De spelleiding heeft… Kommer Kleijn
Een kwart eeuw hoorspel in Nederland. Gehoord en gezien door Rob Geraerds.
Uitgeversmaatschappij West-Friesland, Hoorn, juli 1954.
Hoofdstuk 8: De VARA-hoorspelrubriek.
De ontwikkeling van het hoorspel tot aan de Tweede Wereldoorlog werd tot nu toe geschetst, uitsluitend aan de hand van hetgeen bij de AVRO tot stand werd gebracht onder leiding van Kommer Kleijn, die hier niet alleen als regisseur, maar ook als rubriekleider optrad en verantwoordelijk was, zowel voor het repertoire als voor de uitvoering daarvan. Als zodanig nam Kommer Kleijn een aparte plaats in, die hij gedurende de vijfentwintig hoorspeljaren heeft behouden. Bovendien bracht hij als gerijpt toneelkunstenaar een kwantum artistieke ondervindingen en artistieke inzichten in de studio mee. Vandaar, dat juist hij - zoals we al in de inleiding stipuleerden - tot hoofdpersoon van dit boek gekozen werd.
Kommer KleijnIn de eerste plaats komt daar nog bij, dat de AVRO de algemene omroep was, die zich uitsluitend door artistieke factoren kon laten leiden en die dus de kunstenaars in het algemeen tot zich trok, welke hun politieke of religieuze overtuiging ook was. En in de tweede plaats hing de ontwikkeling van het hoorspel zozeer samen met die van de radiotechniek en die van de Nederlandse schrijver op dramatisch terrein, dat deze ontwikkeling zich bij andere omroepverenigingen in grote lijnen niet anders voltrok dan bij de AVRO.
Trouwens: wanneer we in dit verband spreken van andere omroepverenigingen, dan kunnen we feitelijk alleen het oog gericht houden op de VARA.De beide confessionele omroepen, de KRO en de NCRV, hebben immers geen "doelbewuste hoorspelpolitiek" gevoerd. Zij plaatsten het hoorspel pas veel later op hun programma’s en zijn uiteraard in hun keus beperkt.
De NCRV begon zelfs pas in 1947 met het uitzenden van hoorspelen, na herhaalde aandrang van de luisteraars; en ze betracht nog altijd een grote terughoudendheid. Daar ze in het internationale hoorspelrepertoire weinig aanknopingspunten vindt en daar ook de Nederlandse literatuur slechts voor een klein deel christelijk georiënteerd is, zendt ze hoofdzakelijk oorspronkelijke hoorspelen uit, waarin rekening wordt gehouden met haar doelstellingen. Dat, gezien de stand der Nederlandse dramaturgie, de literaire kwaliteiten dezer hoorspelen niet altijd de doorslag kunnen geven bij de keuze, ligt voor de hand.
De KRO begon belangrijk vroeger met haar hoorspeluitzendingen, enige jaren vóór de oorlog, maar toch ook pas, toen het hoorspel in Nederland de kinderschoenen al ontgroeid was. Thans besteedt deze omroep veel aandacht aan de rubriek; ze is trouwens ook minder beperkt in haar keus, daar er een belangrijk internationaal katholiek letterkundig repertoire bestaat en daar ze zich iets minder strak richt op haar confessionele instelling.
De VPRO. tenslotte beschikt nog over onvoldoende zendtijd om een meer dan zeer bescheiden hoorspelrubriek in stand te kunnen houden.
Uiteraard was ook voor de VARA, zeker in de beginjaren, het hoorspel een middel om haar zeer speciale inzichten - ditmaal op politiek terrein - tot de luisteraar te brengen. Ook zij liet zich dus niet uitsluitend door artistieke motieven leiden. Maar anderzijds heeft deze omroep toch zo daadkrachtig meegewerkt aan de opbouw van het hoorspel in Nederland en besteedde zij aan deze rubriek een zo uitzonderlijke aandacht, dat een beschouwing van haar werk in een verhandeling als deze niet mag ontbreken. Zelfs is zij het geweest, die een organisatievorm creëerde, welke na de oorlog door de verenigde omroepen zou worden overgenomen.
