Home / Opstand der dingen

Opstand der dingen

Versie van de TROS.

Deze originele satire heeft het gemunt op het met consumptiegoederen bedreven fetisjisme. Wanneer aan gebruiksvoorwerpen in het leven van de mensen een plaats wordt ingeruimd die alleen aan de mens zou moeten toebehoren, is het niet verwonderlijk dat deze voorwerpen zich zelfstandig maken en zich onttrekken aan de ongewenste inbeslagname door de mens.

In de woning van een jonge vrouw dringen inbrekers binnen, maar ze worden verrast en vluchten. Als de vrouw het verlies van haar kostbare wandklok meldt, stelt men vast dat alle klokken verdwenen zijn, behalve die die stilgevallen waren.Niemand in de stad weet nog, hoe laat het is. Af en toe ziet men klokken als vogels over de stad trekken. En nauwelijks is er een einde gekomen aan het gespook of er worden nieuwe fantastische gebeurtenissen gemeld.

Rolverdeling.

Eva Janssen Ada
Huib Orizand Edward, Ada's oom
Gerard de Groot Antoni
Guus Hoes Jerzy, Antoni's handlanger
Sacco van der Made chef
Bep Dekker Orlanska, kapitein van de Kommandantur
Tine van Leer Zuza, haar vriendin
Tonny Foletta Tomil, sergeant

Aanvullende gegevens.

Auteur: Henryk Bardijewski
Vertaling: Sophie Nathusius
Regie: Rob Geraerds
Omroep: TROS
Uitzending: 08-01-1975
Speelduur: 38 minuten
Categorie: Absurdisme
Alternatieve productie: De versie van de BRT.

De bron van deze productie.

Der Abflug, 03-07-1971 Westdeutscher Rundfunk.

Hoorspel.

Beluister het complete hoorspel en lees eventueel het script mee.

Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.

Edward: De gebeurtenissen waarvan ik getuige was, zijn niet geschikt om ze van de daken te schreeuwen. Als we alles zouden vertellen, zou menigeen in paniek raken. Bepaalde details kunnen we dus beter weglaten. Om u gerust te stellen - want hoe dan ook, het zal u toch een weinig opwinden - zou ik u eraan willen herinneren dat de vreugde over het bezit van dingen een vrij laag-bij-de-grondse gemoedstoestand is. Het verdriet echter wegens het niet bezitten van dingen is ook niet aangenaam.

(aankondiging van het hoorspel)

Antoni: (draait een nummer) Chef? Ik ben het... Ik, 0-8... 0-8 zeg ik toch... Ja, 8! Hemel nog aan toe, Antoni! Antoni!! Nou, ik zie het nut van die getallen niet in als u ze niet kunt onthouden... Ik ben op het afgesproken adres. De sleutel paste. Dat vrouwtje heeft een piekfijne woning... Ja, de klok hangt aan de muur... 't Kan zijn dat die antiek is. Weet ik veel! Ik maak er geen ruzie om... Mm. Begrepen. Nergens aankomen, behalve aan de klok. Ik zal 'm meteen pakken, wacht effe. (legt de hoorn neer en gaat de klok halen - ze slaat) Hebbes! Voor de bakker. Ja, dat kreng slaat. Ik had 'm nog niet aangeraakt of hij begon te slaan. En zwaar dat ie is! Als een molensteen... Nee, dragen kan ik 'm niet! U weet toch dat ik van de dokter geen zware dingen mag tillen... Nee, Jerzy heeft die koffer nog niet gebracht. Hij is weer 'ns een keer te laat, zoals gewoonlijk. Met zulke mensen kan je niet werken. D'r uit flikkeren en daarmee basta... (lachje) Hij moet iemand onderhouden. Nou, en? Ik ken d'r. Een klein zwart geval. Als wij de poet verdelen, moet ie altijd gehuwdentoeslag voor d'r hebben. En hij niet alleen. Zij heeft er nog een paar in d'r kladboekje staan... Hè? Ik heb geen haast. Ik moet op Jerzy wachten. (de deur gaat open) Ah, hij is in aantocht, de zwerver. Wees maar niet bang, die krijgt wat van me te horen. Kom d'r in, stuk ellende. Verdomme, chef, het is Jerzy niet! Dat mens is thuisgekomen.

Ada: Wat doet u hier?

Antoni: Wat ik doe? Ik telefoneer, mevrouw.

Ada: In mijn huis?

Antoni: Inderdaad, mevrouw. Ik dacht dat ik klaar zou zijn voor u thuiskwam. 't Gesprek heeft wat langer geduurd.

Ada: Wat voor gesprek? Hoe bent u binnengekomen?

Antoni: Windt u niet op, mevrouw... Chef?... De chef zal u alles uitleggen. De chef vraagt of u aan de telefoon komt.

Ada: Wat?... Hallo? Wat voor chef?... Ja, misschien de chef van deze meneer, maar niet van mij. 't Is niet te geloven!... Ja, ja, ik luister... Wat bedoelt u, 0-8? O, die eh... die... die is weg! Hij is weg, zeg ik toch... Ik heb 'm niks gedaan. Hij is vanzelf weggegaan... Wat moet ik vaststellen?... Of ie de klok heeft meegenomen? Mijn klok! Grote hemel! (legt neer - er wordt geklopt)

Jerzy: 0-8? Antoni? Doe open. Ik ben het, 0-15. Jerzy.

Ada: (opent de deur) Wat wenst u?

