dat was nou weer levensgevaarlijk!
evensZorn: O ja... hoe kwam Walter er eigenlijk achter? Door zijn lieve vrouwtje zelf?
Trip: Ze was veel te bang voor 'm.
Zorn: Heeft ie het zelf ontdekt?
Trip: Goh! Daarvoor heeft ie het veel te goed met zichzelf getroffen.
Zorn: Dan heb jij het hem verteld?
Trip: Eh... dat... Nee, Herman, nee. Dat is een beetje pijnlijk om te bevestigen.
Kommer: Ik maak de beklaagde erop attent dat ie op deze insinuatie niet moet reageren!
Zorn: Hoeft natuurlijk niet... allicht.
Trip: Eh... mijne heren... nee, de speurzin van de openbare aanklager verdient hulde. We moeten dit spel serieus nemen. Waarheid bovenal. Ik geef toe dat Walter op de hoogte kwam door een wederzijdse vriend, en dat ik die vriend daartoe aangezet heb... aangezet. Eerlijk is eerlijk. Open kaart.
Kommer: Oh! (allen lachen)
Zorn: Een juweel van een bekentenis!
Pilet: Mooi zo!
Kommer: Maar heren, dat gaat te ver!
Trip: Mijne heren, wat bezielt u? Wat moet die wilde (krijgsdag?)
Zorn: Kalmte, mijne heren, kalmte, kalmte. U permitteert dat ik van louter plezier op een stoel klim en aldus verder spreek. De zaak is zonneklaar. Bezien wij de geachte moordenaar. Alfred was dus overgeleverd aan een gangster als wijlen Walter. En tijdens de oorlog nog, na de oorlog nog, was Alfred zogezegd met garen en band langs de huizen gegaan, een klein sjacheraartje, maar... hij heeft warenkennis opgedaan, de kneepjes van het vak. Hij komt bij een groot concern, steeds hoger, steeds meer naar de zon toe. Maar dan, mijne heren, wie zit er in de zon? Wie wil maar niet uit het licht? Walter, de gangster. Och, Trip had het niet slecht, maar ja, de welvaart ging omhoog, de zaken gingen goed, en hier en daar zag men al dure Amerikaanse wagens.
Trip: Ja, ja. Zo was, ja.
Zorn: Hogerop dus. Maar, wie profiteerde van de hoogconjunctuur? Niet Alfred Trip, die werd uitgebuit door de man bovenaan, en dat was Walter. Die hield 'm kort.
Trip: Herman, je hebt geen flauw idee hoe die vent mij heeft uitgebuit.
Zorn: Met andere woorden, daar moest wat aan gedaan.
Trip: En hoe, haha.
Zorn: Onze vriend begon dus eerst zakelijk, op het zakelijke plan. U weet hoe die dingen gaan. Hij begon met de leveranciers van Walter, hij stak zijn voelhorens uit. Hij beloofde betere voorwaarden, hij stichtte verwarring. Hij papte aan met andere reizigers, hij legde verbindingen, tegenverbindingen, dwarsverbindingen.
Trip: Die dingen zijn gebruikelijk.
Zorn: Maar, toen kwam hij op een andere methode, meer persoonlijk.
Trip: Persoonlijk?
Zorn: Hij begon met Walter z'n vrouw. Het lieve vrouwtje. Hoe het ervan kwam? Misschien op een avond...
Trip: Inderdaad.
Zorn: ...zo in de winter, tegen achten, de stad donker, gezellig, alles haakt naar huiselijkheid.
Trip: Hoe komt ie erop...
Zorn: In de wagen reed hij naar de villawijk waar Walter woonde.
Trip: Ja! De villawijk, ja.
Zorn: Hij stopt, parkeert, neemt een map, een monsterboek, ze moesten grondig iets bekijken, maar Alfred ziet ineens dat de wagen van Walter er niet staat. Goed, hij gaat het hek in, de stoep op, hij belt. De deur gaat open. Mevrouw Walter. Ja! Haar man moest ineens weg. Nee, thuis kwam hij niet meer, het dienstmeisje heeft haar uitgangsavond, wat vreselijke sneu toch. Nee nee nee nee nee, meneer Trip moet toch even binnen komen, nee, heus.
Trip: Hoe weet je 't zo, Herman?