Daar was dan allereerst Willem van Cappellen. Hij had geen artistieke loopbaan achter zich, toen hij in 1927 zijn eerste voordrachten voor de microfoon hield, zowel voor die van de VARA, die toen nog slechts uitzendingen verzorgde op zaterdagavond en zondagmorgen, als ook voor die... van de AVRO. Het duurde zelfs niet lang, of Willem Vogt bood hem een vaste verbintenis aan - dat was in de tijd der genoemde hoorspel-experimenten, vóór de komst van Kommer Kleijn.
Willem van CapellenWillem van Cappellen echter was overtuigd socialist en achtte het dus zijn taak, mee te helpen aan de opbouw van de VARA. Zo trad hij in september 1928 in vaste dienst van deze omroep. Niet als hoorspelregisseur - dat zou hij pas geleidelijk worden - maar als voordrachtskunstenaar en schrijver. Want Willem van Cappellen’s talenten lagen ook op letterkundig gebied. En juist dit verleende zijn radio-arbeid een zeer persoonlijk cachet.
Spoedig lanceerde hij een serie-uitzending in dialoogvorm voor de kinderen: "De Familie Mulder"; door de leden van dit gezin werden elke week verschillende onderwerpen voor de microfoon behandeld. Toen de schrijver hiermee begon, kon hij allerminst vermoeden, dat hij de basis had gelegd voor een uitzending, die eenentwintig jaar lang stand zou houden (tot ongeveer 1950) en als zodanig tot een Europees unicum zou worden.
Na enige tijd voelde Willem van Cappellen het als een bezwaar, dat aldoor dezelfde vier personages aan het woord waren en besloot hij een nieuwe figuur in de uitzending te brengen, die van een eigenwijs oud mannetje, dat altijd in de contramine was en reliëf aan de dialogen kon verlenen. Dit mannetje, Ome Keesje genaamd, werd bovendien de rol, die de auteur zelf ging vertolken.
De luisteraars reageerden ogenblikkelijk op deze nieuwe creatie. Ome Keesje kwam in het middelpunt der belangstelling te staan, zozeer zelfs, dat de andere figuren volkomen vervaagden en Van Cappellen ze een voor een, via een zieken sterfbed ofwel via een emigratie, elimineerde en ze door andere, meer plastische personages verving. Ook de titel van de uitzending werd toen gewijzigd in: "De avonturen van Ome Keesje". Deze veranderingen hadden op den duur tot gevolg, dat de uitzending zich ging richten tot jong en oud en dat het tenslotte voornamelijk de ouderen waren, die er plezier aan beleefden.
Jaar na jaar wist Van Cappellen elke week opnieuw de stof te vinden, die Ome Keesje levend hield. Tot hij op zekere dag besloot "zichzelf" eindelijk eens in een Oudemannetjeshuis onder te brengen. Maar er stak een storm van protest onder de luisteraars op; en enkelen, die de fantasie en de realiteit verwarden - de lezer vergelijke de reacties op "Paul Vlaanderen" - schreven spontaan, dat Ome Keesje dan maar bij hen in huis moest komen... Van Cappellen schreef toen maar weer verder... Maar in 1950 vond hij toch, dat het onderwerp definitief uitgeput was en verbande hij Ome Keesje resoluut naar een onbewoond eiland.
Hiermee hadden ook de luisteraars toen wel vrede, temeer, daar Willem van Cappellen weldra voor nieuwe series zorgde, die de mens in zijn liefhebberijen en met al zijn eigenaardigheden belichtte. In steen vereeuwigd, staat "Ome Keesje" thans in de tuin van de VARA.