Jerzy: U? U... u... u... u zou toch... zou toch... eh... Antoni, is dit appartement numero 7?

Ada: Ja. Wie bent u?

Jerzy: Ik eh... ik ben Jerzy. De hulp. En eh... en waar is 08? Wat hebt u met 'm gedaan?

Ada: Dat is mijn zaak.

Jerzy: Ja, en die van hem, en ook die van de chef. De chef zal razend zijn.

Ada: Met de chef heb ik al gepraat.

Jerzy: Nee!

Ada: Mm, toch wel.

Jerzy: Leeft ie nog?

Ada: Ik heb 'm aan de telefoon gehad. Wilt u 'm spreken? Ga uw gang.

Jerzy: Nou, okay. Maar eh... kijk... kijk... kijkt u niet terwijl ik draai. De... de chef die heeft een geheim nummer. (draait) Chef, hier 0-15... Jerzy! Ik eh... ik heb de koffer gebracht... Bij die vrouw natuurlijk, maar d'r is een eh... een eh... ke... Ja, complicatie. U weet het al? Ja, ja, ze zei al dat ze met u had gesproken. Ik vraag eh... beleefd om uw orders... Geen? Als de bliksem verdwijnen? Ja, en wat moet er dan met die klok, chef?... Hoezo, mee... meegenomen? Antoni heeft 'm meegenomen? Antoni heeft 'm niét meegenomen! Hij hangt hier aan de muur!

Ada: De klok is terug! Hier, geef mij even de telefoon, jongen... Chef, of hoe u ook heten mag, mijn klok hangt er weer. Ja, ik begrijp het ook niet. Daarnet was ie weg en nou is ie d'r weer. Ik... ik ben maar even de kamer uit geweest om de voordeur open te maken... Ja, en of dat onbegrijpelijk is, maar bijzonder prettig. Ja, toch ook een beetje verontrustend. Wilt u Jerzy hebben? Ik zal 'm u geven. Meneer 015, de chef wil u... spreken... Waar is ie? Waar is ie? Weggelopen! Weggelopen met de klok! (legt neer) Wat is er toch allemaal vandaag...?

Edward: M'n lieve kind, ik verbaas me daar helemaal niet over. Jij probeert logisch te denken. Iedereen doet z'n best om logisch te denken, en dan zijn ze verbaasd als ze niets begrijpen. De absurditeit, de verdraaide logica, daar gaat het om. Schenk me nog 'ns wat wijn in.

Ada: Hier, oom Edward.

Edward: Geen witte, rode.

Ada: Mm. (schenkt uit)

Edward: Dank je. (drinkt) Vertel 'ns, hebben ze alleen de klok gestolen?

Ada: Is dat soms niet genoeg? Een antieke! Minstens tienduizend waard. Ik was er dolblij mee, dat weet je toch.

Edward: Helaas wel. Ik heb me altijd zorgen gemaakt over jouw sentimentele gehechtheid aan zulke dingen. De vreugde over het bezit van voorwerpen, kindlief, getuigt van een vrij laag-bij-de-grondse mentaliteit. Men hoort belevenissen te verzamelen, geen voorwerpen.

Ada: Maar oom Edward, het zijn juist de voorwerpen die me belevenissen verschaffen.

Edward: Probeer dan het gemis van de voorwerpen te beleven. Neem nou die klok. Die is weg. Probeer je te verdiepen in het gevoel van het gemis ervan.

Ada: Daar heb ik me al in verdiept. 't Is geen plezierig gevoel. Ik heb zo-even het districtshoofd, kapitein Orlanska, van de diefstal op de hoogte gebracht. Ze komt vanavond bij me heeft ze beloofd. (telefoon - neemt op) Ja?... Wie?... Wat voor chef?... O, bent u het weer? Ja, natuurlijk herinner ik me Jerzy... Nog niet met de klok teruggekeerd op de basis? Wat bedoelt u daarmee?... Dat ik de laatste ben die 'm heeft gezien? Hoe komt u daar bij?... Wat zou ik 'm gedaan moeten hebben? Ja, ik ben niet verplicht uw mensen te bewaken. 't Zijn volwassen dieven. Die weten toch zeker wat ze doen?... Ja, natuurlijk heb ik het aangegeven... O, 'k ben blij dat u dat geruststelt. Dag meneer. (legt neer) Een raar stel mensen! Ze stelen niet alleen, ze raken zelf ook nog zoek. De een of andere Jerzy, 0-15 of 0-14, in ieder geval een nul, is nergens te vinden en ze hebben de brutaliteit om te denken dat ik d'r iets mee te maken heb.

Edward: Als ik hun was zou ik eerder aan de politie denken.

Ada: U beeft, kapitein. Een kopje koffie?

kapitein Orlanska: Nee, een cognac.

Edward: Ja, wat sta je daar maar te staan, kind?

Ada: Ja.

Edward: Geef die kapitein een cognac als ze daar om vraagt. Is er iets gebeurd?

Orlanska: In de loop van de dag zes meldingen over de verdwijning van klokken. En vanavond, toen ik hier naartoe ging, zag ik dat de torenklok van het raadhuis ook weg is.

Edward: Om eerlijk te zijn, ik heb niet anders verwacht.

Orlanska: Hoezo? Kunt u dan verklaren wat er aan de hand is?

Ada: Oom Edward overdrijft graag.