Zorn: Och, een beetje oefening. Trouwens, die dingen gaan allemaal zo. Dus, daar zitten ze allebei in een fauteuil. Och, verleiding was er niet eens bij. De kans deed zich voor, meer niet. Maar, die kans greep hij. Ze verveelde zich en ze wou wat aanspraak hebben, en, dat liegt er niet om. Goed! Ze zit daar dus in een nieuwe japon waar ze niet mee uit kan, of nee, nee, gewoon in een kamerjapon, met bloemen. Trip bekijkt haar eens en zij praat zomaar wat, hè, nogal geprikkeld over haar man uiteraard, en onze geachte vriend snapt het al gauw. Hier heeft hij hét zwakke punt van Walter. Voor hij het weet hoef je hem niets meer te vertellen.
De gezondheid van Walter, dat hij overtuigd is dat ie z'n vrouw best alleen kan laten, kortom, uit een vrouw die wraak neemt op haar man krijg je alles. Kort en goed, onze Trip laat zich de verhouding niet alleen aanleunen, nee, hij wil z'n chef ermee ruïneren. En van lieverlede komt het ogenblik dat onze vriend alles in de hand heeft: zakenrelaties, leveranciers, het gezellige vrouwtje. Ineens besluit hij de touwtjes aan te trekken en om de hals van Walter sluit zich de strop.
Trip: En ik.... trok die strop dicht.
Zorn: En nu is het uur aangebroken, het noodlotsuur. Walter weet alles. Nog kan hij naar huis rijden, de oude gangster, maar in de wagen al breekt het zweet hem uit, voelt hij pijn in de hartstreek. Handen trillend aan het stuur, stoplichten die hij niet ziet, fluitende agenten, moeizame gang van garage naar voordeur, misschien al in de vestibule, zijn vrouw komt eraan, ... collaps.
Trip: Maar dat is niet mijn schuld!
Zorn: Lang heeft ie het niet gemaakt. De dokter, morfinespuitje, maar hij was al weg, te laat, uit. Trip, thuis, omringd door vrouw en kinderen, neemt de telefoon van de haak.
Trip: Ontzettend, ja, zo was het...
Zorn: Een kreet van schrik, maar innerlijk een triomfkreet: hij was zo ver. Drie weken later de moordslee. Ik resumeer even, en dan de eis.
Trip: God, wat heb ik gedaan!?
Zorn: De heer Walter werd systematisch vermoord.
Trip: Systematisch!?
Zorn: Onze vriend Alfred ging te werk met voorbedachten rade. Hij wist dat een echtbreuk dodelijk zou zijn.
Trip: Dat heb ik niet geweten!
Zorn: Kom kom, u wist niet dat Walter een hartkwaal had? U wist niet dat een grote opwinding, een grote emotie z'n eind kon zijn?
Trip: Dat heb ik niet gezegd!
Zorn: Wat hebt u niet gezegd?
Trip: Ik gaf toe dat ie zwaar ziek was, de ouwe gangster, maar niet dat een grote opwinding zijn eind kon betekenen.
Zorn: Maar beste Trip, zoals we hier bijeen zitten, wou u toch liever de waarheid zeggen?
Trip: Nou, ja, natuurlijk. Emotie, dat was niet zo best. 't Kon dodelijk zijn. 't Was ook volslagen idioot om te blijven werken in zijn toestand. Maar eh.... ik had me wat onduidelijk uitgedrukt, ik bedoelde dat mijn verhouding met zijn vrouw niets uitstaande had met zijn kwaal.
Zorn: Zo?
Trip: Absoluut niets!
Zorn: Waarom bracht u Walter dan op de hoogte van het gedrag van z'n vrouw?
Trip: Nou eh, dat zei ik toch al: ik hou van open kaart.
Zorn: Dat mag ik horen, 't pleit voor u, maar: wat vond uw eigen vrouw dan?
Trip: Mijn vrouw?
Zorn: Uw eigen vrouw was toch zeker ook op de hoogte? U houdt van open kaart, hè?
Trip: Allemachtig, edelachtbare, ik... ik... ik heb toch kinderen! Ik ga daar toch niet m'n huwelijk kapot maken, dat begrijpt u toch?
Zorn: Allicht, beste Trip, allicht. Dus, mevrouw Walter heeft geen kinderen?... Nu?
