Interviews / Een interview met Léon Povel

Léon Povel zag bij de KRO veel taboes verdwijnen

Van een onzer verslaggevers.

Hilversum, donderdag 25 mei 1972.

 

Léon Povel zag bij de KRO veel taboes verdwijnen. KRO-regisseur Léon Povel, wie hem lang kent, en dat zijn er velen, spreken hem met Lon aan, viert deze maand het feit dat de KRO hem precies 40 jaar geleden vers van het lyceum naar de studio trok. Daar werd toendertijd primitiever gewerkt dan in de beginfase van de commerciële zendstations van heden ten dage. Aan die tijd bewaart de heer Povel de wetenschap, dat elk dubbeltje er één is en onder meer door deze levensvisie stelde hij geen prijs op een grootscheepse ceremonie. De bescheidenheid heeft hem altijd al aangetrokken.

 

De naam Léon Povel ziet men gewoontegetrouw in het rijtje van illustere hoorspelregisseurs S. de Vries jr., Kommer Kleijn, Willem Tollenaar, Emile Kellenaers. Bijna duizend maal drong zijn naam via de ether de huiskamer binnen, voor en na de uitzending van een hoorspel. Bijna zou men vergeten dat Léon Povel acht jaar voor de oorlog zijn carrière begon als omroeper. En dan zo een met niet gehonoreerde taken erbij.

 

In die beginjaren leidde hij als extra werkje gezelschappen rond. Af en toe liet hij de hevig geïnteresseerde KRO-donateurs in de steek en tufte terug naar de omroepcel om de volgende plaat aan te kondigen. Aan het eind van de excursie werden speldjes verkocht. Een dubbeltje per stuk. “Elk duppie was meegenomen. Zoiets blijft je altijd bij. Later heb ik me wel eens verbaasd over de royale hand, waarmee bij de omroep, en dan vooral bij de televisie, met geld wordt omgesprongen”.

 

Reportages

“Een van de eerste dingen die ik heb omgeroepen, was de sluiting van het laatste gat in de Afsluitdijk”. Dank zij de spaarzin kon de KRO in 1935 een reportagewagen in gebruik nemen. Léon Povel werd tot vast bemanningslid aangewezen. “In die vooroorlogse jaren gebeurde het dat we met wagens van verschillende verenigingen bij een gebeurtenis waren. Bij de opening van de Moerdijkbrug stonden we er met vier, ieder met een eigen microfoon. Alles werd op grammofoonplaten opgenomen. Met witte inkt gaf je aan waar de technicus de naald moest neerzetten”.

 

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Povel terug op de plaats van hoofd reportage afdeling van de KRO. De invoering van klankbeelden was een primeur. Samen met dirigent Nico van der Meer maakte hij dergelijke programma’s over de provincies.

 

“De stap naar het hoorspel is dan niet zo groot. Jarenlang heb ik ondervonden de feiten niet in de hand te kunnen hebben. Je moet maar accepteren hoe de mensen reageren en wat zij voor de microfoon bereid zijn te doen. Ik voelde ervoor de materie te vormen naar een schema, dat wil zeggen: de behoefte de situatie meer in de hand te hebben. Het hoorspel is de ideale vorm van het rollenspel. Mensen, zonodig acteurs, die je voor ogen staan benader je om mee te doen”.

 

In de tweede helft van de jaren vijftig behaalde de KRO met de hoorspelserie ‘Sprong in het heelal’ even hoge luistercijfers als concurrent AVRO met Paul Vlaanderen en zijn Ina. De straten waren leeg, gelijk bij Europa Cup wedstrijden van tegenwoordig. “Nu nog ontvang ik brieven van mensen die vragen of de serie herhaald kan worden. Een zekere vorm van nostalgie. Je kijkt met ogen van ‘er is niets nieuws onder de zon’ naar de uitzendingen van maanlandingen. Wat daar gebeurt werd al in de radioprogramma’s gespeeld”.

