Cruys VoorberghCruys Voorbergh
Geboren op 14 oktober 1898 te Bagoe (Nederlands-Indië).
Overleden op 3 september 1963 te Den Haag.
Cruys Voorbergh, een pseudoniem van Ernest Pieter Coenraad van Vrijberghe de Coningh, studeerde aanvankelijk studeerde medicijnen. Hij voelde echter meer voor een artistieke loopbaan. Zijn ouders waren echter tegen en als alternatief begon hij de studie muziek (viool). Voorbergh verbond zich in 1918 bij het Groot Toneel onder Albert van Dalsum, waar hij debuteerde. De omstandigheden waren ongunstig en Voorbergh werkte daarna twee maanden op kantoor, om vervolgens naar school te gaan om zijn akte te halen als tekenleraar.
In 1925 keerde hij terug op de planken bij het Nieuw-Nederlandsch Toneel. In september 1927 ging hij naar het gezelschap van Rika Hopper, om zich in 1929 aan te sluiten bij het Oost-Nederlands toneel (wederom onder Van Dalsum). In 1942 was Voorbergh regisseur bij de Amsterdamse opera en een jaar later vormde hij een eigen gezelschap. Na de bevrijding werd hem verboden twee maanden zijn werk uit te voeren, omdat hij gedurende de bezetting "geen begrip had gehad voor de verantwoordelijkheid die hij droeg".
In 1962 vierde hij zijn veertigjarig jubileum als artiest met het toneelstuk Voor het laatst Lady Barker van Hans Keuls, waarin hij drie rollen vertolkte. De laatste jaren was Voorbergh niet meer vast aan een toneelgroep verbonden. Hij vertolkte meestal gastrollen zoals bij Toneelgroep Centrum.
Ter illustratie een fragment uit De wind vertelt van Waldemar Daa en zijn dochters.
Cruys Voorbergh speelt de wind.
Beschreven hoorspelen met Cruys Voorbergh:
In Holland staat een huis (De familie Doorsnee) (VARA)
Napoleon Bonaparte contra Lazare Hoche
Wind vertelt van Waldemar Daa en zijn dochters, De
Bron deels: Theaterencyclopedie.