Edward: Oude mensen weten het een en ander, kapitein. Bepaalde dingen kunnen alleen oudere mensen rustig verwerken. De jongere raken direct in paniek, en daarom, lieve kinderen, hoort de toekomst aan de ouderen.

Ada: (lachje) Oom Edward heeft altijd van die enge ideeën. In de bejaardenclub dwepen ze d'r mee.

Edward: Ze worden daar in ieder geval naar waarde geschat. Geloof me, onze club is een bron van nieuwe ideeën en nieuwe stromingen.

Orlanska: Niet te nieuwe, hoop ik. Er is nog een bericht binnengekomen, maar dat is zo onwaarschijnlijk dat je bijna zou zeggen dat het waar is. Eén van de verdwenen klokken, een koperen pendule uit de 18de eeuw, zou volgens ooggetuigen op vrij grote hoogte boven de stad hebben gevlogen.

Ada: Boven de stad gevlogen?

Edward: Eerlijk gezegd, dat heb ik verwacht.

Orlanska: O ja?

Edward: Zeker, ik verwacht nog meer. Merkwaardig dat het zo laat begonnen is, pas in de zeventiger jaren, en dat het bij de klokken begonnen is. Ik had gedacht dat het tafelbestek het eerst in beweging zou komen.

Ada: In beweging komen? Maar... maar dat is die dievenbende die...

Orlanska: Helaas niet. Ze hebben zich juist tot mij gewend me het verzoek om iets voor één van hun mensen te doen, een... een... een... een... een zekere Jerzy, schuilnaam 0-15. Sinds dat individu dit huis heeft verlaten, is ie spoorloos.

Ada: Daarom bent u hier. Ik dacht wegens mijn klok.

Edward: Wat betekent een klok, al was het de meest waardevolle, als je 't vergelijkt met het leven van een dief, m'n kind. (telefoon)

Ada: (neemt op) Ja?... O, voor u, kapitein.

Orlanska: Ah. Kapitein Orlanska. Vooruit, zeg het maar... Met eigen ogen... Met jouw ogen... Mm. Mm... En met een verrekijker... Ja... Een formatie. (lachje) Jazeker, ik begrijp het... Naar het zuiden. Nee nee, nee, nee, zonder bevel niet schieten. Bedankt... (legt neer) Een cognac.

Ada: Slechte berichten?

Orlanska: Sergeant Tomil heeft een formatie klokken naar het zuiden zien vliegen. Met z'n eigen ogen, zegt ie. (zucht) De stakker. Ik ben bang dat ik een sergeant heb verloren.

Edward: Naar het zuiden, zegt u? Dat dacht ik al.

Ada: Is het dan mogelijk dat klokken voor de winter naar warme landen trekken? Nog een cognac?

Orlanska: Hè? Dank je, ik ben over m'n schrik heen.

Edward: Maar niet over de cognac, merk ik. Ik ben bang dat we 't onderzoek voorlopig moeten uitstellen.

Zuza: Morgen, sergeant. Is de kapitein aanwezig?

sergeant: Nee. Ze wou om één uur terug zijn, maar niemand weet hoe laat het is. We hebben nog maar één klok: de zonnewijzer.

Zuza: De zon verschuilt zich anders achter de wolken. Die doet mee met de klokken. Misschien zijn ze allemaal naar de zon toe gevlogen.

sergeant: Denkt u dat ze terugkomen?

Zuza: Wie weet, op een goed ogenblik, als we er achter zijn waarom ze wegvlogen. Misschien hebben we te veel tijd verspild. Misschien hebben we te weinig respect gehad voor de vervliegende uren, kwartieren, minuten, dagen, maanden, jaren.

sergeant: Ja, neem me niet kwalijk, direct komt het tijdsein van de radio.

tijdsein: Het is ongeveer twaalf of dertien uur. Hoogstens dertien uur dertig. U hoorde het tijdsein. We schakelen over naar... (de sergeant schakelt uit)

sergeant: Ze zijn niet al te precies, maar zo kunnen ze zich tenminste niet vergissen. Maar m'n maag zegt me trouwens ook dat het ongeveer middag moet zijn. Wat doet u eigenlijk hier?

Zuza: De kapitein heeft me een recept voor een pruimentaart beloofd.

sergeant: Hier op het bureau? Nu? Wie zijn hoofd staat nu naar een pruimentaart?

Zuza: Dat is een kwestie van de maag, niet van het hoofd. De culinaire kunst heeft nog heel andere tijden doorstaan.

sergeant: Maar nu, zonder klokken, is ze d'r toch slecht aan toe, hè? Hoe wilt u de kooktijd van een ei controleren?

Zuza: Ik bak het ei. Ik maak van de nood een deugd. Wat ik met koken verlies, win ik weer met bakken.

sergeant: Als iedereen dat doet, gaat de stad nog meer stinken. Vindt u het goed dat ik het raam eh... sluit? (gaat naar het raam) O, komt u eens kijken! Gauw! Daar vliegen ze weer.

Zuza: Waar?

sergeant: Daar, boven die schoorsteen Ziet u ze?

Zuza: Zijn dat...

sergeant: ...onze klokken! Ze zijn nog niet helemaal weg, Ze cirkelen nog in de buurt. O, nu zwermen ze tussen de duiven! Kunt u ze zien? Sommige kwispelen met hun slingers. En ze slaan. Hoort u hoe ze slaan?