Trip: Zij heeft wel kinderen.
Zorn: Zo... Gek is dat. Dus haar huwelijk kon wel kapot?
Trip: (zucht) Vooruit dan, Edelachtbare: ik wou haar huwelijk kapot hebben.
Zorn: Ach.
Trip: Uit hartstocht. Ik... ik hou van mevrouw Walter.
Zorn: Ja ja, een Casanova in vuur en vlam. (tikkend geluid) Maar, hoe komt het dan dat u haar niet meer opzoekt?
Trip: Oh, raadsman...
Zorn: De raadsman komt straks aan het woord, voorlopig zit ie nog heus met z'n bril te tikken.
Kommer: Ja.
Zorn: Antwoordt u liever.
Trip: Ja, ik moest toch vooruit in de zaak, à tout prix. Maar ik wou Walter niet vermoorden, beslist niet. Geen haar op m'n hoofd! Ik heb het niet eens gedroomd.
Zorn: Niet eens gedroomd?
Trip: Ik spreek de volle waarheid, ik zweer het. Ja, als u me niet gelooft, dan houdt alles op.
Zorn: Waarde heer, ik geloof u op uw woord, ik wil alleen bepaalde tegenstrijdigheden in uw woord ophelderen, meer niet. U heeft alleen maar op te helderen wat u precies op het oog had met uw aangifte van die echtbreuk, en alles is in orde. U deed het niet uit waarheidsliefde, u deed het niet uit liefde voor mevrouw Walter, waarom deed u het?
Trip: Het gebeurde... nee, ik wou 'm... ik wou 'm benadelen.
Zorn: Kijk, dat is een antwoord. Daar zijn we een stuk verder mee. Hoe benadelen?
Trip: Hoe? Je... Ergens... 't Deed er niet toe.
Zorn: Zakelijk?
Trip: Ja, zakelijk, ik bedoel eh... nee, eigenlijk niet. Met zaken had die affaire niets te maken.
Zorn: In z'n gezondheid dus?
Trip: Misschien ook wel.
Zorn: Een ernstige hartpatiënt benadelen in z'n gezondheid, dat is toch eigenlijk een poging tot moord? Vindt u zelf ook niet?
Trip: Maar Edelachtbare, dat kan toch niet. Dat kunt u me toch niet...
Zorn: Het kon dus blijkbaar wel!
Trip: Eh.... maar niet met opzet!
Zorn: U had geen enkele opzet?
Trip: Nee, zo kunt u het ook weer niet stellen.
Zorn: Dus, met opzet.
Trip: Waarom kwelt u me zo?
Zorn: Ik kwel u niet, u kwelt uzelf. Ik probeer u aan de waarheid te helpen. Voor u is het van belang te weten of u een moord hebt begaan of niet. De mensen moorden nogal eens zonder dat ze 't weten. Het moet eenvoudig opgehelderd, of bent u daar misschien bang voor?
Trip: Nee. Bang? Nee. Dat heb ik daarnet al gezegd.
Zorn: Dus, wat is de waarheid?
Trip: Ik... ik dacht af en toe dat ik Walter eigenlijk het liefst... zijn nek om zou draaien. Maar ja, dat zijn dingen die iedereen wel 'ns denkt.
Zorn: Maar u hebt het niet alleen gedacht, u hebt het gedaan ook.
Trip: Per slot ging ie dood aan een beroerte! En dat was toen lang nog geen uitgemaakte zaak.
Zorn: U had er wel rekening mee kunnen houden dat hij er een zou krijgen zodra hij hoorde dat zijn vrouw hem bedroog.
Trip: Ja, die kans loopt iedereen in zo'n geval.
Zorn: En toch deed u het!
Trip: Eh... ja, zaken zijn zaken!
Zorn: En moord is moord! U deed het toch, ook toen u wist dat u hem zo dood kon krijgen.
Trip: Nou, ja!
Zorn: Walter is dood, dus u hebt 'm gedood.
Trip: ...Ja! In... indirect, ja.
Zorn: Bent u nu een moordenaar of niet?
Trip: Huh, ik zie het... ik ben een moordenaar.
