Interviews / Een interview met Paul van der Lek

Een interview met Paul van der Lek

De Volkskrant

6 april 1963

Paul van der Lek de mens achter de stem.

Groot publiek blijft hoorspel trouw.

Een vaag heimwee naar het grote theater hebben ze misschien allemaal nog wel, de mensen van de hoorspelkern. De meesten komen er ook vandaan. Ze hebben langer of korter op de planken gestaan en zijn toen bij de radio gekomen. Het is een hecht team geworden in de loop der jaren. Ze werken voor alle omroepverenigingen, telkens met andere regisseurs en vijf, zes keer per week zijn hun namen te horen over de radio. Mensen achter stemmen. Voortdurend dezelfde stemmen voor andere mensen die avond aan avond over de twee Hilversums hun avonturen beleven. De stemmen raken vertrouwd, de man of vrouw erachter blijft anoniem.

Paul van der Lek (40) zit nu al tien jaar achter een van die stemmen. "Het hoorspel is oud zegt hij maar springlevend. Het is ongelooflijk plezierig werk, je raakt er niet op uitgekeken, de sfeer bij de hoorspelkern is bijzonder goed..."

Twee, drie hoorspelen per week staan er op zijn programma. Sommige vergeet je snel. Je weet soms nauwelijks, dat je eraan hebt meegedaan als je maanden later, op de band, het spel opnieuw hoort. Maar andere vergeet je nooit meer, zoals "Thomas More" van Henriëtte Roland Holst dat nu wordt “klaargemaakt" voor de microfoon en dat meer voorbereiding en repetities vraagt dan het routine-geval.

Tochtige bussen

Ook Paul van der Lek heeft vroeger toneel gespeeld. Na zijn schooljaren in Wageningen en een uitzichtloze onderduiktijd kwam hij terstond na de bevrijding bij het toneel. Dat was bij 'Start", de stichting Amsterdams-Rotterdams toneel, waar hij als volontair onder leiding van Ko Arnoldi aan het werk ging.

"Tochtige, ijskoude autobussen en onbeduidende rollen als die van een Duits soldaat "die niets anders te doen had dan stil te staan", zijn de eerste toneelherinneringen van Paul van der Lek.

Na vijf jaar toneel, “het was hoofdzakelijk figuratie, maar je moest toch ergens beginnen”, kwam hij bij het Amsterdams Toneelgezelschap en toen bij "Puck" waar hij drie jaar met Egbert van Paridon, Cas Baas en Hans Tobi wérkte. Een enthousiaste jonge groep met een groot ideaal: toneel brengen voor de jeugd. Je moest bijna alles zelf doen: decors bouwen, sjouwen met kisten en rekwisieten. Het waren voorstellingen in het Van Nispenhuis als “De wijze kater", "De gecroonde leersse" en “Joseph in Dothan".

Rond een tafel

In 1953 kwam hij bij de radio, die op dat moment zocht naar jong acteertalent voor de hoorspelkern. Natuurlijk zat je eerst vreemd tegen dat werk aan te kijken. Van de beweging naar het statische. Repetities rond een tafel, de tekst in de hand, dan de microfoonrepetities, weer de tekst in de hand.

Eerst bijna altijd rechtstreekse uitzendingen, later kwam de opnameband die de regisseur, en ons, meer mogelijkheden gaf. Je raakt niet uitgekeken op het hoorspel. Het vraagt acteertalent en aanpassingsvermogen van jezelf en van de luisteraar. Het is geen passief lui onderuit geschoven ondergaan maar een actief meeleven. Het vraagt fantasie.

De grote concurrent

Natuurlijk heeft de televisie invloed gehad op het hoorspel, zegt Paul van der Lek. Vanzelfsprekend wordt er veel minder geluisterd dan vroeger, maar uit de reacties blijkt wel dat er nog tienduizenden verknochte luisteraars zijn en vergeet niet: als er duizend mensen luisteren dan Is dat een flinke schouwburgzaal vol bezoekers.

Het is overigens een goed ding dat de televisiekijker steeds meer selectief gaat worden. Voor miljoenen Nederlanders is het nieuwtje van de televisie, “het wonder van de huisbioscoop”, er allang af en heus niet alle programma's zijn even briljant. En voor het hoorspel geldt hetzelfde als de film: het goede product haalt het gemakkelijk.

De radio, en daarmee de hoorspelmensen, hebben zich allang aangepast aan de nieuwe situatie. De keuze van de stukken is kritischer geworden en de tijden van uitzending werden hier en daar aangepast zodat de trouwe televisiekijker, die ook graag naar een hoorspel luistert na de televisie-tijd ook nog aan zijn trekken kan komen.

Het is wel jammer, dat de radio steeds minder aandacht krijgt: bij de televisie schijnt alles te kunnen. Totaal onbelangrijke uitzendingen krijgen soms volop aandacht, waardevolle radio-uitzendingen zoals opvallende muziekprogramma's of werkelijk goede luisterspelen worden te vaak vergeten.

Boeiende ervaring

Overigens heeft de hoorspelkern wel eens iets gedaan voor de televisie. In december 1960 voerde de kern, samen met Henk van Ulsen, een televisie-spel op. “Een boeiende ervaring die nogal uiteenlopende reacties kreeg", zo karakteriseert Paul van der Lek dit experiment. Of hij toch nog eens ooit iets zou willen doen voor de grote concurrent? Heel graag.

Want in elke hoorspelacteur leeft na al die jaren van microfoons en achtergrond-geluiden een voortdurend en onbestemd verlangen naar echt levend toneel dat meer zaken in beweging brengt dan alleen de stembanden...