Zuza: Kan een klok tegelijk vliegen en slaan?

sergeant: Blijkbaar kan een klok alles. (kapitein Orlanska komt binnen) Hier is de kapitein. Kapitein, sergeant Tomil meldt zich. Tijdens uw langdurige afwezigheid is er niets belangrijks voorgevallen. Te melden is alleen de komst van deze vrouw, en dat de klokken weer boven de stad hebben gevlogen.

Orlanska: Dank je, sergeant. Ga naar dit adres en breng de chef van de dievenbende hier.

sergeant: En als ie tegenstand biedt?

Orlanska: Dan zegt je dat ik op 'm wacht. Mij heeft nog nooit een man tegenstand geboden.

sergeant: Inderdaad! Niet één! (vertrekt)

Zuza: Je houdt 'm wel op een afstand.

Orlanska: Dat is ook nodig, anders wil ie met me trouwen. En ik kan toch geen onderofficier trouwen? Tussen ons ligt een ambtelijke afgrond: vier sterren.

Zuza: En als ie uit de militaire dienst zou stappen? Burgers zijn allemaal gelijk.

Orlanska: Dat doet ie niet. Hij is bang dat de afstand tussen ons dan nog groter wordt. De stakker begrijpt niet dat die dan juist kleiner zou worden. Trouwens, ik heb op het ogenblik geen tijd voor liefde. Voor niets heb ik tijd. Ik heb helemaal geen tijd. De klokkenmakers zijn ononderbroken aan het beraadslagen, wie weet hoeveel uur al, zonder enig resultaat. De zandverkopers zijn aan het zeven voor zandlopers. De arbeiders klagen dat de achturendag naar de bliksem is. De hele zaak is de instanties die orde en rust moeten bewaren over het hoofd gegroeid. Niemand voelt zich meer bevoegd om iets te ondernemen. Gelukkig maar, daardoor heb ik de handen vrij. Jouw horloge is natuurlijk ook weggevlogen.

Zuza: Nee, het was stuk. Het is hier gebleven.

Orlanska: Ik wist niet dat kapotte uurwerken hier bleven. Goed dat je me dat bent komen vertellen.

Zuza: Daar ben ik niet voor gekomen. Ik kom voor het recept van de pruimentaart.

Orlanska: Dat is waar ook! Ik zal het je meteen geven. Men neme 100 gram meel, 150 gram margarine, een eigeel...

sergeant: (komt weer binnen) Sergeant Tomil meldt zich. Sergeant Tomil en een man. Ik meld: de arrestant heeft tegenover mij...

Orlanska: Geweld gebruikt?

sergeant: Nee, geld.

chef: Wat geld? Kapitein, een paar voddige lapjes, en nog gescheurd ook.

sergeant: Bij geld gaat het om de kwantiteit, niet om de kwaliteit.

chef: Het was echt niet veel.

Zuza: Dus 150 gram margarine, een eigeel...

Orlanska: 100 gram suiker door het meel mengen, twee lepels room... Achternaam? Voornaam? Beroep? Noteer, sergeant.

chef: Bij mij is alles zonder zwendel of dubbele bodem, zelfs m'n beroep.

Zuza: Wat voor beroep?

chef: Eh... neemt u het verhoor af of de kapitein? Een vrij beroep.

Orlanska: Niet zo lang meer vrij. Een half pakje bakpoeder en 600 gram pruimen. De pruimen zorgvuldig wassen...

sergeant: Juist! Wassen!

Orlanska: Dus, uw beroep?

chef: Opleiding, maar geen praktijk: kok. Geen opleiding, maar wel praktijk: chef.

Zuza: Zorgvuldig wassen, en dan?

chef: De pruimen in de lengte doorsnijden en de pitten d'r uithalen.

Zuza: Klopt dat?

Orlanska: Ja. Chef. Waarvan chef?

chef: Van een groep specialisten waarvan wij er één - ik ben zo vrij u daaraan te herinneren - zijn kwijtgeraakt.

Orlanska: Mooie specialist! Gaat weg en kom niet terug. Als wij 'm nou nog kwijt waren geraakt, maar jullie... Waar... waar... waar zijn we gebleven?

sergeant: De pitten er uithalen.

Orlanska: Dan maken we 't deeg klaar. Na het kneden zetten we 't deeg tien minuten op een koele plaats. Daarna uitrollen en een centimeter dik op een rechthoekig blik leggen. Waarin bent u gespecialiseerd?

chef: In klokken, vooral antieke. Maar nu kan niemand ons meer iets bewijzen. Klokken weg, schuld weg. Helaas ook al ons werk voor niets. Dat is alles wat ik te zeggen heb, hooggeëerde staatsmacht.

Orlanska: Eh... waar... waar zijn we nou gebleven?

sergeant: Hooggeëerde staatsmacht, bij het verhoor. En bij de taart: op een rechthoekig blik leggen.

Orlanska: Verdeel de pruimen netjes over het deeg op afstanden van drie-vier centimeter. Dan schuiven we het blik in de oven, baktijd twintig minuten.

chef: Als we een klok hebben, kapitein! Als we d'r een hebben! Kan ik gaan of blijf ik bij u, kapitein?

sergeant: U hoort niet te zeggen “bij u, kapitein”, maar in arrest!

Orlanska: U blijft hier.

Zuza: Natuurlijk. De kapitein houdt ervan mannen om zich heen te hebben.

Ada: Oom Edward, u zegt aldoor “kindlief” tegen de kapitein. Dat vindt ze misschien niet prettig.

Orlanska: O jawel. Dat wil zeggen, prettig vind ik het niet, maar dat hindert niet. Gaat u door.