Zorn: Mijne heren, de beklaagde bekent. Wij hebben hier te maken met een psychologische moord, uitgevoerd op een dusdanig geraffineerde wijze dat er, afgezien van een echtbreuk, schijnbaar niets onwettigs is gebeurd. Schijnbaar. Die schijn is er nu af. Als openbaar aanklager van onze privé-rechtbank heb ik de eer - en daarmee kom ik aan het eind van mijn rekwisitoor - voor Alfred Trip de doodstraf te eisen.
Trip: Ik heb een moord begaan...
Simone: Vruchtengebak, heren? Mokka? Cognac?
Pilet: Mooi zo.
Kommer: Ja, daar hebben we het alweer. Alweer een beklaagde ingestort. Weer een bekentenis absoluut onnodig. Tja, wat kan ik daar nu nog pleiten? Hu? (zucht) Buiten 'n mooie nacht, de bomen ruisen, twee uur, het feest in 't dorp is afgelopen.
Werge: Het woord... is aan de verdediging.
Kommer: Met bewondering, mijne heren, heb ik geluisterd naar de vernuftige rede van de openbare aanklager. Uiteraard, de oude gangster Walter is dood. Mijn cliënt had zwaar van hem te lijden. Hij heeft deze Walter meer en meer vijandschap toegedragen. Hij probeerde hem ten val te brengen, ja, niemand zal dat ontkennen. Waar komt zoiets niet voor? Maar, om hier het overlijden van een zakenman aan een beroerte voor te stellen als moord, mijne heren, (lacht) je reinste fantasie!
Trip: Ik heb 'm toch vermoord?
Kommer: Ja, in tegenstelling tot de beklaagde zelf, houd ik de beklaagde voor onschuldig. Zelfs niet tot schuld in staat.
Trip: Maar ik ben toch schuldig...
Kommer: Dat beklaagde een moord toegeeft die de openbare aanklager zo hoogst geraffineerd heeft weten te fingeren, dat is psychologisch verklaarbaar.
Trip: Maar wat hij verklaard heeft, is dat ik een moord heb begaan.
Kommer: Men hoeft beklaagde toch maar even te observeren om van z'n onschadelijkheid overtuigd te worden? Hier in ons midden is hij geacht, geëerd, gevierd, en, mijne heren, wij zijn toch niet de eerste de beste. Nou, juist doordat beklaagde zich bij ons zo op z'n gemak voelt, aanvaardt hij des te eerder wat hij in onze kring te horen krijgt.
Onder de aangename invloed van de Moezel, van de Château Neuf, van zoveel andere glazen kostelijk vocht tot en met onze oude cognac, wordt hij suggestibel, het denkbeeld een werkelijk perfecte misdaad te hebben opgezet, uitgekiend en volbracht, ja, geen stuntelig moordje, maar werkelijk iets wat alleen door fijnproevers kan worden geapprecieerd en opgehelder, dit denkbeeld dus begint hem toe te lachen.
Dit kunststuk van hem wil hij niet meer zien opgevat als een banaal alledaags toevallig overlijden, waar hij part noch deel aan heeft, ja, sterker nog: het besef tot zulk een geraffineerde opzet, tot zulk en succes, in staat te zijn, is in onze chaotische samenleving zijn enige houvast. Wat ziet beklaagde om zich heen, mijne heren? Verwarring, verwildering, het ontbreken van waarachtig zedelijke normen. Neen, Trip is geen misdadiger, hij is zelf slachtoffer van onze tijd.
Trip: Dat doet er niets aan af dat ik een moordenaar ben.
Kommer: Trip is één uit velen. Wanneer ik zeg dat hij onschuldig is, dan wil ik nog niet beweren dat hij ook geheel schuldeloos is. Nee nee nee, mijne heren, dat zeg ik niet, integendeel. Veeleer is hij verstrikt in alle mogelijke soorten van schuld. Hij gaat door het leven met een handigheidje hier, een trucje daar, een leugentje, een echtbreukje, maar niet dat z'n leven nu uitsluitend bestaat uit dit soort kleine gemene streekjes, nee nee nee, hij heeft z'n eigen goede kanten, de mensen hebben 'm nodig, hij heeft z'n deugden, zoals wij allemaal, hij heeft z'n voor en z'n tegen.
