De spelleiding heeft… Kommer Kleijn
Een kwart eeuw hoorspel in Nederland. Gehoord en gezien door Rob Geraerds.
Uitgeversmaatschappij West-Friesland, Hoorn, juli 1954.
Hoofdstuk 6: Naar volle wasdom.
Zoals bij een kind haast elke nieuwe levensperiode een sensatie voor de ouders brengt... het lopen, de eerste woordjes, de tandjes, het eigen willetje... zo valt voorlopig van ieder volgend hoorspeljaar iets bijzonders te vermelden, dat wijst op een voorspoedige groei.
In 1933 vond allereerst de overschakeling plaats van het klassieke naar het moderne toneelrepertoire, met een reeks van acht Galsworthy-stukken en met een paar werken van Shaw.
Daarnaast werd voor het eerst een uitzending in grote stijl verzorgd, waarbij het woord en de muziek innig samenwerkten, namelijk van "L’Arlésienne" met de volledige muziek van Bizet. Weliswaar was bij verschillende klassieke stukken al eerder muziek ten gehore gebracht, maar deze was, als op het toneel, toch altijd van secundaire betekenis geweest. Vervolgens regisseerde Kommer Kleijn zijn eerste reeks hoorspelen voor kinderen, "Op en top William", in vijftien delen bewerkt door Cor Hermus, die daarmee een literaire bijdrage voor de radio leverde, welke nog door talrijke, voortreffelijke zou worden gevolgd. Voor de jeugd bewerkte deze acteur-schrijver een aantal kinderboeken - onder meer "Ti Fernand" (Charles Vildrac’s "Ile rose") en "Paddeltje" (van Johan H. Been) - voor de volwassenen een aantal boeken, waarvan speciaal de vier romans uit de Pimpernel-serie vermeld dienen te worden. Elk van zijn bewerkingen was niet alleen letterkundig verzorgd, maar ook microfoon-technisch zeer geslaagd - Hermus behoorde tot hen, die de microfoon onmiddellijk hebben aangevoeld.
Het was ook in dit jaar, dat de eerste oorspronkelijke Nederlandse hoorspelen werden uitgezonden. Professor dr. P. H. van Moerkerken, de bekende romancier en historicus, schreef zijn eerste serie van niet minder dan twaalf hoorspelen "Toppen van het verleden", waarin hij hoogtepunten uit de wereldgeschiedenis belichtte. Niet alleen, dat deze spelen wat de conceptie en de scenische overgangen betreft in elk opzicht hoorspel waren - in deze vorm dus nooit op het toneel gebracht zouden kunnen worden - ze eisten tevens de verwerkelijking van talrijke akoestische effecten.
En zo gaven ze in dit jaar de stoot tot een belangrijke vooruitgang op technisch gebied. Dit is dubbel interessant, omdat er uit blijkt, dat het dramaturgisch materiaal de technische vooruitgang ook bij de radio kan stimuleren. Bij het toneel is dat altijd zo geweest; en bij de radio is dat nog altijd zo. Zij die menen, niet voor de radio te kunnen schrijven, omdat ze onvoldoende bekend zijn met de technische mogelijkheden, vergissen zich dus, zoals we nog nader zullen toelichten. Ze vergeten, dat de intuïtie van de scheppende kunstenaar altijd primair is.
Om te beginnen dwong deze serie, "Toppen van het verleden", de AVRO-regisseur en -technici, de echo-kelder, die het geluid ruimte geeft, "uit te vinden". Deze "kelder" was die van het bekende pand aan de Oude Engweg. Ook het ondergrondse gedeelte van de villa ging een woordje meespreken, toen de door professor Van Moerkerken aangegeven effecten eisten, dat dáár de microfoon werd opgesteld. In "Luther" werd deze echo in het begin puur als effect gebruikt. Het hoorspel opende met de bekende woorden van de hervormer: "Hier sta ik, God helpe mij; ik kan niet anders", met echo-effect. Daarna begon de eigenlijke handeling pas.