 

Alles bij elkaar zal Léon Povel zo’n 900 producties hebben gedraaid. Allerlei stukken, tot voor enkele jaren bestemd voor de sector “Elck wat wils”. De televisie heeft echter de taak amusement te brengen voor het hele gezin overgenomen en de radio kan zich nu wenden tot de mensen die een bewuste keuze maken. De luisteraar-van-nu wordt meer voorgeschoteld dan alleen maar een programma, gericht op de grootste gemene deler.

 

Experimenten

“In de hoorspelsector zijn we erg gelukkig met deze ontwikkeling. Het moderne repertoire en het doen van experimenten geeft ons een kans. Met elkaar zoeken we naar andere uitdrukkingsmogelijkheden dan alleen radiofonisch. Een heel ander hoorbeeld maken, dat bereikt kan worden door bepaalde effecten aan te wenden. Irreële en abstracte gedachten zijn al via de radio over te brengen. Er is met radio veel meer mogelijk dan alleen het overbrengen van de menselijke stem. We gaan ermee door, maar de luisteraar moet niet volgestopt worden met experimentele vormen. Er bestaat dan de kans op vervreemding”.

 

Minder hoorspelen over de radio leidt tot de conclusie dat de makers het minder druk zouden hebben dan vroeger. Dat blijkt niet waar te zijn. “Ik heb nu gelukkig tijd voor het maken van programma’s. Er zijn wel minder spelen, maar ze zijn qua gehalte veel beter.”

 

Toekomst

Léon Povel hoopt dat door internationale samenwerking de schrijvers ertoe te bewegen zijn speciale hoorspelen te maken. De eenmaligheid van de productie maakt het schrijven voor de auteur nu niet bijster aantrekkelijk. Alleen door uitzending in verschillende landen kan het honorarium opgeschroefd worden. KRO en Süddeutscher Rundfunk hebben een eerste stap gezet. Zij legden bijvoorbeeld geld op tafel om de Vlaamse schrijver Ivo Michiels een opdracht te verstrekken. Nederlandse schrijvers maken zo de kans in de Duits-sprekende landen bekendheid te krijgen.

 

Een dergelijke ontwikkeling geeft de heer Povel de zekerheid dat in Europa het hoorspel nog toekomst heeft. “Het hoorspel is een kunstvorm en als je de loop van de geschiedenis volgt, dan is er nog nooit een kunstvorm verdwenen. Wel zijn er bijgekomen. Film, radio, televisie. En erbovenop komt, dat de opkomst van da transistorradio niet uit moet vlakken”, merkt hij op als wij hem spreken in de steeds voller wordende KRO-kantine.

 

Maar in de avonduren kijken de mensen toch naar de televisie en het getal van kijkers neemt steeds toe, merken wij op. “Het aantal luisteraars is moeilijk te peilen, maar 50.000 is een redelijk getal. Dat wil zeggen, meer dan 500 schouwburgen vol en dat is toch wel ‘n aardig uitgangspunt,” is het antwoord van de heer Povel.

 

Veel is er in 40 jaar bij de Katholieke Radio Omroep niet veranderd. Hoorspelen over driehoeksverhoudingen en zelfmoorden waren vroeger taboe, evenals het werken van een radioman voor de televisie. Het wegvallen van het laatste taboe viel goed in het straatje van Léon Povel, die jarenlang aasde op de mogelijkheid visueel te werken. In 1969 ging zijn hartewens in vervulling. Een programma over euthanasie. Er zijn daarna nog twee programma’s gevolgd. Voorlopig staat er niets op stapel voor de televisie. “We weten nauwelijks wat we in het volgende seizoen gaan doen. De zorg om de financiën drukt wel erg op de programmering”

 

Werk en hobby lopen bij jubilerende Povel in elkaar over. “Ik ben nu zestig en ik hoop de resterende vijf jaar nog veel in de omroep te kunnen doen. Het zal erg jammer zijn om ermee te stoppen. In ons beroep vind ik die grens van 65 bepaald onnozel….”

 

 

 

Bron: Nieuwsblad van het Noorden.