En, zoals dat gaat, het onsociale, het louche, hij is er niet van vrij gebleven. Maar, overheersen doet het 'm niet. En daarom juist, mijne heren, is hij tot de grote forse schuld, tot de onomwonden actie, tot de ferme misdaad niet in staat. Ja, in het diepe besef juist van dit gebrek droomt hij, als in een wensdroom, dat hij de mooie moord wel heeft begaan.
Trip: Maar beste man, 't is toch precies omgekeerd: vroeger droomde ik, ik... ik... ik droomde dat ik onschuldig was. Nu ben ik klaar wakker, ik zie m'n schuld.
Kommer: Wanneer wij nu de zaak Walter bezien, objectief, nuchter, en zonder de dupe te worden van de mystificaties van onze openbare aanklager, dan krijgen wij dit: dat de oude gangster in feite zijn dood heeft te danken aan zichzelf. Ja, mijne heren, aan zichzelf. z'n eigen ambitieuze, onscrupuleuze leven, altijd erop uit om anderen kort te houden en zelf de touwtjes in handen te hebben, en dat terwijl hij wist waar ie aan toe was met z'n hart. Nu even een vraag aan mijn cliënt. Beklaagde, wat voor weer was het op de avond toen Walter overleed?
Trip: Storm. Ontzaglijk stormweer. Hele bomen ontworteld.
Kommer: Ach! Ziezo, ziezo. Daar hebben dan ook meteen de directe doodsoorzaak. Ja, bij hevige storm treedt intensificatie op van verschijnselen als hartattaque, collaps, embolie.
Trip: Daar gaat het niet om...
Kommer: Ja, daar gaat het wel om. Enkel en alleen daarom, meneer Trip, is het een geval van puur ongeluk, en daar wenst men hier een moord van in elkaar te zetten, als had het toeval toen geen enkele rol gespeeld. Nogmaals, mijne heren, ik begrijp het wel, het is een mooie constructie, het is een knap staaltje van fantasie, maar met de feiten... nee nee nee... heeft het bitter weinig te maken.
Goed, mijne heren, mijn cliënt had niet de minste consideratie. Allicht, hij had jaren lang te maken met gangstermethoden als die van Walter. In gedachte wou hij Walter misschien wel dood hebben. Allicht, ja, wat willen we niet allemaal in gedachte. Maar buiten zijn gedachten zoeken wij vergeefs naar een daad. Mijn cliënt wou Walter in de war brengen, van z'n stuk brengen, door het 'm te laten weten van die echtbreuk, maar heeft Walter daar niet om gevraagd, mijne heren? Na al z'n eigen pesterijen? Och, en dat mijn cliënt de weduwe niet meer opzoekt... per slot was het toch geen liefde.
Als het een bezwarende omstandigheid moest zijn elke keer dat wij van iemand niet houden, nee, mijne heren, het is absurd... De argumenten zijn absurd, stuk voor stuk, en de absurditeit wordt gewoon ten top gevoerd als we zien hoe hier een gestrande automobilist ook zelf een stuk geestelijk wrakhout wordt door zich te laten aanpraten dat hij schuldig zou zijn. Het is eenvoudig te gek, mijne heren. Ik vraag dus: vrijspraak.
Trip: Mijne heren, ik heb een mededeling.
Werge: Ja ja, heren, het woord is aan de beklaagde.
Trip: Ik heb de ontstellende rede van mijn verdediger met verontwaardiging aangehoord. Diepe indruk maakte op mij daarentegen het rekwisitoor. Op de woorden van mijn verdediger... ga ik niet in. Het was in één woord laster.
Aan het rekwisitoor wil ik van mijn kant dit toevoegen, enkele correcties ter wille van de waarheid. Zo heeft mevrouw Walter mij niet ontvangen in een kamerjas, maar in een donkerrode kimono. De fatale slag heeft de heer Walter niet in zijn vestibule getroffen, maar in een magazijn, en gestorven is ie in het ziekenhuis onder de zuurstofkap. Dat is alles. Hoofdzaak blijft: ik ben een moordenaar.
Toen ik dit huis in kwam, wist ik het niet. Nu weet ik het. Ik was zeker te slap om eerlijk te zijn? Nu durf ik het. Ik ben schuldig... De schuld is in mij opgegaan zoals de zon opgaat. Hier van binnen, is het zonneklaar. Ik wil niet weer het donker in. Ik vraag u om mijn vonnis. Dank u.
