Droom op Edsin-Gol
In een eenzame onderzoekerstent aan de rand van de Gobiwoestijn maakt Ludwig, een jonge man van de wetenschap, de dagelijkse meteorologische aantekeningen. Twee jaar reeds leidt hij, samen met zijn medewerker Bernhard, die net een kleine excursie maakt, een leven in troosteloze eenzaamheid.
Terwijl moeheid hem overvalt, noteert hij plots in het dagboek dat Bernhard vandaag niet van zijn excursie zal terugkeren, daar hij, Ludwig, zijn drinkwater heeft vergiftigd. Hij schrikt zelf van de verraderlijke notitie, maar speculeert toch verder: binnen elf dagen, als het postvliegtuig komt, zal hij naar Berlijn terugvliegen en zich met behulp van een vervalst testament de geliefde van Bernhard en diens hele bestaan toe-eigenen.
Zo zal hij aan zijn kwellende gebrek aan geluk ontkomen. Maar op dat ogenblik gaat de droom voor Ludwig onverwacht als nachtmerrie verder: het genot van het steelsgewijze verkregen geluk in Berlijn brengt Ludwig voor het gerecht en als aanklager staat daar de dode, weer tot leven gekomen Bernhard voor hem, die wisselende gedaanten aanneemt.
Aanspraak op geluk staat tegenover aanspraak op geluk. De gewetensnood van de moordenaar is ontzettend. Eindelijk ontwaakt Ludwig, en Bernhard, die zijn drinkwater vergeten had, verschijnt ongedeerd voor de tent. Als het vliegtuig vervroegd aankomt, hoopt Ludwig dat niemand aan hem gedacht heeft, dat niemand hem met vreemd geluk in verzoeking brengt. En men heeft hem werkelijk vergeten: alleen Bernhard ontvangt post.
Beluister de opname en lees het script op deze pagina mee.
De rolverdeling.
| Paul van der Lek | Ludwig Kraemer |
| Dick Scheffer | Bernhard Godemann |
| Eva Janssen | Maria |
| Wam Heskes | President van de rechtbank |
| Hans Veerman | Politieagent |
| Auteur: | Günter Eich |
| Vertaling: | Will Barnard |
| Regie: | Wim Paauw |
| Omroep: | NCRV |
| Uitzending: | 12-01-1962 |
| Speelduur: | 25 minuten |
| Herhaald op: | 25-05-1966 |
| Genre: | Sociaal |
Het script.
Het script is voor u uitgeschreven door Herman en Marc Van Cauwenberghe.
(de grammofoon speelt een vrolijk wijsje: Circus Renz van Gustav Peter)
Ludwig Kremer: Zo. Voor vandaag is alles klaar. Ik heb niets meer te doen dan te gaan slapen. (neuriet mee met de muziek) Toch heb ik het gevoel dat ik ergens iets vergeten ben. Hé, die grammofoon begint op m'n zenuwen te werken. (neuriet) Eens kijken of ik wel alles in het dagboek heb vermeld, misschien ben ik daarin iets vergeten.
"1 oktober 1931. Een rustige heldere dag, de mooiste die we tot nu toe in Mongolië hebben gehad. In de tent was het bijna te warm. Waarnemingen van hedenavond, 20 u. 54: luchtdruk 748 millibar, temperatuur 8.2 graden, relatieve vochtigheid 24%, windrichting OZO, windsnelheid 0,8 m per seconde, bewolking 21." Ja, dat klopt helemaal... (zucht)
Maar dat andere, dat moet ik ook noteren. (schrijft) "Vanmorgen is mijn collega Bernhard Godeman naar de rivier gegaan om te zien of het daar geregend heeft. Hij zal niet terugkomen, (grammofoonplaat is ten einde) want het drinkwater dat hij meenam is vergiftigd met blauwzuur".
't Is hier afschuwelijk als het zo stil is! (windt de grammofoon op) We zijn vergeten ernstige muziek mee te nemen, Beethoven, Chopin. (nieuwe muziek weerklinkt) Maar ik zal maar doen alsof dit een treurmars is. (neuriet mee) Wat heb ik in het dagboek geschreven? Vergiftigd met blauwzuur? Dat kan ik niet laten staan, die bladzijde moet eruit. (scheurt ze eruit) Zoiets mag me niet weer gebeuren!