In "Alfred Nobel" had de echo een rol in de handeling. Het laboratorium van de geleerde moest in de lucht vliegen. Men stelde de microfoon in de kelder op en een aantal kisten werd de trap afgegooid. Dit bij elkaar was, behoorlijk versterkt, voldoende voor een gave suggestie. Toen men het effect eenmaal bereikt had, werd dit onderdeel op een plaat opgenomen.
Wat de grammofoonplaat betreft was men intussen ook alweer een stuk verder gekomen. Er waren betere platen en men kon dus de "eigen opnamen" uitbreiden. Zelfs waren er al platen gemaakt van hoorspelfragmenten. Dit echter uitsluitend als "aardigheidje", om de spelers na afloop hun eigen stemmen eens te laten horen. Dat die spelers hun eigen stemmen toen niet herkenden, was niet vreemder, dan dat de eerste filmacteurs verbaasd waren over hun eigen capriolen op het witte doek.
Ook tot het maken van een eigen opname moest men bijvoorbeeld wel overgaan, toen een hoorspel maar liefst het geluid van joelende en trommelende inboorlingen eiste. De luisteraar zou natuurlijk stomverbaasd zijn geweest, als hij een aantal spelers had kunnen zien, die met hun knokkels op een gesloten piano trommelden en in dat ritme vreemde klanken uitstieten. Maar het beoogde effect was er toch zo ongeveer.... en er bestonden nu eenmaal nog geen originele opnamen van inboorlingen, zoals nu te vinden zijn onder de duizenden geluidsplaten uit alle landen, waarover de radio beschikken kan.
Hiermee kunnen we overspringen naar 1934. Allereerst houden we dan nog even het oog gericht op de technische zijde van het hoorspel. Het denkbeeld, een geheel hoorspel op platen op te nemen en dus af te stappen van de directe uitzendingen, was in radiokringen al eerder gerezen, voornamelijk, omdat men nog uitsluitend werkte met toneelspelers en -speelsters, die vaak ’s avonds niet beschikbaar waren omdat ze elders moesten optreden. (Toen men later definitief tot de indirecte uitzending overging had dit andere redenen.) Maar men moest dit denkbeeld laten varen, omdat de grammofoontechniek er nog niet ver genoeg voor was.
In de eerste plaats was de kwaliteit van de platen onvoldoende; in de tweede plaats kon nog niet synchroon opgenomen worden. Synchroon opnemen betekent, dat men, zodra een plaat vol is, kan overschakelen op een andere opnametafel, zodat dus de opname niet onderbroken hoeft te worden. Het laatste gedeelte van de eerste plaat is dan gelijk aan het eerste gedeelte van de tweede plaat, waardoor de technicus kan zorgen, dat ook het geringste hiaat voorkomen wordt. Bij de geluidsbanden, die men thans gebruikt, wordt hetzelfde principe gevolgd.
Het is misschien aardig even een zijsprongetje te maken en een voorval van recente datum te vermelden. De luisteraar, die in de winter van 1952 het seriehoorspel "Désirée" volgde, zal op een avond tot z’n niet geringe verbazing hebben gemerkt, dat eensklaps de dialoog afbrak en Eva Janssen zei: "Had ik door kunnen gaan’, Sorry, hoor." Het duurde even en toen werd de dialoog vervolgd... Hier was kennelijk sprake van een opmerking in de studio, die niet gecoupeerd was - over dat couperen in de band zullen we het later uitvoeriger hebben. Inderdaad: Eva Janssen had zich versproken en had gestopt... Het was in de huiskamer een lelijk intermezzo, dat de spelers, die aan de luidsprekers zaten, deed verstarren van schrik. Maar wie het meest verstarde van allemaal was regisseur Kommer Kleijn... want hij wist zeker, dat hij diezelfde middag bij het terugluisteren de studiotekst uit de band had laten couperen... Het leek werkelijk spookachtig... De volgende morgen echter bleek, dat er helemaal niets spookachtigs aan was. Het betreffende gedeelte was een synchroon-gedeelte en stond dus op twee banden. Dat had de technicus niet opgemerkt en zo was wel een coupure aangebracht in de ene band, maar niet in de andere.