Edward: Mijn theorie steunt op de natuurkunde. Ik zal m'n best doen haar zo begrijpelijk mogelijk toe te lichten. Kijk, het leven in de tegenwoordige maatschappij heeft een vrij onverwachte wending genomen. Onverhoopt is pas in onze, in de twintigste eeuw gebleken dat het hoofddoel van de mens in feite de productie is, of beter gezegd de producten, dus de dingen, de voorwerpen. Bijgevolg is onze voornaamste bezigheid het produceren van voorwerpen.

Orlanska: Bij mij niet.

Edward: U let erop dat anderen rustig kunnen produceren.

Ada: Bij mij gaat het ook niet op.

Edward: Jouw geval, kindlief, is helemaal hopeloos.

Ada: Mm?

Edward: Jij produceert niet, in plaats daarvan verzamel jij voorwerpen. Dat is het summum van onvrijheid. Als de dames mij tot nu toe hebben kunnen volgen, dan gaan wij verder.

Ada: Mm.

Edward: Door genoemde activiteiten, waarmee de mens al jarenlang bezig is, door de opeenhoping van een enorm aantal voorwerpen, is er een ongewone oververzadiging ontstaan in de atmosfeer. Voorwerpen, voorwerpen, voorwerpen! Ergens daartussen in de mens.

Orlanska: Bij ons is het nog niet zo erg.

Edward: Nog niet, maar het duurt niet lang meer. U moet goed begrijpen, er komt een kritiek moment wanneer de voorwerpenmassa een bepaalde volume overschrijdt. Dan beginnen de dingen namelijk op mekaar in te werken. Hoe hun krachten op elkaar inwerken is nog niet precies ontdekt, maar we hebben hier in ieder geval met kinetische verschijnselen te maken, of anders gezegd: met beweging.

Orlanska: Bedoelt u, wij hebben... we... we... wij hadden te veel klokken?

Edward: Het gaat niet alleen om klokken, de vorken hadden net zo goed in beweging kunnen komen, of... of... of... of de vleesschotels of de kussens. Het schijnt dat de klokken bijzonder gevoelig zijn, dat is alles. Ik geef toe dat ik eerder gedacht had aan transistors. De mensen geloven nog altijd dat de natuur hun grootste tegenstander is, of de medemens. Zij hebben nog altijd niet in de gaten dat de wereld der dingen een veel grotere bedreiging voor ons betekent. (telefoon)

Ada: Ach, alweer. (neemt op) Ja?... Jazeker... Sergeant Tomil voor u.

Orlanska: Mm. Met kapitein Orlanska... Kalm een beetje, kalm! Geef me de berichten één voor één door. Ja?... Ja?... Wie heeft dat gezien?... Wat? Er zijn zelfs foto's genomen? Uitstekend! Hou het slagveld in de gaten en waarschuw de vereniging voor klokkenmakers. Zeg ze dat ze moeten redden wat er te redden valt. Zonder aarzeling ingrijpen, dat is volgens mij het belangrijkste. Dank je, sergeant. (legt neer)

Ada: Nieuws?

Orlanska: Twee eskaders klokken hebben boven het stadion een luchtgevecht geleverd.

Ada: Wat?

Orlanska: Zware verliezen aan beide kanten. Het sportveld ligt vol tandwieltjes, wijzers en veren. Het tikken en slaan van de uurwerken was tijdens het gevecht te horen.

Edward: Waarschijnlijk heeft een escadrille wekkers aan de slag deelgenomen. Wekkers zijn bijzonder krijgszuchtig.

Ada: Wie heeft eigenlijk tegen wie gevochten, en... en waarom?

Orlanska: Dat weet men niet precies. Men vermoedt dat het om een paar minuten ging. De klokken die achterlopen hebben namelijk gevochten tegen de klokken die voorlopen.

Ada: Mm.

Orlanska: Die gelijk lopen zijn neutraal gebleven.

Edward: Dan was het alleen maar een schermutseling. Ik ben bang dat de beslissende slag ons nog te wachten staat.

Ada: O, wat erg! Ze slaan elkaar allemaal nog dood.

Edward: Aan het slaan zijn ze gewend. Je bedoelt: ze roeien zichzelf uit? Dat kan zijn. De voorwerpen regelen zelf hun numerieke hoeveelheid. Dat is onze hoop voor de toekomst. En laten we nu de tweede theorie bekijken, de psychologische.

Orlanska: Psychologische? Dingen hebben toch geen verstand?

Edward: Vandaag de dag is dat zo zeker niet meer. Hebt u nooit van het wezen der dingen gehoord? Nou, ziet u wel. Wij weten niets af van de grote dreigende wereld der dingen, of bijna niets. In het algemeen is men de verkeerde overtuiging toegedaan dat de voorwerpen in dienst staan van de mensen en niet de mens in dienst van de voorwerpen. De werkelijkheid is echter veel gecompliceerder. Ook de psychologische theorie verklaart niet alles. Ik zal proberen zo duidelijk mogelijk te zijn. Het is bekend dat de mens niet alleen de voorwerpen produceert, maar zich dan ook nog aan hen hecht. Uit dit soort liefde ontstaat een kleinburgerlijke verhouding. De nieuwste ervaringsfeiten hebben bewezen dat voorwerpen in staat zijn de invloed van genoemde liefde te registreren. Wanneer dus de binding aan dingen de toelaatbare grens overschrijdt, of anders gezegd, zodra de op de dingen gerichte psychische energie een zekere spanningsgraad heeft bereikt, beginnen de dingen te reageren.