Ik moet rustig blijven, mezelf dwingen naar die muziek te luisteren! (de muziek gaat verder) Ik ken al die platen uit m'n hoofd! (zet af) Na twee jaar meteorologische waarnemingen aan de grens van de Gobi woestijn ken ik al die rotplaten uit mijn hoofd. En nu nog twee jaar... Over twaalf dagen komt een vliegtuig met de post, de eerste post na twee jaar. Het spijt me dat jij dat niet zult meebeleven, Bernhard!
Twee jaar heb je gewacht op brieven van Maria. En nu zal ik ze krijgen. Iedere avond zal ik er één lezen. Maria is niet meer van jou. Ik neem je leven van je over, want ik ben je erfgenaam, Bernhard. In je testament heb je alles aan mij vermaakt. Je hebt zelfs niet aan Maria gedacht. Ik heb je testament minstens tien keer gelezen sinds vanmorgen. Ik ken het uit mijn hoofd: (opent het testament) "Ondergetekende, Bernhard Godeman, van beroep meteoroloog, geboren 8 oktober 1906 te Dortmund, ongehuwd en nimmer gehuwd geweest, verklaart onder herroeping van alle vroegere wilsbeschikkingen tot enig erfgenaam zijner gehele nalatenschap te benoemen: Ludwig Kremer, met wie hij sinds jaren in lief en leed verbonden is. Aldus geheel eigenhandig geschreven en ondertekend te Edsin-Gol op heden, de 27ste januari 1930. Bernhard Godeman". (vouwt het blad weer dicht) Dat is je testament. En geen woord over Maria. D'r is niets tegen in te brengen.
Als het vliegtuig komt, zal ik niet zeggen dat je dood bent. Ik zal zeggen: hij is naar de rivier gegaan, de waterstand meten. Nee, ik weet niet wanneer ie terugkomt. Over drie of vier dagen misschien... Ik moet eigenlijk een spa nemen en een graf delven. Maar het is nieuwe maan vandaag, en het licht van de sterren is niet helder genoeg. (zucht) Bovendien... ben ik moe... De avonden zijn te lang... En nu zal ik nog twee jaar alleen zijn. Alleen met een paar grammofoonplaten en met de herinneringen aan een ander leven.
Soms zou ik willen grienen, maar daar schaam ik me voor... Waarom is het zo stil? Je stem... Maria... Ben jij het, Maria? Hou je van me? Hou jij niét van me? Maar ik heb je stem. Ja, ik... ik weet het zeker. Er bestaan mensen. Dat is geen droom! Ik herinner me de geur van haar, ik herinner me... ogen... Ja, jazeker, overal ademen mensen op de aarde. In de steden..., op de straten. Vier jaar van m'n leven sla ik over om te weten te komen hoeveel regen d'r op Edsin-Gol valt. En intussen loopt Maria door de straten, slank en donker van huid. De wekker staat weer stil. Hoe laat zou het nou in Europa zijn? 't Doet er niet toe. Hoe laat is het hier? 't Doet er ook niet toe. Toch zal ik die wekker maar weer opwinden. (windt hem op) Ik wil niet inslapen... Ik wil niet van jou dromen, Bernhard. Wakker blijven, Ludwig Kremer! Wakker blijven!
Het regenen op Edsin-Gol. 2 mm. 1.8 mm. 2.1 mm. 0.2 mm. Millimeter. Millimeter. Millimeter... Millimeter... (schrikt) Daar was ik toch bijna ingeslapen! Ik moet deze nacht voorbij laten gaan. Als het donker is, droom je afschuwelijk! Morgenvroeg, dan kan ik wat slapen, morgen...vroeg. Ik... ik kan het beste maar hardop gaan zingen. Dan blijf ik wel wakker. (zingt) Nou... ben ik... klaarwakker, en...ik... ik... blijf... wakker... (valt in slaap)
Ludwig: Maria!
Maria: Hallo.
Ludwig: Maria!
Maria: Waar is Bernhard?
Ludwig: Hij is naar de rivier gegaan... regen meten.
Bernhard Godeman: Wilt u opnemen? (getik van schrijfmachine) Ik zei, komma, ik zal tegen de avond terug zijn. Punt. Maar ik zal niet terugkomen. Punt. Het drinkwater, komma, dat ik heb meegenomen, komma, is vergiftigd met blauwzuur. Punt.
Ludwig: Ik lig niet goed! ik kan geen ademhalen! Iemand slaat me met een hamer op m'n hoofd. Help me, Maria. Je houd niet van me. Ik kan je niets zeggen.
Maria: Waar is Bernhard?
Ludwig: Hij is naar de rivier gegaan. Misschien komt ie over een dag of drie-vier terug.