"De Familie Mulder"’ was dus het begin. Daarnaast bracht Willem van Cappellen spoedig ook hoorspelen voor volwassenen voor de microfoon. Allereerst bewerkingen van toneelstukken, speciaal die van Herman Heijermans. Maar in de jaren 1929 en 1930 slaagde hij er tevens in, bekende socialistische auteurs - zoals Cees de Dood en Martien Beversluis - tot het schrijven van oorspronkelijke hoorspelen te brengen. Daarnaast regisseerde hij menige bewerking van zichzelf.
Herman HeijermansDeze rustige, evenwichtige man had niet het motorische van Kommer Kleijn en evenmin de drang, zich artistiek te manifesteren. Hij bouwde in kalm tempo verder, zich geheel instellend op die groep van luisteraars, die zich onder het VARA.-vaandel hadden geschaard. Maar hij heeft eerder dan wie ook begrepen, dat het hoorspel speciaal getrainde spelers en speelsters verlangt... en voor het idee, hen te kweken, vond hij dadelijk steun bij zijn programmaleiding.
Tegen het eind van 1929 werkte hij al met acteurs en actrices, die nog wel niet vast aan de VARA verbonden, maar toch in een vaste kern verenigd waren. De resultaten hiervan beantwoordden volledig aan Van Cappellen’s verwachtingen. En zo werd in 1932 door de VARA besloten een vast radiogezelschap te stichten.
Tot dit besluit intussen kwam men niet alleen terwille van het hoorspel. Ook voor de propaganda-tournees van de VARA moest men regelmatig de beschikking hebben over acteurs en actrices, terwijl de uitgebreide voordrachtrubriek ook alweer vaste medewerkers eiste. Onder die omstandigheden was er natuurlijk geen sprake van, dat de leden van de vaste kern zich dadelijk geheel op het hoorspel konden instellen. Maar toch veroverden zij zich in de loop der jaren die eigenschappen, welke de hoorspelacteur bovenal dient te bezitten - welke deze zijn, zal nog nader worden toegelicht. En het was déze kern, die na de oorlog tot een groot hoorspelgezelschap zou worden uitgebreid.
Ook Kommer Kleijn zag het nut van eigen radiospelers terdege in, alleen al vanwege het feit, dat men steeds meer moeite had met het vrij krijgen van toneelspelers. In dit opzicht echter verwierf hij de steun van Willem Vogt niet. Deze meende, dat het de luisteraar spoedig zou gaan vervelen, als hij steeds dezelfde stemmen hoorde. Volgens Vogt woog dit argument zwaarder dan de gunstige factoren. De praktijk heeft hem in het ongelijk gesteld, zoals trouwens te verwachten was. Ook het horen van andere vaste medewerkers verveelt de luisteraar niet. En wat in het bijzonder de hoorspelvertolkers betreft: enerzijds hoort men bovenal de rol en realiseert men zich niet, dat men de vertolkende acteur al vaak heeft beluisterd; anderzijds groeit er een band tussen de luisteraar en de vaste speler, die de eerste maar al te graag verstevigt. Of hebt u ooit gehoord: "Daar is nou alweer die Nico de Jong; kunnen ze voor hem na twintig jaar niet ‘es een ander neerzetten!?
Ook na de oorlog heeft directeur Vogt slechts met tegenzin zijn medewerking verleend aan het tot stand komen van het omroepgezelschap.... ofschoon z’n eigen oren hem toch verteld moeten hebben, dat de gespecialiseerde radiospeler tot veel betere prestaties kwam dan de op voetlicht en zaal ingestelde toneelspeler. Hoe dan ook: de AVRO kende tot aan de oorlog geen eigen hoorspelspelers (al werkte Kommer Kleijn vaak met dezelfde acteurs en actrices), de VARA. wel. En dit is mede van betekenis gebleken, toen bij de VARA een tweede regisseur zijn intrede deed: S. de Vries jr..
S. de Vries jr.Ook S. de Vries jr. was geen toneelkunstenaar, maar journalist en schrijver, toen hij in 1933 zijn werkzaamheid bij de VARA begon, allereerst als regisseur van maandrevues met muziek en liedjes. Het zou echter niet lang duren, of hij zette zich ook aan het enscèneren van hoorspelen. De rubriek werd te uitgebreid voor één man, voornamelijk omdat deze man (Willem van Cappellen) nog schreef, voordroeg en toneelspeelde ook.