Ada: Het is waar! Ik heb altijd een zwak gehad voor klokken.

Edward: Het gaat hier niet om de een of andere individuele voorliefde; het gaat ook niet om klokken. Wij allen laten ons langzamerhand beheersen door het verlangen naar dingen, door een ongezonde begeerte naar bezit. En de dingen hebben dat direct in de gaten. Dat onze dingen de eerste waren die het voelden, hoewel hun aantal in vergelijking met andere landen nog vrij klein is, strekt hen tot eer.

Orlanska: Maar dat is allemaal afschuwelijk wat u daar zegt. Ik kan alleen hopen dat het niet waar is.

Edward: Hoop doet leven. Geeft u de hoop niet op zolang het nog mogelijk is.

Antoni: (draait een nummer) Hallo? Met het bureau van de stadscommandant? Ik wou graag de chef hebben... Wat doet het ertoe of ie vast zit? Daarom kan ie toch wel aan de telefoon komen? Haal 'm even... Geef 'm dan de hoorn door de tralies aan. Cel 25... Een privé-aangelegenheid!... Met wie u spreekt? Wat kan jullie dat schelen? Nou, goed dan. 0-8... 0-8!... Spellen? Ik kan beter tellen. 1-2-3-4-5-6-7-8!... Hè hè, eindelijk. Geef me nou de chef... Bedankt... Chef? Met 0-8. Grote genade, Antoni! Antoni!!... Waarom zit u eigenlijk in de bak?... Heb ik u niet voorspeld dat het u nog 'ns te pakken zou krijgen? Je kunt beter een burgervrouw liefhebben dan een kapitein... U hebt een verklaring afgelegd, chef? Nou, dan is het afgelopen met ons... O, een liefdesverklaring! Dan is het afgelopen met u. Nou laat ze u niet meer los. Geeft ze u tenminste goed te eten? Maar daarvoor bel ik niet, chef. Jerzy is er weer... 0-15!... Hij staat naast me. Kom hier, 015, maak je opwachting bij de chef... Hij groet u beleefd... Waar ie was? Hij is door de klok ontvoerd... Wat zegt u nou, chef? Ik, dronken? Dat neem ik niet. Ik drink nooit onder diensttijd! Jerzy en ik zijn weer ik het huis van die dame waar alles begonnen is met de klok. Ja. De sleutel paste, de sleutels muiten nog niet. Chef, het bezoekuur is afgelopen? Zeg maar tegen ze dat een bezoek per telefoon langer mag duren. Ja, ik zal kort zijn. Jerzy heeft de klok weer te pakken gekregen en we vonden dat we 'm maar terug moesten brengen. We kunnen de klokken beter met rust laten .?. links laten liggen. Gaat u akkoord?... U maakt ons een compliment? Dank u. En nog veel plezier! Jerzy wenst u ook nog prettige dagen... (legt neer) De chef heeft ons verlaten, maar mijn beslissing was prima.

Jerzy: Jawel, eh... chef.

Ada: Hang dat rotding nou maar weer op z'n plaats en wind 'm op. Ook het speeluurwerk.

Jerzy: Jawel, chef, ook het speeluurwerk. (windt de klok op - ze slaat)

Orlanska: (komt binnen) Handen omhoog!

Antoni: Waarom? Zijn we soms aan het stelen? Integendeel! Maak een buiging, Jerzy, dit is de kapitein!

Orlanska: 08 en 015, samen 023.

Antoni: Eén onschuldige en nog een onschuldig, samen twee onschuldigen.

Orlanska: In een vreemde woning.

Jerzy: We... we hebben de klok teruggebracht.

Orlanska: Niet te geloven. Hoe dan? Heeft ze zich laten pakken?

Jerzy: Nou, eerst heeft ze mij gepakt, toen ik haar. Zo zit dat.

Orlanska: Dat moeten jullie dan maar allemaal op het bureau komen vertellen.

Jerzy: Maar waarom zouden we daar naartoe gaan? Ik kan het hier ook vertellen. (telefoon)

Orlanska: (neemt op) Ah, jij bent het, sergeant... Ja, ik heb ze allebei gearresteerd... Wie is terug? Onze klok? Een wijzer verloren? Nou ja, maar ze is terug. Weet je wat? Sluit 'r voor alle zekerheid in een cel op. Ja, wegens verstoring van de openbare orde. Hoe laat is het bij jou?... Drie uur? Mm, op de klok hier is het één uur. Ze komen terug, maar ze zijn wel erg van slag. Je weet gewoon niet meer welke klok je moet geloven. Goed, ik kom zo... Naar wie verlang je? (lacht) Maar sergeant! De arrestant ook? Zeg 'm dat ie zich kalm moet houden. Ik blijf niet lang weg. Tot ziens. (legt neer)

Ada: De chef is krankzinnig geworden.

Jerzy: Ja, niks krankzinnig. Verliefd. Ik begrijp 'm.

Orlanska: Vertel op, 015.

Jerzy: Waarom zo formeel? Ik heet Jerzy.

Ada: Beheers je! Wie heeft naar je naam gevraagd? Hij is een brutale opdonder. Waar of niet?

Orlanska: Waar of niet? Een charmante jongen! Hoe oud ben jij?

Jerzy: Eh... achttien, kapitein.