Maria: Dat lieg je. Ik hoor 'm steeds praten.
Ludwig: Nee! Ik weet helemaal niets, ik lieg niet. Ik wil z'n brieven niet lezen, de brieven die jij aan 'm hebt geschreven. Hij is weg!
Maria: Waar is hij?
Ludwig: Je ziet toch dat ie weg is. Hij is er niet. Hij heeft zelfs z''n testament gemaakt. Hij heeft niet aan je gedacht. Ik denk altijd aan je. Ik... ik hou van je, maar je wilt me niet zien, je komt aarzelend naar me toe. Je bent van mij...
Maria: Ik ga Bernhard zoeken.
Ludwig: Hij staat niet voor de tent, en luister, hij zit niet in die kist, hij heeft zich niet onder de dekens verstopt.
Maria: Ik zal 'm vinden.
Ludwig: Hij is - er - niet! Ik... ik kan niet meer ademen. Hij is er niet, hij... hij is er niet... Nu... nu komt zijn stem uit mijn mond, ik kan het niet tegenhouden... Hij is nergens, geloof me, Maria, het is niemand die je hoort spreken. Niemand! Ik ben het zelf. Het is alleen maar een echo.
Maria: Bernhard?
Bernhard: Maria! Ik hoor je stem.
Maria: Je bent bleek, je bent koud.
Bernhard: Ik ben niet dood.
Maria: Je bloedt!...
Bernhard: Ik ben niet dood, ik ben naar een rivier geweest en weer teruggekomen.
Maria: Nee, je was nergens.
Bernhard: Kom dichterbij, Maria.
Maria: Je bent bleek!
Bernhard: Ik hou van je.
Maria: Raak me niet aan! Je vingers zijn koud als ijs.
Bernhard: Ik word steeds kouder, warmer.
Maria: Je bent dood.
Bernhard: Ja! Ik ben dood, maar jouw adem zal me leven geven. Geef me je adem.
Maria: Ben je 't dan zelf?
Bernhard: Je bloed moet mij verwarmen.
Maria: Geef dan je hand.
Bernhard: Je adem moet mij verwarmen..
Maria: Kus me...
Bernhard: Het wordt lichter. Ik voel dat ik weer ontwaak. Voel je dat mijn hart weer begint te kloppen?
Maria: Ja! (de wekker tikt)
Ludwig: Ik slaap... slaap... Dat zijn jouw stemmen. Ik herken je. Ik droom. Ik droom..., maar ik wil ze uitdoven, die stemmen, die gestalten! Ik wil jullie niet, ik ken jullie niet, ik zal jullie als schimmen wegvegen. Jullie zult er niet meer zijn als ik m'n ogen opendoe, ik zal m'n ogen opendoen, en ik zal een tent zien. Ik wil m'n ogen opendoen... Weg slaap! Weg droom!! Waar is de deur? Waar kan ik door vluchten? Waar is de deur die ik kan openen naar de morgen? (gebonk op de deur) Open! Open!... Open... open... Lopen! Weglopen, vluchten, lopen, heel vlug weglopen. De aarde is klein, rolt onder m'n voeten door... Oeral, Wolga, Moskou, Weissen, Berlijn, Berlijn! Berlijn!!
Stem: Taxi, meneer?
Ludwig: Dat... dat... dat is geen taxi! Dat is 'm!
Stem: Instappen, alstublieft.
Ludwig: Die stem, die stem ken ik toch!
Stem: Mijn naam is Godeman, Bernhard Godeman.
Ludwig: Hoe maakt u het? Ik ben Ludwig Kremer. Ik hoop dat uw dood niet al te pijnlijk was?
Stem: Avondblad! Het laatste nieuws! Duitse onderzoeker in de Gobi woestijn vermoord! Het laatste nieuws! Moord en doodslag in de Gobi-woestijn!
Ludwig: Schreeuw niet zo hard. Wat kost die krant?
Stem: Voor jou kost die niets. Jij krijgt 'm cadeau vanwege onze ouwe vriendschap.
Ludwig: Een ouwe krant bied je me aan? Dank je. Ik neem meer! Ik neem je leven! Ik neem je geluk! (muziek)
Stem: Wat mag ik u brengen, meneer?
Ludwig: Stil!
Stem: Kalfsniertjes gebakken in vitriool? Bourgogne met blauwzuur?
Ludwig: Stil! ik wil die muziek horen.
Stem: Dat is de Mongoolse rapsodie!
Maria: Sigaren of sigaretten, meneer?