Om terug te keren tot ons uitgangspunt: in 1934 was de platen-techniek zo ver, dat een opname van een volledig hoorspel mogelijk was. In Nederland ging men hiertoe echter niet dadelijk over. Maar het opende de mogelijkheid voor de Indische NIROM, die toen nog geen eigen hoorspelen kon verzorgen, in een klein ateliertje in Den Haag onder leiding van Kommer Kleijn een reeks hoorspelen te laten opnemen, die deze regisseur ook voor de AVRO had verzorgd. De platen werden naar Batavia gestuurd en de omroep aldaar was dus feitelijk de eerste, die indirecte hoorspel-uitzendingen gaf.
In artistiek opzicht was 1934 het jaar van de zich ontplooiende Nederlandse hoorspel-auteurs. De eerste romanbewerkingen - Hermus legde zich aanvankelijk uitsluitend op jeugduitzendingen toe - waren van de hand van Ben van Eysselsteijn. Hij bewerkte verschillende boeken uit de wereldliteratuur, onder meer "Don Quichotte". Daarnaast werd een cyclus van korte oorspronkelijke hoorspelen uitgezonden, onder de titel "Bloemen uit eigen Tuin", waarvoor Broedelet, Luc Willink - die in de volgende jaren nog zeer veel voor de microfoon zou schrijven - Henriëtte van Eyck, F. de Sinclair en J. B. Schuil hun bijdrage leverden.
Het volgend jaar bracht geen uitzonderlijke gebeurtenissen. Alleen dient vermeld, dat een oorspronkelijk hoorspel van Willem Vogt ("Koning Midas heeft ezelsoren") voor de microfoon kwam, welk hoorspel later in gewijzigde vorm ook op het toneel gespeeld is. Deze literaire prestatie van Vogt accentueerde de grote liefde, welke de AVRO-directeur koesterde voor de dramatische kunst. Hij heeft van deze liefde herhaaldelijk willen getuigen, ook in scheppend werk. En al gebiedt de eerlijkheid vast te stellen, dat dit werk niet altijd tot bewondering inspireerde en al zijn ook zijn inzichten wat de verzorging der hoorspelrubriek betreft later niet altijd juist gebleken, toch is het ongetwijfeld mede die liefde geweest, welke Kommer Kleijn de opbouw van het hoorspel op een hoog niveau mogelijk heeft gemaakt.
De betrekkelijke stilte van 1935 werd in 1936 radicaal verbroken. Een nieuwe sterke opzwaai viel waar te nemen, die samenviel met de opening van de nieuwe AVRO-studio’s. Drie Nederlandse auteurs deden hun intrede en gaven blijk, de microfoon te begrijpen: Peggy van Kerckhoven debuteerde op uitstekende wijze met "Erasmus"; Willy Corsari schreef "De weg naar de hel", een avontuur van haar eigen romancreatie Inspecteur Lund; dr. P. H. Schröder stelde een documentair hoorspel (het eerste) samen naar aanleiding van het vijfjarig bestaan van de Afsluitdijk. Minister dr. H. Colijn en de ingenieurs van de Afsluitdijk waren zo vriendelijk hun bij de opening uitgesproken redevoeringen nog eens voor de grammofoonplaat te herhalen. Deze opnamen werden in de uitzending verwerkt. Op die wijze zette men de klok vijf jaar terug en kon men suggereren, dat er sprake was van een tóen gemaakte reportage. Zozeer slaagde deze uitzending, dat de Londense BBC er enkele fragmenten uit overnam.
Hendrikus Colijn (1923)Tot op dit moment kan men liet werk van de drie genoemde auteurs nog steeds van tijd tot tijd beluisteren. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de ontwikkeling van het oorspronkelijke Nederlandse hoorspel.