Orlanska: Ik neem aan dat je van school bent. Ik hoop dat je die behoorlijk hebt doorlopen? Mm?

Ada: Dat heeft ie. Onze school, niet de openbare, daar heeft ie maar een paar jaar gezeten. Hij is onbegaafd, kapitein. De chef heeft hem les gegeven en nog 'ns les gegeven zonder enig resultaat. Dat ziet u. Ik heb de chef gewaarschuwd. “Chef,” heb ik gezegd, “wanneer er iemand al op de gewone school al niet meekomt, dan hoeft ie het op onze school niet eens te proberen.” En heeft ie het gehaald? Nee, hij heeft het niet gehaald.

Jerzy: En eh... of ik het gehaald heb. Zonder mij zaten die klokken nog altijd in het bos.

Orlanska: In het bos!?

Jerzy: Ja, waar anders. Het zat zo: toen ik dat antieke ding hier had meegenomen, toen... toen ging ik zoals gewoonlijk naar onze vaste plek van samenkomst, in de Lawaaistraat.

Orlanska: Lawaaistraat?

Ada: Daar heb je hem weer! Zuigt alles uit z'n duim! Stel je niet aan, man! (spuugt)

Jerzy: Eh... niet spugen, 0-8. Dat doe je niet in... in aanwezigheid van een dame. Ik eh... ik loop dus door de Lawaaistraat, maar ik voel dat me iets naar de Meistraat trekt en... en sla dan de Junistraat in. Ik eh... ik kon me gewoon niet beheersen. Door de Julistraat en de Augustusstraat rende ik zo hard dat de mensen omkeken. Toen kregen de September- en de Oktoberstaat een ongelooflijke aantrekkingskracht voor me en... en daarna maar rechtuit het bos in. Maar dat bos, dat bos was op de een of andere manier merkwaardig. Geen ruisen van bladeren, geen geritsel, alleen getik. Tik-tak, tik-tak... Nou... nou, zeg ik tegen mezelf, een fatsoenlijk bos doet dat niet. En ik bekijk de bomen en de struiken om te zien waar het vandaan komt. En wat zie ik? Op de takken zaten klokken, in een rij, net kraaien. De... de slingers, die hingen tussen de bladeren en... en de grote staande klokken, die leunden tegen de stammen of ze... of ze nestkastjes waren. De... de pols- en de zakhorloges, die schommelden op de dunnere takken, maar... maar de wekkers, die zaten gewoon op het mos. Een open plek was helemaal met wekkers bedekt! Ik ging dus midden tussen ze in zitten op een boomstronk en ik hield mijn klok goed vast, zodat ze zich niet kon loswringen. Ik eh... ik... ik... ik wist niet wat ik doen moest. (telefoon)

Orlanska: Zeker voor mij. (neemt op) Ja? Met kapitein Orlanska... Langzaam, sergeant, het een na het ander, asjeblieft... Een grote eenheid, zeg je? Ah... een vliegdemonstratie... Ja? Ja, ik heb het begrepen... Wie vliegt er voorop?... Een vergulde tafelklok, misschien zelfs helemaal van goud?... Misschien... Iemand beweerde uit de 17de eeuw?... Daarachter drie elektrische?... En een wekker-eskader in de vorm van een ruit, in grote eendracht. Hun geschillen zijn dus blijkbaar opgelost... Schei uit, noem me niet alle formaties op, maar vertel me wel waar ze heen gevlogen zijn... Mm, boven de markt zijn ze uit elkaar gegaan. Juist. Ze keren langzaam terug. Goddank. Ik denk dat ze moe zijn, zoals gewoonlijk na een demonstratie... Wie wacht op me? De gevangen chef? Hij kan beter zitten wachten dan vluchten. Goed zo. (legt neer) Ze keren terug. (Ada en Edward komen aan)

Ada: Niet alleen de klokken, ook de vrouw des huizes als ik me niet vergis.

Jerzy: O, ze... ze betrapt ons weer. Maar deze keer loopt u er ook in, kapitein.

Ada: Gaat u alvast binnen, oom Edward. Ik zet even thee.

Edward: Dank je, kindlief. (gaat binnen) Nou, je hebt al bezoek!

Ada: Wat? Alweer die twee?

Antoni: Deze keer in goed gezelschap, mevrouw: we hebben de kapitein bij ons.

Orlanska: Ik heb ze betrapt bij het terugbrengen van de klok.

Ada: Ik eh... ik zal thee zetten. Gaat u toch allemaal zitten.

Orlanska: De stakkers geloven dat zij de hele deining hebben veroorzaakt. De naïviteit van dieven is grenzeloos!

Antoni: Dank u, mevrouw, we staan liever.

Jerzy: Maar drinken wil ik wel graag iets.

Antoni: Je merkt aan alles dat je een beginneling bent! De kapitein drinkt niet met arrestanten!

Edward: Mij mag je wel iets te drinken geven. Is dit de jongeman die ze kwijt waren?

Ada: Ja, dat is eh... nul eh... welk nummer was 't ook weer?

Orlanska: 15. Hij was met de gestolen klok in het bos waar hij andere klokken heeft ontmoet. En eh... hoe ging het verder?

Jerzy: Ik eh... probeerde te verstaan waar... waarover ze spraken. Ze... ze waren aan het vergaderen, dat was duidelijk, maar ik... ik ken hun taal niet. Daarvoor moet je een klok zijn.