Werge: Eh... beste Alfred Trip. U staat voor een privé-rechtbank. Vandaar nog één vraag. Zult u ons vonnis ook erkennen?
Trip: Uw vonnis accepteer ik bij voorbaat.
Werge: Uitstekend, u erkent onze rechtbank. Ik hef mijn glas met goudbruine cognac uit het jaar 1893. Alfred Trip, u hebt een moord begaan. Nee, niet met een wapen, enkel en alleen door onverschilligheid van de wereld waarin je leeft, want dat alles opzet was, dat lijkt me nu ook weer aanvechtbaar. Je hebt gemoord enkel en alleen omdat je het doodgewoon vond iemand in het nauw te drijven tot de dood erop volgde. Och, in die wereld die je rechts en links doorkruist met je mooie Amerikaanse wagen, daar zou je niets zijn gebeurd, maar... maar nu ben je hier naar ons toe gekomen, naar vier ouwe mannen in een witte villa. En wij hebben even in die wereld van jou het recht laten schijnen, ons recht van vier zonderlingen op leeftijd, ouwe gepensioneerden. Een grijze openbare aanklager, een wat dichterlijk aangelegde raadsman, een aftandse rechter en een dikke kale beul. Het recht van mensen die de tijd hebben. Het recht waar de wereld geen tijd voor had. En in naam van dat recht, mijn beste arme Alfred, veroordeel ik je ter dood.
Trip: Hooggerechte heer, ik dank u. Ik dank u van ganser harte.
Zorn: Beul, geleid de veroordeelde naar het daartoe bestemde vertrek.
Pilet: Mooi zo.
(de heren praten verder)
Zorn: Nou, hè?
Kommer: 't Was een heerlijke avond.
Zorn: Jazeker, ja.
Werge: De heren hebben prachtig gespeeld, hoor.
Kommer: Alweer pech gehad.
Zorn: Ja. Och, nou zijn we zover klaar. Ja, ja, alleen Pilet nog. Voor dag en dauw, dan mag ie wel voortmaken.
Kommer: De ochtend staat al met grauw licht in de ramen, en de eerste vogels...
Pilet: Mooi zo. Komt u maar met me mee.
Trip: Ik kom.
Pilet: De trap! Houdt u mij maar vast.
Trip: Dank u.
Pilet: Mooi zo.
Trip: U hebt zeker al eh... Ik bedoel, u hebt zeker al heel wat mensen zo eh...
Pilet: Och ja, met mijn praktijk, hè?
Trip: Dat begrijp ik, ja.
Pilet: Mooi zo. Pas op, pas op, pas op! U struikelde. Zo. Zo. Bent u weer op de been?
Trip: Ja, dank u.
Pilet: Och ja, je hebt er altijd die bang zijn. Dan kunnen ze geen stap meer verzetten.
Trip: Ik probeer niet bang te zijn. Wat hangt daar? Hier!
Pilet: Dat is een duimschroef. Mooi, hè?
Trip: Dat is toch een martelwerktuig?
Pilet: Ja. Da's antiek. Meneer Werge heeft een uitgebreide collectie... Van alles.
Trip: Wat is dat voor een stoel?
Pilet: Dat? Da's om botten te breken. Renaissance. Ja... Nou, hier hebben we uw kamer. Voor de ter dood veroordeelden. (Gekreun)
Trip: (schrikt) Hoort u dat?
Pilet: O, dat is Tobias. Die slaapt wat onrustig hiernaast. (weer gekreun)
Trip: Daar kreunt er een!
Pilet: Dat is het kamerlid van gisteren. Die slaapt nog steeds z'n roes uit.
Trip: U... u hoeft er niet om te liegen, hoor. Ik begrijp het nu wel. Dit huis... (hoest)
Pilet: Nou nou nou nou, kalmpjes aan, kom nou, kom kom... nog eventjes... zo... Hier maar naar binnen... Zo... Stromend water, hè? Een ruim bed. Mooi zo.
Trip: Dat is allemaal niet meer nodig. Wat is dat voor een stellage?
Pilet: Stellage? Oh! Oh dat? Dat eh... da's de guillotine. Louis Seize. Ook van de collectie.
Trip: Een guillotine!?
Pilet: Da's mooi werk, hè? Moet u 'ns voelen: allemaal eiken. Nou trek ik de valbijl op. Ja, altijd scherp. Zo. Die is paraat.