Ludwig: Leven jullie dan allemaal nog?
Maria: Sigaren of sigaretten, meneer?
Ludwig: Agent! Agent! Arresteer die man! Hij heeft gestolen!
Agent: Zeker, Dokter Kremer.
Ludwig: Hij heeft zich wederrechtelijk meester gemaakt van het geluk dat mij toekomt!
Agent: Hij wordt onmiddellijk berecht.
Rechter: Ik geef het woord aan de officier van justitie.
Bernhard: Ik protesteer! De officier van justitie is dezelfde Ludwig Kremer die mij heeft vermoord!
Rechter: Zwijg, verdachte...
Ludwig: Mijnheer de president, dit proces draait om de vraag: heeft de ene mens het recht gelukkiger te zijn dan de ander? Verdachte heeft een maandelijks inkomen van 5000 mark. Hij bezit vijf huizen die tienduizenden waard zijn. Zonder inspanning brengt hij grote wetenschappelijke prestaties tot stand. Hij glimlacht en de harten van alle vrouwen gaan naar hem uit. Hij moet bestraft worden volgens de stelregel: eigendom is diefstal. Stel mij daartegenover. Het geluk waar ik naar streef, heeft hij. Ik werk, maar de rijkdom is voor hem. Ik heb lief, maar de vervulling van de liefde heeft hij. Het is dus duidelijk van wie hij zijn geluk gestolen heeft. Ik eis daarom dat zijn geluk in beslag zal worden genomen en aan mij gegeven.
Rechter: De verdachte heeft het woord.
Bernhard: Ik pleit vrijspraak op grond van paragraaf 1,artikel 1: "Wie heeft, die zal gegeven worden". Verder dien ik aanklacht in tegen Ludwig Kremer wegens poging zich van een ander ik meester te maken.
Ludwig: Klaag mij maar aan. Als ik het wil verdamp je tot niets.
Maria: Wie met voorbedachten rade een mens doodt...
Ludwig: Dat heb ik niet gedaan!..
Maria: ...wordt gevierendeeld.
Ludwig: Als ik m'n ogen opendoe, verdampen jullie allemaal.
Bernhard: Herinner je je nog de woestijnvlo, Pulex etsinolensis? Ik weet nou waar hij van leeft: van jouw bloed! Koning van de woestijnvlooien, laat je legers aanrukken!
Ludwig: Vluchten! Vluchten! Ik moet weg! (orgelmuziek) Een kerk. Daar zal ik veilig zijn.
Stem: Wie heeft, die zal gegeven worden, maar wie niet heeft, die zal genomen worden. Jij hebt geprobeerd deze eeuwige wet te overtreden. Deze overtreding is gelijk je straf! Jouw ik zal worden begraven, je zult een leeg omhulsel zijn, en waar je ook zoeken zult, jezelf zul je niet terugvinden!
Ludwig: Ze willen me begraven. Help me, Maria!
Maria: Nee.
Ludwig: Ze gooien aarde op me, op m'n armen, op m'n borst, op m'n mond. (de wekker loopt af) Ja?... Ach... ach natuurlijk, weer een nieuwe dag.
Bernhard: Hallo, Ludwig!! Ludwig!!
Ludwig: Ik hoor stemmen. Spookstemmen. Ach, m'n zenuwen zijn kapot. Oh, wat een onzin heb ik gedroomd. Ik heb er een nare smaak van in m'n mond.
Bernhard: Morgen, Ludwig!v
Ludwig: (schrikt)
Bernhard: Wat is er? Waarom schrik je zo?
Ludwig: Ik dacht... dat je dood was.
Bernhard: Waarom zou ik dood zijn? Wat een onzin.
Ludwig: Je zou gisteravond toch al terugkomen? Ik dacht dat je iets was overkomen.
Bernhard: Wat zou me kunnen overkomen? Het land is hier zo vredig dat ik hoogstens aan verveling overleden zou kunnen zijn.
Ludwig: Ik heb van opwinding nauwelijks geslapen, en ik heb de vreselijkste dingen gedroomd.
Bernhard: Tjuu... je bent over je zenuwen heen, Ludwig! Nou, blijf nou maar wat liggen, ik zal even thee zetten.
Ludwig: Zeg, Bernhard?
Bernhard: Huh?
Ludwig: Waar heb jij eigenlijk die thermosfles met water?
Bernhard: Ja, Joost mag het weten. Dat heb ik me gisteren de hele dag ook afgevraagd. Toen ik een half uur onderweg was, merkte ik dat ik geen water bij me had.