Edward: De klokkentaal hoort tot de familie der tikkende talen, die weer onderverdeeld zijn in een aantal dialecten. De grammatica is vrij eenvoudig, maar de woordenschat is bijzonder groot. De beste klokkenmakers kennen hoogstens een dozijn woorden en als er een meer dan twintig woorden beheerst, beschouwt hij zichzelf als een klokkenmaker-taalgeleerde.

Ada: Oom Edward gaat zich weer te buiten aan speculatieve beschouwingen. Hier is de thee.

Orlanska: Ga door, 015.

Jerzy: Dank u, mevrouw. Dus ik hoor het tikken, het rinkelen, het slaan, het... het steunen en... en fluisteren van de klokken, en eh... ik snap er niets van. Maar ik merk dat ze zich allemaal naar die van mij toewenden, als... als was ze de generaal of... of de president. Ineens wordt het muisstil, en... en mijn klok die houdt een redevoering. Ze... ze sloeg heel lang en heel ernstig. M'n knieën die beefden d'r van. Je kon zien dat de andere... dat de andere respect voor d'r hadden, maar niet allemaal: aan de andere kant van de open plek begon een... een klok heel woedend d'r van repliek te dienen. Het was een torenklok. Ik eh... ik geloof die van de kerk. En... en daarop vloog het merendeel van de klokken op, in de richting van het stadion, waar ze - zoals bekend - slag leverden.

Antoni: We hebben je als gekken gezocht! De kapitein verdacht zelfs deze dame ervan je ontvoerd te hebben.

Orlanska: Ik niet, jullie verdachten haar. Ik weet wel wat er verder gebeurd is. Dezelfde krachten die jou naar het bos hebben getrokken, hebben je weer naar dit huis teruggebracht.

Antoni: Welnee kapitein, dat waren geen krachten, dat was mijn geweten.

Jerzy: Natuurlijk, ons geweten.

Edward: En de angst. De angst is een voortreffelijke stimulans voor het geweten.

Ada: De kapitein zorgt er wel voor dat jullie hierover rustig kunt nadenken.

Orlanska: Ja! We gaan.

Antoni: Het is onbeleefd zo plotseling van tafel op te staan. Men hoort een tijdje te blijven zitten.

Orlanska: Jullie gaan ergens anders zitten. Bedankt voor de thee. We gaan!

Edward: Een ogenblik, alstublieft. Ik betwijfel of alles voldoende opgehelderd is, eh... wetenschappelijk opgehelderd. Ik heb al twee theorieën over de beweging der dingen aangeduid, de natuurkundige en de psychologische, maar er bestaat nog een derde theorie, die de waarheid wel 'ns het dichtst zou kunnen benaderen. Deze theorie is misschien in tegenspraak met de beide andere theorieën, maar omdat het leven vol tegenspraak is, waarom dan niet de theorieën?

Antoni: Waarom niet? Best mogelijk. Kom op met uw tegenspraak.

Edward: Zoals iedereen weet, produceert de mens voorwerpen om ze op te slaan, te verzamelen, te verwerken, te repareren, te verslijten en ze ten slotte te vernietigen. Met andere woorden: hij oefent macht over ze uit. Hoe groter z'n kennis wordt, hoe sneller de mens produceert en hoe meedogenlozer hij omgaat met de voorwerpen die hij gebruikt. Hij verslijt ze zonder erbarmen. Wanneer onderdrukking en uitbuiting de grens van het toelaatbare overschrijden, beginnen de voorwerpen in beweging te komen. De beweging is dus niet alleen het gevolg van een te grote opstapeling der dingen en van een ziekelijke binding van de mens aan hen, maar ook het gevolg van de verkeerde manier waarop we met ze omgaan. Dit laatste, ben ik bang, geldt voor ons geval. Ach, geef me nog wat thee, kindlief.

Ada: Mm.

Antoni: Daar heb je het! Begrepen, 0-15?

Jerzy: Begrepen, chef. Met onderdrukking en uitbuiting hebben wij niks te maken. Wij zijn onschuldig en eh... kunnen dus naar huis.

Orlanska: Niet zo haastig. Stelen mag niet. Dat heeft niets met onderdrukking te maken. Kom, we gaan.

Ada: Nou, jammer. Ik vond het leuk om u hier te hebben. Hopelijk zien we elkaar weer eens?

Antoni: Met het grootste genoegen, mevrouw. Het duurt wel een half jaartje voor we weer bij u kunnen komen, maar ik ontvang iedere dag.

Edward: Wij zullen er aan denken. Wij zullen in gedachte bij u zijn. Ja, ik ben wat mystiek aangelegd. Ik geloof in psychische krachten die van de een naar de ander gaan.

Antoni: Tot genoegen!

Jerzy: M'n... m'n... mijn oprechte dank. Niet wij hebben kwaad gedaan, maar die eh... vervloekte dingen!

Orlanska: Tot ziens. Wat heerlijk dat alles door onze bemoeiingen weer tot de norm teruggebracht is. De norm - welke norm dan ook - is toch altijd de norm. (telefoon)

Ada: (neemt op) Ja?... Ah, voor u, kapitein.

Orlanska: Alweer?

Ada: Mm.

Orlanska: Ja?... Ja, ik ben het, sergeant. Kom, vooruit ermee?... Weet je 't zeker? Dank je... (legt neer) Een glas cognac, asjeblieft.

Ada: Is er... is er iets ergs?

Orlanska: Dat lijkt me wel, ja. Zojuist vlogen twee televisietoestellen boven de stad.