Trip: Paraat?!
Pilet: Mooi zo. Nou, trek nou uw jasje maar uit.
Trip: Ja, dat hoort erbij, ik weet het.
Pilet: Hoho, wacht u even, ik help u wel even. O... nou... nou die boord los.
Trip: Dank u, dank u, dat kan ik zelf.
Pilet: U... u... trilt een beetje.
Trip: Och, ja.
Pilet: Huhuhu, een beetje veel gedronken, hè? Zo. De boord is los.
Trip: Ik kan niets meer zeggen. Ik ben een moordenaar. Doet u het maar meteen.
Pilet: Mooi zo.
Trip: Ik ben klaar.
Pilet: De schoenen?
Trip: Schoenen?
Pilet: Moeten uw schoenen dan niet uit?
Trip: Da's toch niet nodig!
Pilet: Nou, (lacht) u bent me ook een zindelijk heer. Moet u met schoenen en al in bed?
Trip: In bed?
Pilet: Ja. Wou u dan niet slapen?
Trip: Slapen?
Pilet: Ja. Mooi zo. Zo... nou, gaat u nou maar liggen.
Trip: Maar...
Pilet: Zo... dan stop ik u nog eventjes in, hè? Zo... Ah, mooi zo.
Trip: Maar meneer Pilet, ik ben toch een moordenaar? Ik moet toch terechtgesteld, meneer Pilet? Ik moet... Hij is al weg. Het licht is uit. (zucht) Ik ben toch een moordenaar... Ik ben toch... Ah, moe ben ik. Is het allemaal een spel? Een spel is het. (diepe zucht)
(de kerkklok luidt; er wordt op de deur geklopt)
Simone: Meneer Trip? Opstaan! Daar zijn ze met uw wagen.
Trip: Huh? Wagen?
Simone: Nou, u heeft ook behoorlijk geslapen, 't is klokje negen!
Trip: Negen? Allemachtig, m'n afspraak. Oh! 'k Zal weer aardig hebben gedronken vannacht. Waar zijn m'n schoenen? Oh, daar. M'n kleren? Oh, aan die stellage. Ooh. Zo.
Simone: O, o, o, o! Als die zakenlui maar haast hebben. Meneer Wegge laat zich excuseren, meneer Trip. Maar u neemt toch nog wel eventjes een kopje thee! Ons kamerlid zit al beneden.
Trip: Nee, het spijt me, juffrouw, ik heb geen tijd, ik moet meteen door, 'k ben toch al te laat. Hartelijk dank voor de gastvrijheid.
Simone: Oh!
Trip: Ik heb me kostelijk geamuseerd, hoor.
Simone: (giechelt)
(Trip gaat buiten)
Tobias: Zal ik het hek voor meneer opendoen?
Trip: Hé, wie bent u?
Tobias: Ik ben meneer Tobias, meneer. Ik doe de tuin. Kan u nog iets missen?
Trip: Ha, hier kijk 'ns.
Tobias: Euh, dank u, meneer. Hartelijk dank.
(sluit het hekje)
Trip: En? Doet ie het weer?
Garagehouder: Een hele nieuwe ontsteking, meneer.
Trip: Nou...
Garagehouder: Vierenzeventig gulden vijfentwintig.
Trip: (betaalt) Zo. Laat u maar.
Garagehouder: Dank u.
(start de motor en rijdt weg)
Trip: Ik heb een hoop kolder uitgeslagen, geloof ik. Hoe zat het ook alweer? Een zitting, een rechtszitting! Ach ja... (lacht) 't Is waar ook: ik heb me een moord ingebeeld! (lacht) Een moord! Ik! (lacht) Uitgerekend ik. 'k Kan geen vlieg kwaad doen. (lacht) Zo gek als die lui toch doen als ze eenmaal met pensioen zijn. (zucht)
Nou, dat was dat. 'k Heb anders genoeg aan mijn hoofd. Neem nou die Wildschut. (radio begint te spelen) Die is met mij nog niet klaar. (lacht) Die staat nog 'ns een keer raar te kijken. Ja! 'k Zal 'm daar vijf procent cadeau gaan doen! Vijf procent! En nou geen consideratie meer, ik breek 'm gewoon z'n nek