Ludwig: Je hebt dus geen druppel van dat water gedronken?
Bernhard: Nee, dat zeg ik je toch, ik had geen water bij me. Toch heb ik de hele dag geen dorst gehad. Hé, kijk 'ns! Daar staat de thermosfles, naast de grammofoon.
Ludwig: En ik... ik heb die fles de hele dag niet gezien! Wat een mop! Geef 'm 'ns hier.
Bernhard: Ja, wacht even, eerst een slokje nemen.
Ludwig: Stop!!
Bernhard: Zeg, ben je nou helemaal gek geworden? Waa... waarom trek je me die fles uit m'n handen?
Ludwig: Sorry, Bernhard, maar ik heb het gevoel dat er vergif in dat water zit.
Bernhard: Vergif!?
Ludwig: Blauwzuur, om precies te zijn. Ik... ik heb zo iets gedroomd. Ja, ik ben wel niet bijgelovig, maar dit-dit-dit water gooi ik maar liever weg. (giet de fles leeg)
Bernhard: Nou...
Ludwig: Zo. Neem me niet kwalijk.
Bernhard: (lacht) Ik heb nooit gedacht dat jij zulke dwangvoorstellingen kon hebben.
Ludwig: 't Zal wel over gaan, Bernhard, trek je maar niks van me aan. Ga naar de zandvlooi en neem de barometerstand op.
Bernhard: Nee, ik eh... ik blijf liever hier. Huh, je-je hebt me... je hebt me met je... met je nerveusiteit ook aangestoken.
Ludwig: Zo?
Bernhard: Ik heb het gevoel dat er in de volgende minuut iets zal gebeuren.
Ludwig: Iets gebeurt er altijd. Alleen niet hier. (zoemend geluid)
Bernhard: Stil! Stil 'ns... Ik hoor iets zoemen.
Ludwig: Misschien is er een zandstorm op komst?
Bernhard: En dat zeg je maar zo rustig?
Ludwig: Weet je, Bernhard? Ik ben eigenlijk heel blij dat je d'r weer bent.
Bernhard: Waarom zeg je dat?
Ludwig: Ik voel me nou ook weer veel beter.
Bernhard: Ludwig, hoor jij niets?
Ludwig: Ik zal hard aan 't werk gaan.
Bernhard: Hoor jij niets? Een... een storm?
Ludwig: Ik zou eerder zeggen dat het een vliegmachine is.
Bernhard: Ja! Ja! Je hebt gelijk! Een vliegmachine, Ludwig. Onze vliegmachine! Ik ga kijken. Misschien brengt ze de post... Ja! Ja! Het daalt! Het daalt!
Ludwig: Twaalf dagen te vroeg, maar daar kan ik me geen ogenblik zorgen over maken. Wat heb ik allemaal niet verzonnen? Hij is naar de rivier gegaan om de regenval te meten, met drie of vier dagen zal ie wel weer terug zijn. Iedere avond zou ik een brief die Maria aan hem schreef lezen. Huh, woestijndenkbeelden. En nog is de woestijn niet voorbij. Daarom moet ik een eenvoudige waarheid mezelf als een grote ontdekking voorhouden. Het leven van een ander kun je niet overdoen, en je eigen leven heeft geen voorbeeld. Opmerkelijk dat het zo moeilijk is aan eigen geluk en eigen verdriet te geloven.
Ik moet de eindrekening opmaken. Ik heet Ludwig Kremer, ben geboren, niet te veranderen en niet te verwisselen. Misschien heeft ergens iemand aan mij gedacht, heeft iemand aan mij geschreven. Een vreemde wereld nodigt mij uit om binnen te komen. Buiten zijn de motoren van het vliegtuig stil geworden. Het is geland. En met honderd handen probeert het leven van anderen mij tot zich te trekken. God, die mij maakte zoals ik ben, ik bid u: laat mij door de mensen vergeten zijn. Geef dat niemand aan mij heeft gedacht. Geef mij geen geluk dat niet van mij is. Dadelijk zal Bernhard komen. Geef dat niemand aan mij heeft geschreven. Breng mij niet met geluk in verzoeking.
Bernhard: Ludwig!! Ludwig!!
Ludwig: Heer, als u mijn gebed verhoren wilt...
Bernhard: Ik heb een heel pak brieven van Maria!
Ludwig: Gefeliciteerd! Is er voor mij ook iets bij?
Bernhard: Nee! Voor jou is er niets!...