Een revolutionaire omwenteling op technisch gebied bracht in dit jaar de uitvinding van de Philps-Miller-opnameband, die een eind maakte aan de alleen-heerschappij van de grammofoonplaat. Deze band, waarmee Philips de eerste jaren experimenteerde bij zijn eigen Omroep Holland-Indië (PHOHI) was gebaseerd op de geluidsband van de film en had talrijke voordelen boven de plaat. Allereerst was de weergave van het geluid veel beter, maar bovendien kon deze band naar believen geknipt worden en kon men dus verschillende opnamen mixen zonder dat een nieuwe opname nodig was. Van deze Miller-band zou de radio een dankbaar gebruik gaan maken.
Voorlopig echter moest ze zich nog met de plaat "behelpen" En toen dan ook de eerste volledige indirecte uitzending plaats vond - in mei 1936, van "De vier Müllers", met Cor Ruys en Louis de Bree - was dit een plaatopname. Het zou intussen nog tot na de oorlog duren voor men definitief tot de indirecte uitzending overging.
Zoals al het voorgaande laat zien, bestond het hoorspelrepertoire tot dien toe - en dat zou tot na de oorlog zo blijven - slechts voor een uiterst gering deel uit vertaalde buitenlandse werken.
Het buitenland was ons op het gebied van oorspronkelijke radiospelen een flink stuk voor... wat niet hoeft te verbazen, omdat ook op het terrein der toneelschrijfkunst Nederland altijd achter heeft gestaan hij de ons omringende landen. Er waren dus wel buitenlandse hoorspelen, maar onze omroep was daarop niet ingesteld. Na de periode, waarin het klassieke en moderne wereld-toneelrepertoire voor de microfoon was gekomen, zocht men het liever in door Nederlanders verzorgde bewerkingen van de producten der eigen en der vreemde literatuur - de eerste filmbewerking, van de hand van Willy Corsari, werd in 1938 uitgezonden. Daarnaast lanceerde men, waar enigszins mogelijk, oorspronkelijk werk van eigen bodem, ook al stond dit nog niet op het peil van de hoorspelen der buitenlandse zenders.
Men kon deze werkwijze toen nog volgen, deels, omdat men veronderstelde, de eigen radio-dramaturgie, wanneer men haar maar voldoende steunde, tot een dergelijke ontwikkeling te kunnen brengen, dat ze mettertijd de vergelijking met die uit de vreemde wèl zou kunnen doorstaan; anderdeels, omdat de kritische zin van de luisteraar ook nog bezig was zich te ontwikkelen en omdat de luisteraar nog niet aan het trekken van vergelijkingen met de buitenlandse zenders toe was.
De in Nederland uitgezonden buitenlandse hoorspelen waren hoofdzakelijk thriller-series - men herinnert zich onder andere "De strafzaak Vivienne Ware". De uitzendingen in dit genre zouden bij ons in de jaren 1938 en 1939 een haast verbijsterende climax bereiken.
Van de Engelse serie "Inspecteur Vlijmscherp ondervraagt" werden op de zondagavonden ongeveer veertig afleveringen uitgezonden... Gelijktijdig werd, eerst alleen op de dinsdagavonden, maar later bovendien nog op de donderdagavonden een gelijk aantal delen uitgezonden van het Amerikaanse "Charley Chan"… Als tegenwicht - we schrijven niet als tegengif - fungeerde op de maandagavonden om de veertien dagen een reeks hoorspelen, gewijd aan grote figuren uit het verleden.
Een en ander toont intussen tevens duidelijk aan, welk een belangrijke plaats het hoorspel in die tijd op de radioprogramma’s innam.
De genoemde thrillers werden in 1939 gevolgd door: Paul Vlaanderen... dat een der grootste hoorspelsuccessen zou worden, ooit door de radio geboekt. Natuurlijk gaan we dit succes eens afzonderlijk onder de loep nemen.