S. de Vries jr. was wel een motorische figuur. Hij had een scherpe, in de journalistiek getrainde blik, hij zat boordevol ideeën en hij wist voor zichzelf precies, wat het hoorspel binnen de kortst mogelijke tijd zou moeten worden: een zelfstandige, in geen enkel opzicht meer van het toneel afhankelijke of op de principes van het toneel voortbouwende kunst. Hij stond allerminst vijandig tegenover het toneel, maar wenste alles wat des toneels was uit de studio te verwijderen. Hij was in elk opzicht radioman, met een verbluffende feeling voor de microfoon en een even verbluffende feeling voor het effect van elke stemnuance.
In de eerste plaats zocht hij, meer nog dan Willem van Cappellen reeds had gedaan, naar oorspronkelijke hoorspelen. En voor zover de auteurs van het eigen land hem die niet konden leveren, haalde hij ze uit het buitenland, vooral uit Duitsland en Engeland. In de tweede plaatst eiste hij, dat de radiospeler elk toneeleffect uit zijn stem verbande en een zo groot mogelijke natuurlijkheid betrachtte Ook slechts het geringste pathos kon in zijn oren geen genade vinden. Het reliëf in de uitzending wenste hij uitsluitend te bereiken door zorgvuldig gekozen stemmen in de juiste verhouding tegenover elkaar te plaatsen. Met haast gefluisterde dialogen accentueerde hij de intimiteit, welke juist van de radio kan uitgaan.
Dit alles betekende niet minder dan een revolutie in de nog prille hoorspelwereld en het schiep ook op dit terrein een tegenstelling tussen AVRO en VARA. Want weliswaar begreep Kommer Kleijn heel goed, dat de microfoon geen toneelpathos verdroeg, maar zijn temperatuur deed hem toch zoeken naar warmbloedige accenten en naar een kleurigheid, wortelend in die van het toneel. Pas veel later zou hij deze kleurigheid afstemmen en wel de techniek van de dramatische kunst, maar niet haar uitingswijzen handhaven. S. de Vries jr. daarentegen wilde in geen enkel opzicht aan de afkomst van het hoorspel herinnerd worden. De techniek van de toneelspeler had hij nodig, omdat alleen de technisch bekwame speler zijn intenties kon verwezenlijken. Maar de techniek van het toneel verjoeg hij radicaal uit de studio.
De resultaten, welke S. de Vries jr. boekte in een reeks naar inhoud belangrijke, zuiver-afgestemde, klein van toon gehouden hoorspelen, vestigden de aandacht van luisterend Nederland op hem en ontketenden menig debat tussen zijn aanhangers en die van Kommer Kleijn. Zo ontstond een "choc des opinions", die, als steeds in dergelijke gevallen, de belangstelling voor het hoorspel in het algemeen sterk heeft gestimuleerd. De groei van dat hoorspel werd door het werk van S. de Vries jr. zeer gunstig beïnvloed.
De genoemde debatten zijn intussen verstomd. In de naoorlogse periode groeiden Kommer Kleijn en S. de Vries jr. naar elkaar toe - al behield elk volkomen zijn eigen stijl. Kommer Kleijn bracht wat meer verstilling in zijn werk, S. de Vries jr. zocht kennelijk naar wat meer reliëf. Tezamen hebben zij, elk volgens eigen principes, de strijd voor het hoorspel gevoerd en gewonnen. Wat S. de Vries jr. betreft was dit alleen mogelijk na de voorbereidende organisatorische arbeid, door Willem van Cappellen in de beginperiode vericht.
De jongere generatie van regisseurs kon voortbouwen op het werk van deze drie. De wijze, waarop ze dit ook in de toekomst doet, zal beslissend zijn voor de uiteindelijke vorm, welke het steeds nog niet volgroeide hoorspel bereikt.